Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2378

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
609455 HA RK 26-66
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen rechter H.A.M. Pinckaers, die de hoofdzaak behandelt, vanwege vermeende onbehoorlijke bejegening, vooringenomenheid en een uitval naar de griffier tijdens de zitting op 30 maart 2026.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 21 april 2026 behandeld en beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro, waarbij de onpartijdigheid van de rechter centraal stond. De rechter heeft schriftelijk en mondeling gereageerd, waarbij zij haar optreden toelichtte en ontkende partijdig te zijn geweest.

De wrakingskamer oordeelt dat het stellen van vragen, ook buiten de kern van het geschil, binnen de bevoegdheid van de rechter valt en dat scherpe uitingen niet automatisch een schijn van partijdigheid creëren. De vermeende vooringenomenheid en de uitval naar de griffier zijn onvoldoende om de onpartijdigheid te schaden.

De wrakingskamer concludeert dat geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is ontstaan en wijst het wrakingsverzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij de schorsing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Pinckaers wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 609455 HA RK 26-66
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 6 mei 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoekster,
bijgestaan door mr. F.J. Bloem-Timmermans, advocaat in Zwolle.

1.De procedure

1.1.
Mr. F.J. Bloem-Timmermans heeft op 1 april 2026 namens verzoekster, mr. H.A.M. Pinckaers gewraakt. Mr. H.A.M. Pinckaers (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer: 12082644 UE VERZ 26-41 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 21 april 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer. Bij de zitting waren aanwezig:
  • Mr. F.J. Bloem-Timmermans;
  • [A] , manager facilitaire zaken en vastgoed bij verzoekster;
  • [B] , HR business partner bij verzoekster;
  • Mr. H.A.M. Pinckaers;
  • [C] , verweerder in de hoofdzaak;
  • Mr. Y.M. van der Meulen, de gemachtigde van [C] in de hoofdzaak.
1.3.
De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend om de redenen dat bij de rechter tijdens de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak op 30 maart 2026 sprake was van de schijn van partijdigheid door (1) onbehoorlijke bejegening van de gemachtigde mr. F.J. Bloem-Timmermans, (2) vooringenomenheid en (3) een uitval naar de griffier. De bejegening bestond eruit dat de gemachtigde op zitting van de rechter te horen kreeg dat zij ‘de pech’ had dat zij de rechter was op deze zaak en dat zij bepaalde welke vragen relevant waren of niet. Dit gebeurde nadat de gemachtigde de relevantie van een bepaald door de rechter aangesneden onderwerp aan de orde stelde. Volgens verzoekster was dit onderwerp (de inname van de bedrijfsauto) geen punt van discussie tussen partijen en daarmee niet relevant. Ook meent zij dat dit incident getuigt van een gebrek aan objectiviteit, omdat de rechter haar aannames over de ingeleverde auto niet eerst verifieerde.
Ter illustratie van de vooringenomenheid van de rechter worden door verzoekster in haar wrakingsverzoek een viertal voorbeelden genoemd. Deze voorbeelden bestaan eruit dat:
  • de rechter bij aanvang aangaf dat zij het een lastige zaak vond, maar niet doorvroeg en geen open vragen stelde, zodat onduidelijk bleef wat er nu zo lastig was;
  • de rechter smalend reageerde op een door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, waardoor de indruk werd gewekt dat de rechter het standpunt van verzoekster niet serieus nam;
  • de rechter ervan uitging dat [C] (de verweerder in de hoofdzaak), zich onveilig had gevoeld en daarom opnames van een gesprek had gemaakt;
  • de rechter geen open, maar gesloten vragen stelde waarin aannames lagen besloten.
Door een uitval naar de griffier (over het geluid van het typen) voelde de (gemachtigde van) verzoekster zich tenslotte nog minder vrij om haar visie op de zaak te delen met de rechter.
2.2.
Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van verzoekster de gronden herhaald en nogmaals gesteld dat op de zitting geen sprake was van een veilige sfeer voor een open debat. [A] heeft dit bevestigd.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat zij het niet eens is met de wraking. In haar schriftelijke reactie en tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de rechter dit uitgelegd. De rechter heeft daarin aangegeven dat het gebruik van het woord ‘pech’ door haar niet bedoeld was als een schrobbering, maar om erop te wijzen dat het haar rol als rechter is om op zitting de regie te voeren en te beslissen of een vraag gesteld mag worden. De rechter heeft verder aangegeven dat bij haar geen sprake was van vooringenomenheid en dat zij inderdaad heeft gezegd dat zij het een lastige zaak vond. Volgens de rechter heeft zij aan beide partijen meer en mindere kritische vragen gesteld en ook meer en minder open vragen gesteld. Dit heeft zij gedaan in haar zoektocht naar relevante informatie en een minnelijke oplossing. Ook heeft de rechter benoemd dat zij ter zitting is ingegaan op het door verzoekster gegeven voorbeeld over het onvoldoende functioneren van de werknemer, zonder daarbij af te willen doen aan het argument dat verzoekster maakte met dat voorbeeld. Tot slot heeft de rechter aangegeven dat zij de griffier tijdens de zitting heeft gevraagd minder hard mee te typen, maar dat dit geen aanwijzing vormt voor vooringenomenheid jegens één van de partijen.
2.4.
De rechter heeft tijdens de zitting van de wrakingskamer nog aangegeven dat zij op bepaalde punten scherp is geweest, maar niet alleen tegen verzoekster. De rechter betreurt het dat verzoekster haar optreden als partijdig heeft ervaren, maar vindt dat zij geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet doet of zegt) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De wrakingskamer zal de door verzoekster gestelde punten puntsgewijs behandelen.
3.4.
Ten aanzien van het punt over de onbehoorlijke bejegening door de rechter van de gemachtigde, overweegt de wrakingskamer als volgt. De rechter is gebonden aan de door verzoekster ingediende vordering, maar de rechter heeft de ruimte om vragen te stellen buiten de kern van het geschil om, bijvoorbeeld om te onderzoeken hoe de verhouding is tussen partijen en in het kader van een mogelijke minnelijke regeling. In dit geval heeft verweerder in de hoofdzaak als feit naar voren gebracht dat zijn bedrijfsauto is ingenomen. Ook als partijen over de inname van de bedrijfsauto geen geschil hebben, is het aan de rechter om te bepalen of zij daarover een vraag stelt, zeker nu de inname voor verweerder in de hoofdzaak kennelijk wel een bepaalde rol speelde in het geschil tussen partijen.
3.5.
Met betrekking tot de gestelde vooringenomenheid van de rechter, overweegt de wrakingskamer het volgende. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat beide partijen de gelegenheid hebben gehad om tijdens de mondelinge behandeling (schriftelijke) aantekeningen voor te dragen. Vervolgens heeft de rechter vragen van uiteenlopende aard aan partijen gesteld en hebben partijen op elkaar kunnen reageren. Uit de diepgang of wijze van de vraagstelling (open of gesloten) kan, zonder meer, geen gerechtvaardigde schijn van partijdigheid volgen. Het stellen van (open of gesloten) vragen biedt partijen ook de gelegenheid eventuele in de vraagstelling besloten aannames zo nodig te weerspreken. Verzoekster heeft verder aangegeven dat zij zich niet gehoord voelde door de rechter toen zij een voorbeeld gaf over het onvoldoende functioneren van de werknemer. De wrakingskamer overweegt dat de dynamiek van een gesprek op zitting verschillende reacties kan ontlokken bij de betrokken partijen. De door de rechter gegeven reactie op het voorbeeld heeft verzoekster kennelijk (subjectief) de schijn van partijdigheid doen ervaren. De wrakingskamer is echter van oordeel dat door de betreffende reactie van de rechter niet objectief gerechtvaardigd de schijn van partijdigheid is gewekt. Door verzoekster is daarnaast gewezen op de opmerking van de rechter dat [C] zich mogelijk onveilig heeft gevoeld. Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat de rechter het woord ‘onveilig’ juist gebruikte in het kader van een kritische vraag aan [C] . Daarbij veronderstelde de rechter mogelijk ten onrechte dat [C] opnames heeft gemaakt omdat hij zich onveilig voelde. Als dit zo is, bood de gestelde vraag (de gemachtigde van) verzoekster ook de gelegenheid deze veronderstelling zo nodig te corrigeren. De mogelijk in een vraag besloten veronderstelling dat [C] zich tijdens een gesprek onveilig voelde leidt, mede gelet op de context waarin de vraag is gesteld, niet tot een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.6.
De wrakingskamer is ten slotte van oordeel dat niet valt in te zien dat door de onderlinge communicatie tussen de rechter en de griffier de objectieve schijn van partijdigheid is gewekt.
3.7.
Los van de hiervoor genoemde specifieke wrakingsgronden volgt in algemene zin uit het wrakingsverzoek dat volgens (de gemachtigde van) verzoekster sprake was van een sfeer op zitting waarbij (de gemachtigde van) verzoekster zich niet vrij voelde om alles wat zij wilde zeggen, naar voren te brengen. De wrakingskamer ziet ook dat de rechter zich ter zitting soms scherp heeft geuit, bijvoorbeeld door het gebruik van het woord ‘pech’ toen de gemachtigde van verzoekster de relevantie van een door de rechter gestelde vraag aan de orde stelde. De wijze waarop de rechter vragen stelde en de uitingen die zij deed, vormen naar het oordeel van de wrakingskamer echter geen grond om te oordelen dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
Conclusie
3.8.
De conclusie is dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 12082644 UE VERZ 26-41 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. G. Konings, voorzitter, en mr. J.F. Haeck en mr. M.S.T. Belt als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.M. van Bemmelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.