Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2732

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/3071
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken procesbelang bij parkeervergunning

Eiser diende een aanvraag in voor een parkeervergunning die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Hilversum. Na bezwaar bleek dat de vergunning ten onrechte was afgewezen en moest alsnog worden verleend. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat eiser inmiddels had bereikt wat hij wilde.

Eiser voerde aan dat zijn belang ook lag in het voeren van een gesprek over de problematiek rondom een strook gemeentegrond bij zijn woning, met zorgen over parkeerdruk en verkeersveiligheid. De rechtbank constateerde dat deze zorgen niet tot het geding behoren en dat het college aanvankelijk een gesprek toezegde maar dit later introk. De rechtbank heeft geen bevoegdheid om het college te dwingen tot een gesprek.

De rechtbank oordeelde dat procesbelang ontbreekt omdat eiser de parkeervergunning inmiddels heeft ontvangen en de overige zorgen niet binnen de procedure vallen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en er is geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard omdat eiser geen procesbelang heeft nu de parkeervergunning is verleend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3071

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigde: B. Kurnaz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een parkeervergunning. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een parkeervergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 24 september 2024 afgewezen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing heeft het college geconstateerd dat de parkeervergunning alsnog moet worden verleend. Er was namelijk ten onrechte uitgegaan van een parkeerplaats op het eigen terrein van eiser. Eiser heeft in bezwaar ook gewezen op de omstandigheid dat als gevolg van het nieuwe parkeerbeleid de strook voor het pad naar zijn huis openbare parkeerplekken zijn geworden. Volgens hem is dat om verschillende redenen een onwenselijk situatie. Eiser heeft in het verkrijgen van de parkeervergunning dan ook geen aanleiding gezien om zijn bezwaren in te trekken. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser daar geen belang meer bij heeft.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.4.
Op de zitting heeft het college toegezegd dat er een gesprek met eiser zal worden gevoerd over de (her)inrichting en status van het stukje gemeentegrond grenzend aan het tuinpad dat leidt naar zijn woning.
2.5.
Bij brief van 11 maart 2026 heeft het college laten weten dat is besloten om het gesprek toch niet te voeren omdat eiser al voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten daarover naar voren te brengen.
2.6.
Eiser heeft daarop nog gereageerd op 25 maart 2026.
2.7.
Op 2 april 2026 heeft eiser aangegeven dat hij op een nadere zitting wil worden gehoord.
2.8.
De zaak is vervolgens behandeld op een zitting van 1 mei 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
2.9.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. Het college heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat aan hem in de bezwaarfase alsnog een parkeervergunning is verleend. Volgens het college kan eiser daarom niks meer met zijn beroep bereiken.
4. Eiser stelt dat zijn belang gelegen is in (het voeren van het gesprek over) de problematiek van de strook voor het pad naar zijn woning en zijn zorgen daarover. Daarbij heeft hij onder andere gewezen op de krapte om daar te parkeren, de verkeersonveilige situatie en de toegankelijkheid van het pad naar zijn woning..
5. De rechtbank heeft op de zitting van 20 februari 2026 geprobeerd om partijen te bewegen tot het voeren van een gesprek over de zorgen van eiser en de belangen die daarbij volgens hem een rol spelen. Zoals hiervoor omschreven heeft het college in eerste instantie toegezegd om nog een gesprek met eiser te voeren hierover, maar heeft zij die toezegging later ingetrokken. Volgens het college is eiser al voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn standpunten toe te lichten. Eiser betwist dit. De rechtbank heeft onvoldoende inzicht in het hele dossier rond het parkeerbeleid om een uitspraak te kunnen doen over de vraag of eiser daartoe voldoende gelegenheid heeft gekregen. Daarnaast is het niet aan de rechtbank om in deze zaak een oordeel te geven over de vraag of het college zich in dat kader voldoende heeft ingespannen. Maar de rechtbank vindt het op zijn minst wel erg spijtig dat het gesprek ondanks de aanvankelijke toezegging daartoe niet tot stand is gekomen. De rechtbank kan zich in zoverre ook voorstellen dat eiser hierover teleurgesteld is en dat hij zijn ongenoegen hierover heeft geuit. De rechtbank beschikt echter niet over de bevoegdheid om het college alsnog te verplichten tot het voeren van een dergelijk gesprek.
6. Nu de afspraken hierover niet tot een oplossing van het onderliggende geschil hebben geleid, is het aan de rechtbank om een uitspraak te doen op het geschil zoals dat in deze procedure voorligt. De rechtbank is daarbij gehouden aan de omvang van het geding. En die wordt bepaald door de aanvraag om een parkeervergunning door eiser. Daar is deze procedure namelijk mee aangevangen.
7. In deze zaak ligt de vraag voor of het college in de beslissing op bezwaar terecht heeft gesteld dat het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van procesbelang. Procesbelang is aanwezig als het resultaat dat iemand met een procedure wil bereiken ook daadwerkelijk kan worden bereikt en dat resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
8. Niet in geschil is dat eiser de gevraagde parkeervergunning inmiddels heeft ontvangen. De zorgen die eiser heeft over de strook voor het pad naar zijn woning, het parkeerbeleid, de gang van zaken en hoe dat tot stand is gekomen, zijn zaken die in deze procedure niet voorliggen. Deze procedure kan in zoverre dus niet leiden tot het door eiser, gelet op die zorgen, gewenste resultaat. Daarin kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen procesbelang zijn gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in de beslissing op bezwaar dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer had bij zijn bezwaar, omdat hij al had bereikt wat hij met deze procedure kan bereiken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard en niet inhoudelijk is behandeld. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten en krijgt het griffierecht niet terecht.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.