ECLI:NL:RBMNE:2026:2422

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608135 / JL RK 26-155
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens veiligheids- en opvoedingsproblemen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De minderjarige verblijft vrijwillig in een safehouse vanwege ernstige zorgen over zijn psychisch welbevinden, contact met justitie, en het ontbreken van ouderlijke controle. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) benadrukken de noodzaak van regievoering en behandeling buiten de thuissituatie.

De vader en moeder stemmen in met de ondertoezichtstelling, maar verzetten zich tegen de uithuisplaatsing of verzoeken deze aan te houden. De vader betwist de onveiligheid in de woonplaats en stelt zelf zorg te kunnen bieden. De moeder meent dat hulpverlening vanuit huis kan plaatsvinden.

De kinderrechter oordeelt dat aan de voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan en verleent deze voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt voor drie maanden toegekend vanwege onduidelijkheid over de veiligheid in de woonplaats en de noodzaak van behandeling buiten huis. Het overige deel van het verzoek wordt aangehouden. De GI wordt opgedragen de situatie te monitoren en de rechter te informeren. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De minderjarige wordt onder toezicht gesteld voor een jaar en krijgt een machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden vanwege veiligheids- en opvoedingsproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/608135 / JL RK 26-155
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd in Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. O. Bolluijt,
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026, mee in de beoordeling
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] namens de Raad;
- [B] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op vrijwillige basis in een safehouse (veiligheidsplek) van [instelling] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
De Raad heeft het verzoek op de zitting gehandhaafd. Er zijn namelijk grote zorgen over [minderjarige] , onder meer over zijn psychisch welbevinden, zijn contact met justitie, zijn zelfbepalend gedrag en het feit dat zijn ouders geen controle meer over hem hebben. Ook gaat hij al langere tijd niet meer naar school. Over twee maanden zal de opgelegde jeugdreclasseringsmaatregel aflopen, waardoor er geen regie meer is. De Raad vindt het gezien de complexiteit van de problemen noodzakelijk dat er wel een regievoerder is in de vorm van de GI. Daarnaast vindt de Raad het om twee redenen noodzakelijk dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. Enerzijds heeft de politie negatief geadviseerd over de terugkeer van [minderjarige] naar [plaats] , omdat er zorgen zijn over zijn veiligheid aldaar. Anderzijds hebben zijn ouders geen grip op [minderjarige] , waardoor er eerst behandeling nodig is voor hij terug naar een van zijn ouders kan. Hierbij wordt gedacht aan Forensische Ambulante Systeem Therapie (FAST) bij [instelling] .
De GI
4.2.
De GI heeft naar voren gebracht dat zij al bij [minderjarige] betrokken zijn in het kader van de jeugdreclasseringsmaatregel die aan hem is opgelegd. Hierbij wordt benadrukt dat de GI beperkt is in de duur en de voorwaarden van deze maatregel, waardoor het niet mogelijk was om daadwerkelijk te kunnen sturen in de hulpverlening. Daarom kan het voor de GI helpend zijn om ook in het kader van een ondertoezichtstelling betrokken te worden en zo daadwerkelijk regie te kunnen voeren. Op die manier kan er versneld duidelijkheid komen over de veiligheid van [minderjarige] in [plaats] en in hoeverre een machtiging tot uithuisplaatsing daadwerkelijk noodzakelijk is. Ook vraagt de GI zich af of een eventuele terugplaatsing bij de vader of bij de moeder in [minderjarige] belang is. Vanwege de onduidelijkheid rondom de veiligheid van [minderjarige] in [plaats] , stelt de GI voor de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden te verlenen en het overige deel aan te houden.
De vader
4.3.
De vader stemt in met de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De vader heeft aan de politie en Veilig Thuis gevraagd waarom het voor [minderjarige] onveilig is in [plaats] , maar hij heeft hier geen concrete reactie op gekregen. Hij is van mening dat hij zelf de zorg en veiligheid kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. Daarnaast is [minderjarige] al een aantal keer in de weekenden naar huis geweest en heeft [instelling] medegedeeld dat hij in principe nu weer volledig naar huis kan.
De moeder
4.4.
De moeder verzet zich niet tegen de ondertoezichtstelling, maar verzoekt primair de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair om het verzoek voor deze machtiging aan te houden. Zij is namelijk van mening dat alle benodigde hulpverlening vanuit de thuissituatie kan worden ingezet.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter verleent daarom ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden. Zij houdt het overige deel van het verzoek aan. Hieronder wordt uitgelegd waarom deze beslissing wordt genomen.
5.2.
[minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Zo zijn er grote zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige] . Hij is bekend met sombere en depressieve gedachten en hij heeft suïcidale uitspraken gedaan. Hij heeft een belast verleden, waarin hij onder meer getuige is geweest van huiselijk geweld tussen zijn ouders. Door dit verleden lijkt ook de relationele band met zijn vader en moeder ernstig beschadigd te zijn. Daarnaast heeft [minderjarige] vóór zijn vrijwillige uithuisplaatsing zelfbepalend gedrag laten zien, waarbij hij zich niet meer liet aansturen en begrenzen door zijn ouders, school en hulpverlening. Dit gedrag heeft er ook toe geleid dat hij veel schoolverzuim heeft - en ook door de uithuisplaatsing in het safehouse gaat hij al langere tijd niet naar school. Tot slot zijn er ernstige zorgen over de aanrakingen van [minderjarige] met justitie. Hij heeft onder meer een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd gekregen vanwege vuurwapenbezit. Dit alles maakt dat het noodzakelijk is dat de GI als regievoerder betrokken is bij de inzet van de hulpverlening.
5.3.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt om twee redenen verzocht. Ten eerste blijkt uit het Raadsrapport dat het volgens de politie voor [minderjarige] niet veilig is om terug te keren naar [plaats] . Dit vanwege het risico op vergelding door Syrische jongeren. Tegelijkertijd is op de zitting naar voren gekomen dat deze zorgen niet verder geconcretiseerd zijn door de politie en/of Veilig Thuis. Het is dus onzeker wat de daadwerkelijke dreiging is op grond waarvan de politie dit heeft geadviseerd en of deze dreiging op dit moment nog bestaat. De komende periode zal de GI daarom moeten uitzoeken of het voor [minderjarige] inderdaad niet veilig (genoeg) is om in [plaats] te wonen. Ten tweede is het volgens de Raad voor de hulpverlening van [minderjarige] noodzakelijk om niet thuis te wonen. Er zal namelijk eerst gewerkt moeten worden aan traumabehandeling en aan herstel van de relatie met de vader. Desalniettemin is op de zitting gebleken dat [minderjarige] al meerdere malen in de weekenden naar huis is geweest en dat [instelling] (de organisatie van het safehouse) heeft aangeven dat [minderjarige] in principe naar huis kan. De GI zal daarom moeten onderzoeken in hoeverre het daadwerkelijk voor de opvoeding en behandeling van [minderjarige] noodzakelijk is om niet thuis te wonen, of dat de hulpverlening binnen het ambulante kader kan worden ingezet. De kinderrechter vindt het, vanwege de onduidelijkheid over de noodzaak van de inzet van hulpverlening buitenshuis en de veiligheid van [minderjarige] in [plaats] , nodig dat hij op dit moment nog niet thuis woont. Tegelijkertijd is het ook in het belang van [minderjarige] om zo kort mogelijk niet thuis te wonen. Daarom verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden en houdt zij het overige deel van het verzoek aan. Daarbij wordt ten overvloede overwogen dat de GI niet verplicht is de machtiging voor de volledige duur te gebruiken en ook voortijdig kan beslissen dat [minderjarige] eerder naar huis mag – mits dat in zijn belang is.
5.4.
Gedurende de ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet er gewerkt worden aan de volgende doelen:
  • [minderjarige] groeit op in een veilige en gestructureerde opvoedomgeving, waar hem duidelijkheid, grenzen en kaders geboden worden die hij nodig heeft om zich op een positieve manier te ontwikkelen;
  • [minderjarige] leert om zijn emoties te (h)erkennen, te reguleren en daarmee zichzelf en anderen niet in onveiligheid te brengen;
  • [minderjarige] heeft duidelijkheid over zijn toekomstperspectief;
  • [minderjarige] heeft een positieve daginvulling of krijgt onderwijs aangeboden;
  • [minderjarige] , de moeder en de vader werken aan de onderlinge relationele banden.
5.5.
De beslissing tot het onder toezicht stellen van [minderjarige] wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 16 april 2026 tot 16 april 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 april 2026 tot 16 juli 2026;
6.3.
verzoekt de GI om de kinderrechter uiterlijk
2 juli 2026schriftelijk te informeren over de stand van zaken;
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.M. Janssen-Witteveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, in het gerechtsgebouw aan De Diagonaal 37 in Almere, op 14 juli 2026 om 13:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door
mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 01 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.