ECLI:NL:RBMNE:2026:2428

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/16/609673 / JL RK 26-237
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens bedreigde ontwikkeling en gebrekkige samenwerking ouders

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, omdat de veiligheid en ontwikkeling van het kind bedreigd worden door de houding van de vader en de gebrekkige samenwerking tussen ouders.

De gecertificeerde instelling (GI) was van mening dat een ondertoezichtstelling de situatie niet zou verbeteren en pleitte voor vrijwillige hulpverlening, terwijl de Raad en moeder de verlenging steunden. De vader stond achter verlenging mits een andere GI wordt benoemd, wat de kinderrechter onwenselijk achtte.

De kinderrechter oordeelde dat de ouders niet in staat zijn om samen te werken en dat de communicatie ernstig tekortschiet, wat schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende, daarom is verlenging noodzakelijk zodat de GI regie kan voeren en het traject Parallel Solo Ouderschap kan worden gestart.

De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 17 april 2027 en de beschikking is direct uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De kinderrechter benadrukte het belang van continuïteit en het geven van een kans aan de vader om zijn gedrag te verbeteren.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 17 april 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/609673 / JL RK 26-237
Datum uitspraak: 16 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Benchaïb,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.J. de Boer,
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026;
  • het briefrapport van de Raad van 7 april 2026;
- het briefrapport van de GI van 10 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- [A] namens de Raad;
- [B] van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 17 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
De Raad heeft negatief getoetst op het voornemen van de GI om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Op grond van artikel 1:260 lid 2 BW Pro kan de Raad om een verlenging van de ondertoezichtstelling verzoeken als de GI niet overgaat tot het indienen van een verlengingsverzoek. De Raad heeft zijn verzoek tijdens zitting gehandhaafd, omdat hij zich zorgen maakt om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Volgens de Raad is er sprake van onveiligheid voor [minderjarige] , die met name ligt in de houding van de vader ten opzichte van haar, de moeder en de hulpverlening. Momenteel hebben de vader en [minderjarige] wekelijks één uur begeleide omgang. De [instelling] geeft aan dat de omgang niet altijd goed verloopt. De vader past de gegeven adviezen niet toe, reflecteert niet op zijn eigen gedrag en wenst niet gecorrigeerd te worden. De [instelling] heeft aangegeven bezorgd te zijn over mogelijkheden van hulpverlening binnen een vrijwillig kader. Ook de Raad twijfelt of dit haalbaar is. De moeder staat open voor ondersteuning en begeleiding, maar is daarnaast ook afhankelijk van het functioneren en de houding van de vader. Bovendien lukt het de ouders niet om samen te werken en op een constructieve wijze met elkaar te kunnen communiceren. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen om de ontwikkeling van [minderjarige] . Het gaat niet goed op school en zij lijkt veel spanning te ervaren. [minderjarige] is snel overprikkeld, wat zich uit in onrustig gedrag, slaapproblemen en broekplassen. Om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen, is het noodzakelijk dat iemand de regie voert. De gezinsvoogd moet de benodigde hulpverlenging kunnen inzetten, inzicht krijgen in de opvoedsituaties bij beide ouders en hen zo nodig kunnen aanspreken op hun verantwoordelijkheid.
De GI
4.2.
De GI is van mening dat een ondertoezichtstelling de situatie tussen de ouders niet zal verbeteren en ziet geen mogelijkheden voor gezamenlijk ouderschap. In de afgelopen periode heeft de GI opgemerkt dat een ondertoezichtstelling meer onrust binnen het gezin veroorzaakt. De GI ziet geen mogelijkheden om verdere stappen te zetten of positieve resultaten te behalen, gezien wat er in de afgelopen periode is geprobeerd. De houding van de vader biedt onvoldoende ruimte voor verandering. Daarnaast heeft de GI de verwachting dat de pedagogische onmacht van de moeder, veroorzaakt door de driftbuien en woedeaanvallen van [minderjarige] , met hulpverlening in een vrijwillig kader weggenomen kan worden.
De vader
4.3.
De vader staat achter het verzoek van de Raad, mits er een andere GI wordt benoemd. Omdat de huidige GI geen noodzaak ziet om de ondertoezichtstelling te verlengen, heeft de vader geen vertrouwen in een verlenging van de ondertoezichtstelling die wordt uitgevoerd door dezelfde GI. De vader is bang dat er in de komende periode niets zal veranderen en er geen stappen gezet zullen worden met betrekking tot uitbreiding van de omgang. Hij wil in de komende periode toewerken naar onbegeleide omgang met [minderjarige] en zou graag zien dat de ondertoezichtstelling voortaan wordt uitgevoerd door een GI die landelijk werkt, zoals Leger des Heils. Op deze manier is er een GI betrokken die dichter bij zijn woonomgeving is gevestigd en met een frisse blik naar de situatie kan kijken.
De moeder
4.4.
De moeder staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij ervaart een goede samenwerking met de GI en ziet het niet zitten dat er een andere GI wordt benoemd. Volgens de moeder is continuïteit belangrijk en schieten de ouders er niets mee op als zij weer bij het begin beginnen. Het advies van de [instelling] is dat onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] op dit moment niet verantwoord is. Tijdens de begeleide omgang kunnen overgangsmomenten worden gestructureerd, kan de vader worden ondersteund bij het reguleren van spanning en kunnen de signalen van [minderjarige] tijdig worden opgemerkt. De ondertoezichtstelling biedt de kaders die nodig zijn om de omgang zorgvuldig te blijven volgen en ondersteunen, vooral nu er geen communicatie tussen de ouders mogelijk is. Volgens de moeder kan er niet voorbij worden gegaan aan het advies van de [instelling] en moet dit door de GI verder worden opgepakt. Daarnaast is het volgens de moeder belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over welke hulp [minderjarige] nodig heeft, eventueel door de inzet van psychodiagnostisch onderzoek.

5.De beoordeling

5.1.
Aangezien de ondertoezichtstelling op het moment van de mondelinge behandeling nog van kracht was, behandelt de kinderrechter het verzoek van de Raad ambtshalve als een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Ondanks dat er geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders zijn verwikkeld in een onderlinge strijd en zijn niet bereid om samen te werken. De communicatie tussen de ouders is erg slecht en er is veel wederzijds wantrouwen. De kinderrechter vindt het zorgelijk dat de ouders zodanig van elkaar verwijderd zijn dat zij niet meer in staat zijn om op normale wijze met elkaar te communiceren over [minderjarige] . In de afgelopen periode heeft de GI zonder succes geprobeerd de ouders te bewegen richting Parallel Solo Ouderschap. De kinderrechter acht het van groot belang dat de ouders hun best doen om, met behulp van dit traject, de onderlinge communicatie en het vertrouwen in elkaar te verbeteren. Het is namelijk schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] dat zij niet zonder spanningen kan opgroeien. Beide ouders hebben zich op de mondelinge behandeling bereid verklaard om hiermee te beginnen en de kinderrechter vertrouwt erop dat dit op korte termijn zal starten.
5.3.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het doel van de verlenging van de ondertoezichtstelling is dat beide ouders starten met Parallel Solo Ouderschap in hun eigen regio. Gelet op de spanningen, de communicatieproblemen en het feit dat het eerder niet gelukt is, heeft de kinderrechter er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders dit traject zelfstandig kunnen starten. De ouders zijn momenteel niet bereid om samen te werken en daarom is het belangrijk dat de GI de regie blijft voeren. Hoewel de moeder bereid is de hulpverlening te accepteren, is zij daarbij ook afhankelijk van de inzet van de vader. De samenwerking tussen de GI en de vader verloopt moeizaam, maar de kinderrechter is van mening dat de vader in de komende periode de kans moet krijgen om te laten zien dat hij bereid is de adviezen aan te nemen en toe te passen. Daarnaast is het belangrijk dat wordt onderzocht in hoeverre de omgang tussen de vader en [minderjarige] kan worden uitgebreid en of er kan worden toegewerkt naar onbegeleide omgang. De kinderrechter is van oordeel dat er stappen gezet moeten worden en acht het daarom onwenselijk om een andere GI te benoemen. Het is niet in het belang van zowel de ouders als [minderjarige] om onder begeleiding van een nieuwe GI opnieuw te beginnen. Bovendien spelen er praktische en financiële belemmeringen die ertoe leiden dat ook een landelijke GI, zoals het Leger des Heils, niet twee afzonderlijke GI’s inzet in de verschillende regio’s van de ouders.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 door mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Rijs als griffier, en op schrift gesteld op
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.