Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2448

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
12060970 \ MC EXPL 26-276
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 237 RvArt. 242 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis ontbinding huurovereenkomst na betaling huurachterstand

In deze zaak vorderde de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand, welke vorderingen in een verstekvonnis waren toegewezen. De huurder stelde verzet in tegen dit vonnis en betoogde dat de huurachterstand inmiddels was voldaan.

De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand volledig was betaald, waardoor de tekortkoming niet langer van voldoende gewicht was om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. De persoonlijke omstandigheden van de huurder, waaronder een relatiebreuk en depressie, leidden tot de achterstand, maar zijn situatie is inmiddels verbeterd en de lopende huur wordt betaald.

De kantonrechter vernietigde het verstekvonnis en wees de ontbinding en ontruiming af, mede gelet op het woonbelang van de huurder. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen vanwege onredelijk bezwarende bedingen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten, met verrekening van reeds betaalde kosten.

De kantonrechter waarschuwde dat bij een nieuwe huurachterstand de huurovereenkomst alsnog ontbonden kan worden, ook bij een achterstand van minder dan drie maanden.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en ontbinding en ontruiming worden afgewezen omdat de huurachterstand is voldaan.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12060970 \ MC EXPL 26-276
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.J.A. De Jong,
tegen
[gedaagde] B.V,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Ultimoo Incasso B.V..

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis van 3 december 2025
- de verzetdagvaarding van 13 januari 2026 met 3 producties
- akte van [gedaagde] met aanvullend stuk van 17 april 2026
- akte van [eiser] met aanvullende producties 4 en 5 van respectievelijk 21 en 22 april 2026
- de mondelinge behandeling van 22 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
In de verstekprocedure heeft [gedaagde] gevorderd dat de kantonrechter [eiser]
veroordeelt om de huurachterstand te voldoen. Daarnaast heeft [gedaagde] ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming gevorderd. Deze vorderingen zijn in het verstekvonnis van 3 december 2025 toegewezen. In de onderhavige procedure wil [eiser] dat het verstekvonnis wordt vernietigd. De kantonrechter vernietigt het verstekvonnis.

3.De beoordeling

[eiser] kan worden ontvangen in zijn verzet
3.1
Omdat het verzet tijdig en op de juiste manier is ingesteld, kan [eiser] in zijn verzet worden ontvangen.
De conclusie
3.2
Het verstekvonnis wordt vernietigd. Omdat er geen betalingsachterstand meer is, is de tekortkoming van onvoldoende gewicht om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Net als in het verstekvonnis worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen, omdat sprake is van onredelijk bezwarende bedingen. De beslissing daarover blijft dus in stand.
Huurachterstand
3.3
In het verstekvonnis is [eiser] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur aan [gedaagde] , te weten € 6.025,42 tot en met 30 november 2025 en € 1.189,00 per maand vanaf 30 november 2025 tot het moment van daadwerkelijke ontruiming. Ter zitting is door [gedaagde] bevestigd dat [eiser] de huurachterstand (inclusief de proceskosten) waartoe [eiser] in het verstekvonnis veroordeeld is, volledig heeft voldaan. De kantonrechter stelt vast dat er niet langer een betalingsachterstand is.
Ontbinding en ontruiming
3.4
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst (geheel of gedeeltelijk) te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
3.5
De kantonrechter oordeelt dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt, omdat er op dit moment geen huurachterstand meer is. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat de huurachterstand door persoonlijke omstandigheden, waaronder een relatiebreuk en een depressie, is ontstaan. Hierdoor was [eiser] niet in staat de huur te betalen. Inmiddels is zijn persoonlijke situatie aanzienlijk verbeterd: [eiser] heeft werk en de lopende huur wordt betaald. [eiser] heeft nog niet eerder een huurachterstand laten ontstaan. Tegen deze achtergrond oordeelt de kantonrechter dat er op dit moment geen sprake is van een tekortkoming van voldoende gewicht om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming toe te wijzen, althans dat deze vooralsnog niet opweegt tegen het woonbelang van [eiser] . De kantonrechter vernietigt het verstekvonnis van 3 december 2025.
3.6
[gedaagde] heeft ter zitting aangegeven te vrezen voor een nieuwe huurachterstand. De kantonrechter benadrukt in dat licht dat [eiser] er rekening mee dient te houden dat de huurovereenkomst een volgende keer door de kantonrechter ontbonden kan worden als hij opnieuw een huurachterstand laat ontstaan, ook als dit een huurachterstand van minder dan drie maanden is.
Proceskosten
3.7
In de verstekprocedure is [eiser] veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] . [eiser] voert verweer tegen de gevraagde proceskosten nu in de algemene voorwaarden een onredelijk bezwarend proceskostenbeding is opgenomen in artikel 20.3.
3.8
Voor zover [gedaagde] op grond van artikel 20.3 van de algemene voorwaarden aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, acht de kantonrechter dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de kantonrechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten moet veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.
3.9
De verstekprocedure is terecht door [gedaagde] opgestart. Pas na het verstekvonnis heeft [eiser] de betalingsachterstand voldaan. Dit brengt mee dat de proceskosten van zowel de verstekprocedure als de verzetprocedure voor rekening van [eiser] moeten komen, met dien verstande dat de proceskosten voor de verstekprocedure inmiddels zijn betaald door [eiser] aan [gedaagde] , zoals ter zitting is bevestigd door beide partijen.
3.1
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- proceskosten verstekprocedure
- salaris gemachtigde verzetprocedure

1.162,45
360,00
(1 punt × € 360,00)
- nakosten verzetprocedure
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.543,95

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
vernietigt het verstekvonnis van 3 december 2025 van de Rechtbank Midden-Nederland te Almere (zaaknummer: 11969418 MC EXPL 25-6224),
en, opnieuw rechtdoende,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.543,95, met dien verstande dat [eiser] daarvan € 1.162,45 reeds heeft betaald, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.