De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert te worden erkend als medehuurder van een woning die door gedaagde sub 2 werd gehuurd en waarvan de huurovereenkomst is opgezegd. Eiser woont sinds april 2024 met zijn drie minderjarige kinderen op het adres en stelt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met gedaagde sub 2.
De Alliantie en gedaagde sub 2 betwisten dat eiser onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad en dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor onafgebroken verblijf en duurzame huishouding, mede gelet op verklaringen van buurtbewoners en het feit dat eiser ook in een camper verbleef.
Ook is de intentie tot een duurzame gezamenlijke huishouding betwist en lijkt deze te zijn vervallen door de opzegging van de huurovereenkomst door gedaagde sub 2. De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.