Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Almere omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn had beslist op haar bezwaar. De rechtbank had eerder op 9 juli 2025 bepaald dat het college binnen twee weken na die uitspraak moest beslissen, maar het college heeft zich hier niet aan gehouden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke en verstreken termijn in de eerdere uitspraak. Het college heeft niet verzocht om een langere beslistermijn, maar heeft wel aangegeven een hoorzitting te willen houden op 6 mei 2026. De rechtbank stelt daarom een nieuwe beslistermijn van twee weken na deze hoorzitting vast.
Indien de hoorzitting niet doorgaat en er geen nieuwe wordt gepland, geldt dezelfde termijn. Bij een nieuwe hoorzitting geldt de termijn van twee weken na die datum. De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast krijgt eiseres een proceskostenvergoeding van €467,- en wordt het griffierecht van €54,- vergoed. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het college op alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.