Eiser heeft op 30 december 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 52 weken een besluit genomen, waardoor eiser een ingebrekestelling stuurde op 31 december 2025. Na het verstrijken van twee weken heeft eiser op 23 januari 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen alsnog binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen, uiterlijk op 23 februari 2027. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €50,- per dag met een maximum van €15.000,- voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.
Omdat reeds 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€467,-) en het betaalde griffierecht (€54,-). Partijen hebben afgezien van een zitting, waardoor het onderzoek is gesloten op basis van de ingediende stukken.