ECLI:NL:RBMNE:2026:2415

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/597297 / HA ZA 25-386
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:755 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering meerwerk in aannemingsovereenkomst

Eiseres vordert betaling van meerwerkposten die onderneming 1, aan wie zij pandrecht heeft, in rekening heeft gebracht bij gedaagde op grond van een aannemingsovereenkomst voor timmerwerk aan het hoofdgebouw van gedaagde.

Gedaagde betwist de opdracht voor het meerwerk en stelt dat sommige werkzaamheden door andere bedrijven zijn uitgevoerd. De rechtbank beoordeelt per meerwerkpost of sprake is van opdracht en of gedaagde tijdig is gewaarschuwd voor prijsverhoging.

De rechtbank oordeelt dat het meerwerk dat onderneming 1 op verzoek van gedaagde voor de hoofdaannemer heeft uitgevoerd, toewijsbaar is, inclusief wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024. De overige meerwerkposten, waaronder gevelreclame en diverse timmerwerkzaamheden, zijn onvoldoende onderbouwd als meerwerk en worden afgewezen.

De gevorderde administratie- en aanmaningskosten en wettelijke rente daarop worden afgewezen, maar buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van €18.562,84 plus rente en incassokosten, wijst overige vorderingen af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/597297 / HA ZA 25-386
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. F.M. Wagener,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P. Hoendervanger.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte met producties van [eiseres] ;
- de mondelinge behandeling van 23 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling;
- de akte met producties van [gedaagde] ;
- de antwoordakte van [eiseres] .
1.2
Op de rolzitting van 25 februari 2026 is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) en [gedaagde] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten, waarbij [onderneming 1] zich heeft verbonden om voor een vaste aanneemsom timmerwerk aan het hoofdgebouw van [gedaagde] uit te voeren. Tussen [onderneming 1] en [gedaagde] is een geschil ontstaan over de door [onderneming 1] in rekening gebrachte meerwerkposten. [eiseres] heeft een pandrecht op de vorderingen die [onderneming 1] stelt te hebben op [gedaagde] en vordert in deze procedure betaling van het meerwerk. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] opdracht gegeven voor deze werkzaamheden. Daar is [gedaagde] het niet mee eens. Zij betwist extra kosten voor meerwerk verschuldigd te zijn. Volgens [gedaagde] hebben andere bedrijven deze werkzaamheden uitgevoerd. De rechtbank wijst de vordering van [eiseres] gedeeltelijk toe.

3.De beoordeling

De aannemingsovereenkomst tussen [onderneming 1] en [gedaagde]
3.1
[onderneming 1] heeft in opdracht van [gedaagde] timmerwerkzaamheden verricht. Deze timmerwerkzaamheden bestonden uit het aanbrengen van de houten gevelbekleding en bijbehorende isolatie aan het hoofdgebouw van golfclub [gedaagde] in [plaats 2] . [onderneming 1] en [gedaagde] hebben voor het uitvoeren van deze werkzaamheden aanvankelijk een prijsafspraak gemaakt van in totaal € 253.000,-. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] [onderneming 1] heeft verzocht om extra werkzaamheden uit te voeren en dat de aanneemsom daarvoor is verhoogd naar € 400.000,-. In totaal is door [onderneming 1] een bedrag van € 385.000,- in rekening gebracht voor het aanbrengen van de gevelbetimmering en isolatie en € 15.000,- voor meerwerk tot en met week 48 van 2022. [onderneming 1] heeft daarvoor in de periode van 18 januari 2022 tot en met 2 december 2022 facturen verstuurd, die [gedaagde] heeft betaald.
3.2.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] nog een bedrag van € 35.000,- aan meerwerk moet betalen zoals [onderneming 1] bij de factuur van 12 april 2023 in rekening heeft gebracht. En of [gedaagde] de, bij de factuur van 30 mei 2023, door [onderneming 1] in rekening gebrachte wettelijke rente, administratie- en aanmaningskosten verschuldigd is.
[eiseres] is bevoegd de vordering van [onderneming 1] te incasseren
3.3.
[onderneming 1] heeft als zekerheid voor door [eiseres] aan haar verstrekte financiering bestaande en toekomstige vorderingen op derden aan [eiseres] verpand. Hieronder valt ook hetgeen [onderneming 1] mogelijk nog te vorderen heeft op [gedaagde] . Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] deze vorderingen mag uitwinnen.
Meerwerk
3.4.
[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er door [onderneming 1] meerwerk is verricht een mailbericht van 13 juli 2023 van [A] overgelegd. Hierin wordt door [A] een overzicht gegeven van het meerwerk dat door [onderneming 1] is uitgevoerd en de daarmee gemoeide kosten. De rechtbank zal hierna aan de hand van dit overzicht beoordelen of [onderneming 1] de kosten daarvan in rekening heeft mogen brengen bij [gedaagde] . [1]
3.5.
Het overzicht bevat de volgende meerwerkposten:
“(…)- Extra meerwerk uitgevoerd in opdracht van [B (voornaam)] € 35.000,00
aanbrengen staalconstructie in de luifelaanbrengen waterslagen/andere profielen
aanbrengen borstwering binnenzijde afslaggebouw
aanbrengen sparingen voor verlichting
gevelreclame aanbrengen
leveren en monteren ballenhok
diverse timmerwerkzaamheden tbv [onderneming 2]
meerwerk timmerwerkzaamheden trap en balustradeinhuur steigermateriaal/hoogwerker
Totaal overeengekomen en afgeronde opdracht € 435.000,00
(…)”
3.6.
De in het overzicht opgenomen meerwerkposten worden door [gedaagde] betwist. [gedaagde] erkent dat [onderneming 1] extra werk heeft verricht voor [onderneming 2] , de hoofdaannemer van het project. Maar deze werkzaamheden vielen volgens [gedaagde] onder de al verhoogde aanneemsom van € 400.000,- waarin al € 15.000,- voor meerwerk was opgenomen. Wat betreft het aanbrengen van de gevelreclame stelt [gedaagde] dat deze werkzaamheden door [onderneming 3] zijn uitgevoerd. Dat blijkt volgens [gedaagde] ook uit de door haar overgelegde factuur van [onderneming 3] van 23 december 2022. Hieruit blijkt dat bij [gedaagde] een bedrag van € 6.509,80 in rekening is gebracht voor de gevelreclame en voor de arbeid- en reisuren van twee monteurs voor één dag inclusief steigerhuur. [2] Ook de overige meerwerkposten in het overzicht worden door [gedaagde] betwist. [gedaagde] betwist niet dat deze werkzaamheden zijn verricht door [onderneming 1] , maar wel dat zij hiertoe opdracht heeft gegeven. Bovendien heeft [onderneming 1] [gedaagde] ook niet gewaarschuwd voor een noodzakelijke prijsverhoging.
3.7.
De overeenkomst die [onderneming 1] en [gedaagde] hebben gesloten is een overeenkomst van aanneming van werk. [3] Ten aanzien van meerwerk bepaalt artikel 7:755 BW Pro in welke situatie en onder welke voorwaarden een aannemer een prijsverhoging kan vorderen. In geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
3.8.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat toestemming tot meerwerk niet zonder meer betekent dat daarmee toestemming wordt gegeven tot prijsverhoging. Had de opdrachtgever de noodzaak van de prijsverhoging uit zichzelf moeten begrijpen dan is niet van belang of de opdrachtgever op de hoogte is van de omvang van de prijsverhoging of weet wat de te verwachten meerkosten zijn. [4]
3.9.
Omdat [gedaagde] betwist dat zij opdracht heeft gegeven voor meerwerk zal de rechtbank per meerwerkpost moeten beoordelen of er sprake is van meerwerk en zo ja of [gedaagde] gewaarschuwd is voor een noodzakelijke prijsverhoging of dat [gedaagde] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
De door [onderneming 1] verrichte timmerwerkzaamheden voor [onderneming 2] is meerwerk
3.10.
In het overzicht worden diverse timmerwerkzaamheden ten behoeve van [onderneming 2] genoemd. [eiseres] stelt dat [gedaagde] [onderneming 1] heeft gevraagd om de ruwbouw en afbouw van de betimmering van de ombouw en de driving range over te nemen van hoofdaannemer [onderneming 2] . Volgens [eiseres] wist [gedaagde] dat tegenover het verrichten van deze werkzaamheden een vergoeding stond. Volgens [eiseres] blijkt dat ook uit een mailbericht van 13 oktober 2022 waarin [A] aan [gedaagde] een overzicht stuurt van de door [onderneming 1] voor [onderneming 2] uitgevoerde werkzaamheden die niet in hun scope zaten. De daarvoor gemaakte kosten worden daarin begroot op € 18.562,84. [5] Deze kosten kon [gedaagde] volgens [eiseres] bij [onderneming 2] dan in mindering brengen.
3.11.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] niet betwist dat [onderneming 1] op haar verzoek timmerwerkzaamheden heeft overgenomen van [onderneming 2] . Ook heeft [gedaagde] erkend dat dit extra werkzaamheden betekende voor [onderneming 1] . Daarmee staat vast dat er sprake is van meerwerk. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] moeten begrijpen dat het uitvoeren van deze werkzaamheden leidt tot een meerprijs, omdat deze werkzaamheden immers aanvankelijk niet door [onderneming 1] verricht zouden worden en later – op verzoek van [gedaagde] – juist wel. Er is hier dan ook sprake van een meerwerkpost waarvoor [gedaagde] een aanvullende prijs verschuldigd is.
3.12.
Dat deze werkzaamheden voor [onderneming 2] met de betaling van de meerwerkfactuur van 2 december 2022 zijn betaald zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld kan de rechtbank niet vaststellen. De enkele verwijzing naar de meerwerkfactuur van 2 december 2022, tegenover de betwisting van [eiseres] , is daarvoor niet voldoende. Uit de omschrijving van de factuur kan namelijk niet worden opgemaakt dat het hier om de overgenomen werkzaamheden voor [onderneming 2] gaat. Het lag op weg van [gedaagde] om dat nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan neemt de rechtbank het door [onderneming 1] op 13 oktober 2022 aan [gedaagde] verstuurde kostenoverzicht als uitgangspunt. [6] Het hierin genoemde totaalbedrag van € 18.562,84 exclusief btw waarvan [gedaagde] de hoogte niet heeft betwist is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf 10 oktober 2024 zoals gevorderd.
De kosten van het aanbrengen van gevelreclame is geen meerwerk
3.13.
De in het overzicht genoemde meerwerkpost ‘gevelreclame aanbrengen’ was volgens [eiseres] wel degelijke meerwerk voor [onderneming 1] . [gedaagde] heeft namelijk [onderneming 1] verzocht [onderneming 3] te helpen bij het monteren van de gevelreclame. [onderneming 1] heeft dan ook daarvoor montagewerkzaamheden verricht die zij als meerwerk bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht.
3.14.
Naar het oordeel van de rechtbank hoefde [gedaagde] niet te begrijpen dat zij met haar verzoek om [onderneming 3] te helpen een opdracht tot meerwerk heeft gegeven waarvoor een prijsverhoging noodzakelijk was. Volgens de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende duidelijk gemaakt wat voor werkzaamheden [onderneming 1] precies heeft verricht.
Dit blijkt ook niet uit de omschrijving van de meerwerkpost in het overzicht. Dat [onderneming 1] werkzaamheden heeft overgenomen van [onderneming 3] en zelf de gevelreclame heeft bevestigd is niet gesteld en blijkt ook niet uit de stukken. Het tegendeel blijkt uit de factuur [onderneming 3] waarbij arbeids- en reisuren van twee monteurs voor 1 dag inclusief steigerhuur in rekening zijn gebracht. Hieruit volgt dat [onderneming 3] zelf de montage van de gevelreclame zou verzorgen. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van meerwerk. [onderneming 1] kon dan ook geen verhoging van de prijs vorderen. Dat betekent dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en dat de vordering van [eiseres] op dit punt zal worden afgewezen.
De overige meerwerkposten zijn geen meerwerk
3.15.
In het overzicht worden dan nog de volgende meerwerkposten genoemd:
- het aanbrengen staalconstructie in de luifel,
- aanbrengen waterslagen/andere profielen,
- aanbrengen borstwering binnenzijde afslaggebouw,
- aanbrengen sparingen voor verlichting,
- leveren en monteren ballenhok,
- meerwerk timmerwerkzaamheden trap en balustrade en
- inhuur steigermateriaal/hoogwerker.
3.16.
[eiseres] heeft wat betreft deze gestelde meerwerkposten niet onderbouwd dat dit meerwerk betreft en [gedaagde] daarvoor opdracht heeft gegeven. Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat zij in opdracht van [gedaagde] deze werkzaamheden heeft uitgevoerd. Daartoe heeft [eiseres] verwezen naar het financiële overzicht dat [onderneming 1] op 12 juli 2023 aan [gedaagde] heeft voorgelegd en volgens [onderneming 1] niet door [gedaagde] is weersproken. [7] De rechtbank kan uit dit financiële overzicht niet opmaken dat deze meerwerkposten daarin zijn opgenomen. Het lag op weg van [eiseres] om dat duidelijk te maken. Dit onderdeel van de vordering is daarom onvoldoende door [eiseres] onderbouwd. Dat betekent dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen en de in dit verband gevorderde meerwerkkosten daarom zullen worden afgewezen.
Niet kan worden vastgesteld wat [gedaagde] voor de werkzaamheden van [onderneming 1] precies heeft betaald
3.17.
[gedaagde] heeft nog een overzicht met banktransacties overgelegd en een uitdraai van een bankoverschrijving ter onderbouwing van haar stelling dat zij meer heeft betaald dan de overeengekomen aanneemsom van € 400.000,-. Wat betreft het door [gedaagde] overgelegde transactieoverzicht waarop deelbetalingen aan [onderneming 1] staan kan niet worden vastgesteld dat de overgeschreven bedragen in mindering strekken op de door [onderneming 1] verstuurde facturen. Niet bij elke overschrijving staat een factuurnummer. Waar wel een factuurnummer staat komen wat betreft factuurnummers VF052022482 en VF052022464 de vermelde bedragen samen opgeteld niet overeen met het gefactureerde bedrag. Het valt voor de rechtbank niet te controleren of [gedaagde] zoals zij stelt meer heeft betaald dan het bedrag dat met [onderneming 1] is overeengekomen. [gedaagde] heeft dat met deze betalingsoverzichten niet aangetoond. De goede procesorde staat het niet toe dat in deze fase van de procedure nog conclusies of nieuwe stukken ingediend kunnen worden.
[gedaagde] hoeft niet de gevorderde bedragen voor wettelijke rente, administratie- aanmaningskosten te betalen
3.18.
[eiseres] vordert vergoeding van de door [onderneming 1] gefactureerde administratie- en aanmaningskosten. Deze vordering is niet afzonderlijk toewijsbaar omdat deze kosten behoren tot de ook gevorderde buitengerechtelijke kosten.
Het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 1.500,- aan wettelijke rente dat [onderneming 1] bij [gedaagde] apart in rekening heeft gebracht wordt afgewezen omdat door [eiseres] daarvoor geen grondslag is gesteld en deze grondslag ook niet uit de gestelde feiten kan worden afgeleid.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] betalen
3.19.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 960,63 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Omdat [eiseres] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.20.
[gedaagde] voert verweer tegen de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van dit vonnis. [gedaagde] stelt dat zij van een toewijzend vonnis zeker in hoger beroep zal komen. Subsidiair vordert [gedaagde] dat aan een uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde wordt verbonden dat door [eiseres] tot een door de rechtbank te bepalen bedrag aan zekerheid wordt gesteld. [eiseres] stelt dat [gedaagde] niet heeft gesteld wat haar belang is bij een niet uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] niet een zekerheidstelling gevorderd wat [gedaagde] wel had moeten doen.
3.21.
Artikel 233 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, indien dit wordt gevorderd, kan verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. Op grond van artikel 233 lid 3 Rv Pro kan de rechter aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.
3.22.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het nog in te stellen rechtsmiddel in hoger beroep is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
3.23.
De vordering van [eiseres] tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt toegewezen. [eiseres] heeft daarbij belang nu zij anders langer moet wachten op voldoening van de vordering en haar kosten zullen oplopen. De omstandigheid dat [gedaagde] hoger beroep tegen het vonnis zal aantekenen maakt dat niet anders. Dat de executie mogelijk ingrijpende gevolgen heeft die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Een daartegenover gesteld mogelijk restitutierisico moet worden geconcretiseerd. [8] Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Om die reden wordt ook het subsidiaire verzoek van [gedaagde] om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad slechts toe te staan tegen het stellen van zekerheid afgewezen. De rechtbank zal dus het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren en [eiseres] niet verplichten om zekerheid te stellen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.24.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
160,04
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.632,50
(2,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.976,54
3.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.562,84, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 960,63 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.976,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 9 bij de dagvaarding
2.Productie 9 van [gedaagde]
3.Artikel 7:750 Burgerlijk Pro Wetboek
4.Hoge Raad 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:989 r.o. 3.1.3
5.Productie 25 van [eiseres]
6.Productie 25 van [eiseres]
7.Productie 36 van [eiseres]
8.HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400, NJ 1994/591