Eiseres heeft op 27 december 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, ondanks ingebrekestelling op 6 januari 2026. Eiseres stelde vervolgens op 28 januari 2026 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen de wettelijke termijn, uiterlijk 22 februari 2027, alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 50,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-, en tot terugbetaling van het door eiseres betaalde griffierecht van € 54,-. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het recht op mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok en griffier M.A.W.M. Engels op 30 maart 2026.