Eiseres heeft op 20 juni 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waardoor eiseres op 25 januari 2026 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 3 juli 2025 in gebreke is gesteld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op om uiterlijk 14 augustus 2026 alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 50,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 54,-. De rechtbank wijst erop dat zij geen bevoegdheid heeft om verweerder te verplichten het dossier aan eiseres te verstrekken, omdat dit een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van de Awb.
De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok en uitgesproken op 30 maart 2026. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van de uitspraak.