Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2440

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
11830855 \ UC EXPL 25-6504
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 lid 1 aanhef en onder a BWArt. 7:21 lid 2 BWArt. 7:17 jo. 7:21 jo. 7:22 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 7:22 lid 5 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling koopprijs wegens non-conforme auto met defecte wiellager

Eiser kocht op 23 januari 2025 een Ford Focus Wagon van gedaagde en vorderde ontbinding van de koopovereenkomst of terugbetaling van de koopprijs wegens gebreken aan de auto bij aflevering. De kantonrechter oordeelde dat de auto ten tijde van aflevering een gebrek had, namelijk een kapotte wiellager aan het linker voorwiel, waardoor de auto niet veilig was voor normaal gebruik.

Het defect werd binnen een jaar na aflevering vastgesteld bij een RDW-herkeuring en gedaagde kon het wettelijke bewijsvermoeden niet ontkrachten. Gedaagde weigerde de wiellager kosteloos te repareren ondanks sommatie, waardoor eiser bevoegd was de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden.

De stelling van gedaagde dat partijen een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en tegenstrijdige e-mailcorrespondentie. De kantonrechter wees de vordering tot terugbetaling van de koopprijs van € 3.000,00 toe, vermeerderd met wettelijke rente.

Daarnaast werd gedaagde veroordeeld tot betaling van € 246,46 aan schadevergoeding voor kosten van RDW-herkeuring en diagnose, € 449,65 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van eiser van € 692,50. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde moet de koopprijs, schadevergoeding en incassokosten aan eiser terugbetalen wegens non-conforme auto met defecte wiellager.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11830855 \ UC EXPL 25-6504
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.M.C. Jansen,
tegen
[gedaagde] ,h.o.d.n. [handelsnaam] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: de heer [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 6 augustus 2025 gedagvaard. [gedaagde] is op 15 oktober 2025 naar de rolzitting gekomen en heeft daar mondeling verweer gevoerd en daarnaast een conclusie van antwoord overgelegd. Van zijn mondelinge verweer is een proces-verbaal opgemaakt. Op 5 januari 2026 heeft [eiser] een aanvullende productie ingediend. Op 14 januari 2026 vond de mondelinge behandeling plaats, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] is daar verschenen samen met haar gemachtigde, mr. Jansen. [gedaagde] is verschenen met de heer [gemachtigde] , werknemer en gemachtigde van [gedaagde] . Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft op 23 januari 2025 een Ford Focus Wagon (hierna: de auto) van [gedaagde] gekocht. Zij wil dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij de koopovereenkomst op goede gronden heeft ontbonden of dat de kantonrechter zelf de overeenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt om haar de koopprijs van € 3.000,00, € 246,46 aan schadevergoeding en € 449,65 aan buitengerechtelijke incassokosten (terug)betaalt, omdat de auto gebreken had bij de aflevering van de auto en [gedaagde] die niet kosteloos heeft hersteld. [gedaagde] weigert te betalen, omdat hij kosteloos heeft gerepareerd wat hij moest repareren en hij daarnaast met [eiser] een aan haar te betalen prijs had afgesproken voor de resterende problemen met de auto waarmee het geschil tussen hen zou worden beëindigd. Een groot deel van de vorderingen van [eiser] wordt toegewezen.
3 De beoordeling
De maatstaf voor ontbinding bij non-conformiteit
3.1
[eiser] wil dat [gedaagde] haar de koopprijs van de auto terugbetaalt, omdat zij de koopovereenkomst op 23 juli 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter moet daarom beoordelen of [eiser] dat rechtsgeldig kon doen. Het gaat hier om een consumentenkoopovereenkomst. [1] In zo’n geval is voor ontbinding vereist dat de auto een of meerdere gebreken had ten tijde van de aflevering van de auto (non-conformiteit) en [gedaagde] die gebreken niet kosteloos [2] heeft gerepareerd, ondanks dat [eiser] hem daartoe wel de kans heeft gegeven. [3] Op grond van het wettelijk bewijsvermoeden moet de kantonrechter er bij de beoordeling van uitgaan dat gebreken die zich binnen een jaar na de aflevering van de auto hebben geopenbaard er al waren tijdens de aflevering, tenzij [gedaagde] anders aantoont of de aard van het gebrek zich daartegen verzet. [4]
De auto had ten tijde van de aankoop een gebrek
3.2
De kantonrechter oordeelt dat de auto ten tijde van de aflevering een gebrek had. [eiser] heeft drie problemen van de auto aan de ontbinding ten grondslag gelegd, namelijk:
  • i) dat de wiellager van het linker voorwiel kapot is,
  • ii) dat de wiellagers van de achterwielen moeten worden vervangen, en
  • iii) dat de auto regelmatig zonder waarschuwing in de noodloop schiet en daarbij vermogen verliest tijdens het rijden.
De kantonrechter laat in het midden of de auto die twee laatste problemen had toen de auto aan [eiser] is afgeleverd, omdat dat niet uitmaakt voor de uitkomst van deze procedure. Ook als die er niet waren, was de auto ten tijde van de aflevering daarvan namelijk nonconform vanwege de kapotte wiellager van het linker voorwiel. Dit oordeel legt de kantonrechter hierna uit.
3.3
Een kapotte wiellager kwalificeert als een gebrek, omdat – zo staat ook tussen partijen als gesteld en niet weersproken vast – daarmee het gevaar bestaat dat tijdens het rijden het wiel los kan raken van de auto. Daardoor is de auto niet veilig voor normaal gebruik op de weg en heeft de auto dus niet de eigenschappen die [eiser] daarvan bij de aankoop mocht verwachten. Het maakt daarbij niet uit dat de auto al wat ouder is en meer dan 250.000 kilometer op de teller heeft staan, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. [eiser] mocht namelijk in ieder geval verwachten dat ze veilig met de auto de weg op kon en dat is niet het geval.
3.4
Tussen partijen is niet in geschil dat binnen een jaar na de aflevering van de auto het defect zijn van de wiellager van het linker voorwiel zich heeft geopenbaard. Dit defect is immers bij een door [eiser] aangevraagde herkeuring door de RDW op 21 mei 2025 vastgesteld en de gemachtigde van [gedaagde] heeft het bestaan daarvan bevestigd in zijn email van 12 juni 2025. Het wettelijke vermoeden geldt daarom dat dat gebrek er al was ten tijde van de aflevering van de auto. Dat wettelijk vermoeden heeft [gedaagde] niet weten te ontkrachten. Het enkele feit dat een wiellager een slijtageonderdeel is, zoals [gedaagde] heeft benadrukt, is daarvoor onvoldoende. Anders dan hij heeft gesteld, blijkt daarnaast niet uit het rapport van de RDW dat het gebrek pas na de aflevering van de auto is ontstaan. Daarin staat namelijk alleen dat de keurder van de RDW niet heeft kunnen vaststellen of het gebrek er al was toen [gedaagde] zelf een apk-keuring deed voor de verkoop van de auto.
[gedaagde] heeft geweigerd het gebrek te herstellen
3.5
Na een sommatie daartoe van de gemachtigde van [eiser] op 21 mei 2025 heeft [gedaagde] toegezegd om een aantal problemen met de auto te verhelpen. [eiser] heeft de auto daarvoor op 29 mei 2025 bij hem gebracht en op 14 juni 2025 weer opgehaald. Uit het door [eiser] overgelegde e-mailcontact van 4 tot en met 13 juni 2025 tussen de gemachtigden van partijen, blijkt dat [gedaagde] echter uitdrukkelijk en herhaaldelijk heeft geweigerd om de wiellager linksvoor kosteloos te repareren, ondanks sommatie daartoe van de gemachtigde van [eiser] . Vanaf het moment van de eerste weigering op 11 juni 2025 was [eiser] daarom bevoegd om de overeenkomst op die grond te ontbinden. [5]
Partijen hebben geen vaststellingsovereenkomst gesloten
3.6
[gedaagde] heeft gesteld dat het [eiser] desondanks niet vrij stond om de overeenkomst te ontbinden, omdat partijen volgens hem een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten door afspraken te maken over wat [gedaagde] kosteloos zou repareren en de wiellager viel daar niet onder. Dat betoog gaat niet op. Anders dan [gedaagde] zegt, blijkt uit de e-mailwisselingen van 4 tot en met 13 juni 2025 niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt om hun geschil te beëindigen. De gemachtigde van [eiser] benadrukt daarin namelijk juist herhaaldelijk dat er door de kapotte wiellager sprake is van een gebrek dat [gedaagde] kosteloos moet herstellen en dat [eiser] niet akkoord gaat met zijn weigering om dat te doen. Anders dan [gedaagde] meent, wordt dat niet anders omdat de gemachtigde van [eiser] onder voorbehoud van alle rechten en weren heeft gevraagd wat de kosten voor een vervanging zouden zijn. De stelling van [gedaagde] dat er ondanks die berichten op 13 juni 2025 tussen partijen mondeling een vaststellingsovereenkomst is gesloten, heeft hij daarnaast onvoldoende onderbouwd. Van een tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van hun geschil, is dus geen sprake.
Conclusie: [gedaagde] moet de koopprijs aan [eiser] terugbetalen
3.7
De conclusie is dat [eiser] de koopovereenkomst op 23 juli 2025 rechtsgeldig heeft ontbonden en [gedaagde] haar de koopprijs van € 3.000,00 terug moet betalen. [6] De vordering tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente [7] vanaf de datum van de dagvaarding, wordt daarom toegewezen.
De gevorderde verklaring van recht & ontbinding door de kantonrechter worden afgewezen
3.8
[eiser] heeft ook een verklaring van recht [8] gevorderd dat zij op goede gronden de buitengerechtelijke ontbinding inriep van de koopovereenkomst tussen partijen. De kantonrechter heeft [eiser] op de mondelinge behandeling gevraagd of zij daar een voldoende belang [9] bij heeft dan de terugbetaling van de koopprijs. Haar gemachtigde heeft daarop geantwoord dat dat niet het geval is. Aangezien de terugbetaling van de koopprijs al wordt toegewezen, wordt de gevorderde verklaring van recht afgewezen vanwege gebrek aan voldoende belang. Ook de subsidiaire vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst van [eiser] wordt afgewezen, omdat dat door haar eigen buitengerechtelijke ontbinding niet meer mogelijk is.
[gedaagde] moet [eiser] € 246,46 aan schadevergoeding betalen
3.9
[eiser] heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om haar een schadevergoeding van in totaal € 246,46 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Ook die vordering wordt toegewezen en de kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
3.1
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat zij € 54,00 voor de herkeuring door de RDW en daarnaast € 122,46 voor een diagnose van de auto door de [bedrijf] heeft betaald. Omdat de auto non-conform was bij de aflevering van de auto, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en moet hij de schade vergoeden die [eiser] als gevolg daarvan lijdt. [10] [eiser] heeft de RDW en later, nadat [gedaagde] had geweigerd om de wiellager te repareren, [bedrijf] ingeschakeld om vast te stellen dat sprake was van (een) gebrek(en) waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is, zodat [gedaagde] die bedragen moet vergoeden. [11]
3.11
[eiser] heeft verder betoogd dat [gedaagde] voor een bedrag van € 70,00 ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van haar. [12] Dat betoog slaagt. Partijen zijn op 5 juni 2025 per e-mail overeengekomen dat [eiser] dat bedrag zou betalen om een thermostaathuis te laten vervangen, zodat een koelvloeistoflekkage kon worden verholpen. Dat heeft zij gedaan bij het ophalen van de auto en het thermostaathuis is vervangen. Door de ontbinding zal [gedaagde] de auto daarom nu op kosten van [eiser] in betere staat terugkrijgen dan dat hij in eerste instantie verkeerde. Aangezien zijn handelen aanleiding was voor de ontbinding, is die verrijking ongerechtvaardigd en moet hij dat bedrag aan [eiser] daarom vergoeden.
[gedaagde] moet [eiser] € 449,65 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.12
[eiser] vordert vergoeding van € 449,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding. Die vordering wordt toegewezen, omdat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het bedrag daarnaast redelijk is, gelet op de staffel in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.13
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [13] Dit betekent dat [gedaagde] zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan haar moet betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging en daarom geen kosten voor de dagvaarding en de tenuitvoerlegging van dit vonnis verschuldigd is [14] , wordt [gedaagde] niet veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
Totaal
692,50
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.14
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat [eiser] het vonnis direct kan (laten) uitveren, als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als er nog in hoger beroep moet worden beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.246,46, te vermeerderen met de wettelijke rente [15] , vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 449,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente [16] , vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van [eiser] van € 692,50 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af,
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. [17]

Voetnoten

1.Artikel 7:5 lid 1 aanhef Pro en onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:21 lid 2 BW Pro.
3.Artikel 7:17 jo Pro. 7:21 jo. 7:22 BW.
4.Artikel 7:18a lid 2 BW.
5.Artikel 7:22 lid 5 sub a BW Pro.
6.Artikel 7:22 lid 7 sub b BW Pro.
7.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
8.Als bedoeld in artikel 3:302 BW Pro.
9.Als bedoeld in artikel 3:303 BW Pro.
10.Artikel 7:24 lid 1 jo Pro. 6:74 BW.
11.Artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro.
12.In de zin van artikel 6:212 BW Pro.
13.Zie artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
14.Zie artikel 40 van Pro de Wet op de rechtsbijstand.
15.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
16.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
17.Type.: WMB/61313.