Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2735

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11962497 \ MC EXPL 25-6106 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:163 BWArt. 6:89 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bewindvoerders voor tekortkomingen in testamentair bewind en schadevergoeding

In deze zaak vordert eiser vergoeding van schade wegens tekortkomingen van de bewindvoerders tijdens het testamentair bewind over zijn erfdeel. Het testament stelde een bewind in tot zijn 25e jaar, waarbij de bewindvoerders het vermogen moesten beheren en jaarlijks rekening moesten afleggen.

Eiser stelt dat de bewindvoerders niet de maximaal toegestane huurverhogingen hebben doorgevoerd op een verhuurde woning, waardoor hij huurinkomsten is misgelopen. Tevens is kort voor het einde van het bewind onnodig een hypotheek gevestigd op de woning, wat onnodige kosten veroorzaakte. Daarnaast wordt geklaagd over onvoldoende urenverantwoording van de declaraties van de bewindvoerders.

De kantonrechter oordeelt dat de bewindvoerders niet ernstig tekort zijn geschoten in het niet volledig toepassen van huurverhogingen tot 2017 vanwege onderhoudsklachten van de huurder. Na herstel van het onderhoud in 2023 hadden zij echter wel huurverhogingen moeten doorvoeren, wat zij nalieten. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.063,98 inclusief rente. Het vestigen van de hypotheek kort voor het einde van het bewind was onnodig en veroorzaakte onnodige kosten van € 1.550,00, waarvoor de bewindvoerders aansprakelijk zijn. Klachten over urenverantwoording worden afgewezen wegens te late klacht en onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bewindvoerders zijn deels aansprakelijk en veroordeeld tot betaling van € 3.063,98 met rente, proceskosten gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11962497 \ MC EXPL 25-6106 AW/1583
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.L.J. Willems (Stichting Achmea Rechtsbijstand),
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , en/of de bewindvoerders
gemachtigde: mr. M.R. van Leeuwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
Op [2011] is overleden mevrouw [erflaatster] , hierna te noemen “erflaatster”. In haar testament heeft zij [eiser] benoemd tot enig erfgenaam, zulks onder de last van een aantal legaten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn benoemd tot executeur en testamentair bewindvoerder. Gelet op de leeftijd van [eiser] ten tijde
van overlijden van erflaatster (11 jaar) was het testamentair bewind van kracht tot [eiser] 25 jaar werd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de benoeming van testamentair bewindvoerder aanvaard en het testamentaire vermogen beheerd tot gedaagde 25 jaar werd op [2025] .
2.2.
Het testament kent onder meer de volgende bepalingen:
“(..)Erfstelling
Onder de last van voormelde legaten benoem ik tot mijn enig erfgenaam: mijn kleinzoon [eiser] ,……….(..)”
“(..) Bewind
Om redenen van jeugdige onbezonnenheid stel ik al hetgeen mijn kleinzoon en verdere afstammelingen uit mijn nalatenschap verkrijgen onder bewind. Voorts stel ik onder bewind hetgeen door de onder 2, 3 en 4 genoemde legatarissen uit mijn nalatenschap wordt verkregen. Dit bewind is voor mijn kleinzoon en afstammelingen uitsluitend ingesteld in hun eigen belang.
b. Ik benoem als bewindvoerders: de heer [gedaagde sub 2] voornoemd alsmede de notaris, bewaarder van deze minuut akte. Onverminderd de bevoegdheid elkaar volmacht te verlenen zullen de bewindvoerders slechts gezamenlijk mogen handelen.(..)”
c. Het bewind vangt aan bij mijn overlijden en duurt tot het bereiken van de vijf en twintig- jarige leeftijd door de desbetreffende gerechtigde. Voor wat de legatarissen betreft eindigt het bewind na verloop van tien jaren na mijn overlijden of zoveel eerder als mijn bewindvoerders gezamenlijk zullen besluiten.
d. De bewindvoerders worden vrijgesteld van de verplichting om zekerheid te stellen.
e. De bewindvoerders zullen vrij zijn in de wijze van beleggen en herbeleggen van het aan het bewind
onderworpen kapitaal.
f. De bewindvoerders zullen nimmer aansprakelijk kunnen worden gesteld voor achteruitgang van kapitaal door koersverliezen of andere dergelijke oorzaken.
g. De bewindvoerders zullen de revenuen van het aan bewind onderworpen kapitaal maandelijks naar eigen keuze of aan de gerechtigde uitkeren of overmaken op een bankrekening ten name van de gerechtigde of beleggen. (,,)”
i. De bewindvoerders zullen éénmaal per jaar aan de -rechthebbende of de rechtvertegenwoordiger een staat verschaffen van het aan het bewind onderworpen kapitaal en van de daarvan af gekomen revenuen.
j. Aan de bewindvoerders komt een loon toe berekend aan de hand van hun gebruikelijke uurtarief, zulks onverminderd het recht gemaakte onkosten, in de breedste zin, ten laste van het vermogen te brengen.(..)”
2.3.
Tot de nalatenschap behoort een woning, gelegen te [plaats 3] aan de [adres] , hierna te noemen "de woning”. Ten tijde van overlijden van erflaatster werd deze woning verhuurd. De woning werd beheerd door een makelaarskantoor [onderneming 1] aan wie de
maandelijkse huur werd betaald.
2.4.
Op [2021] is het bewind over de legaten (na tien jaar) geëindigd. Op of omstreeks november 2021 hebben de bewindvoerders met de [stichting] een geldlening voor een bedrag van € 150.000,00 afgesloten tegen een rente van 5% om zo de legaten aan de legatarissen te kunnen uitbetalen.
2.5.
In januari 2025 (kort voor het eindigen van het testamentaire bewind) hebben bewindvoerders een hypotheek gevestigd op de woning [adres] te [plaats 3] . Deze hypotheek diende tot zekerheid van de eerder verstrekte geldlening van € 150.000,- door [stichting] . De hypotheek is op 19 september 2025 doorgehaald omdat [eiser] de geldlening heeft terugbetaald.
2.6.
Bij brief van de gemachtigde van [eiser] van 18 augustus 2025 worden de bewindvoerders aansprakelijk gesteld voor geleden schade:
“(..) Het testament verplicht u als testamentair bewindvoerder allereerst om jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende. Deze verplichting bent u niet nagekomen en is door u stelselmatig geweigerd. Zowel aan de wettelijk vertegenwoordigers van cliënt toen hij nog minderjarig was, als aan cliënt zelf toen hij eenmaal meerderjarig was. En vanaf het moment van meerderjarigheid mocht toch op zijn minst van u als bewindvoerder worden verwacht dat u in enige mate overleg zou voeren met cliënt over de door u te nemen en genomen beslissingen met betrekking tot diens erfdeel.
Maar ook uw handelen en nalaten heeft voor cliënt tot schade geleid. Zoals u genoegzaam
bekend behoort tot de nalatenschap ook een woning ( [adres] te [plaats 3] ), welke ten
tijde van het overlijden van oma werd verhuurd. De huurovereenkomst is door cliënt in zijn
hoedanigheid van enig erfgenaam voortgezet. De huurovereenkomst had betrekking op een
niet-geliberaliseerde woonruimte. Hierin heeft de verhuurder het recht om de huur jaarlijks te verhogen met een van overheidswege vastgesteld percentage. Deze jaarlijkse
huurverhogingen heeft u niet aan de huurder in rekening gebracht. Cliënt is hierdoor
aanzienlijke huurinkomsten misgelopen.(..)”
“(..)Voorts is ook gebleken dat u, zonder enige vorm van overleg, een hypotheek heeft
gevestigd op de verhuurde woning, zonder dat hiervoor een noodzaak bestond. Hiervoor zijn
nodeloos kosten gemaakt. Ook voor deze kosten houdt cliënt u aansprakelijk.
Cliënt houdt u dan ook aansprakelijk voor de schade als gevolg van de misgelopen
huurinkomsten en de nodeloos gemaakte kosten van het vestigen van een hypotheek. De
hoogte van de schade is nog niet bekend, maar zodra de berekening hiervan is gemaakt
kom ik hierop terug.(..)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad, 1. veroordeling van de bewindvoerders om aan [eiser] te voldoen € 19.108,75 (bestaande uit € 17.558,75 gederfde huurinkomsten en € 1.550,00 aan hypotheekkosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2025 tot de voldoening 2. veroordeling van de bewindvoerders tot terugbetaling van een door de kantonrechter te bepalen bedrag van de door de bewindvoerders aan hen uitbetaalde bedragen uit de nalatenschap indien zij deze niet aan de hand van een deugdelijke urenverantwoording kunnen verantwoorden; 3. en met veroordeling van de bewindvoerders in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat de bewindvoerders jegens [eiser] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het bewindvoerderschap over de nalatenschap van erflaatster ten behoeve van [eiser] . [eiser] stelt daardoor schade te hebben geleden. [eiser] meent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen die zij hadden uit hoofde van hun bewindvoerderschap door niet jaarlijks de maximaal toelaatbare huurverhoging toe te passen op de verhuurde woning aan de [adres] te [plaats 3] en door een maand voor het eindigen van het testamentaire bewind onnodig een hypotheek te vestigen op de woning. [eiser] wil dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de door hem geleden schade vergoeden. Daarnaast verlangt [eiser] terugbetaling van de door de bewindvoerders in rekening gebrachte gelden indien een deugdelijke urenverantwoording niet wordt verstrekt.
3.3.
De bewindvoerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.3.
Op het testamentair bewind is art. 4:163 BW Pro van toepassing. In dit artikel is bepaald dat de bewindvoerder(s) tegenover de rechthebbende aansprakelijk is, als hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het testamentair beheer vooral conserverend van aard moet zijn en dat de bewindvoerder het vermogen niet aan bijzondere risico’s moet blootstellen maar het juist daartegen moet beschermen. De vraag is dus of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de zorg van een goed bewindvoerder tekort zijn geschoten en [eiser] als gevolg daarvan schade heeft geleden
.
Huurverhogingen
4.1.
In het vermogen valt de woning aan de [adres] te [plaats 3] . De woning is door erflaatster met ingang van 1 juli 1980 verhuurd aan [A] tegen een toen geldende huurprijs van 375,00 gulden. Op het moment van overlijden van erflaatster bedroeg de huur van de woning € 485,83 per maand. De bewindvoerders hebben het beheer van de woning overgedragen aan makelaarskantoor [onderneming 1] . In de periode 2011 tot en met 2017 zijn huurverhogingen doorgevoerd. Na klachten van de huurder over het onderhoud van de woning is vanaf 2017 van verdere huurverhogingen afgezien. [eiser] verwijt de bewindvoerders dat zij hebben verzuimd de maximaal toegestane huurverhoging per jaar te hebben doorgevoerd. Als gevolg daarvan heeft [eiser] rendement misgelopen voor een bedrag van € 17.568,75 over de periode 2011 tot einde bewind.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat de door [eiser] overgelegde berekening als productie 11 bij dagvaarding overgelegd en de daarin gehanteerde toegestane percentages tot huurverhoging niet inhoudelijk wordt betwist, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan uitgaat. Wel betwisten de bewindvoerders dat zij gehouden waren de maximale huurverhogingen ieder jaar door te voeren. Zij menen binnen de grenzen van artikel 4:163 BW Pro aan het beheer uitvoering te hebben gegeven en dus jegens [eiser] niet (ernstig) tekort zijn geschoten.
4.3.
Uit het overzicht overgelegd bij productie 4 van de dagvaarding volgt dat de bewindvoerders, middels de door hen ingeschakelde makelaar, tot aan juli 2017 een huurverhoging hebben aangezegd aan de huurder. Die huurverhogingen zijn tot en met juni 2017 voldaan. Onduidelijk is evenwel voor welk percentage dat precies is gebeurd, maar in ieder geval niet volgens het maximaal toegestane percentage zoals door [eiser] is betoogd. Volgens de berekening van [eiser] is vanaf 2011 tot en met 2016 een tekort aan te ontvangen huur van € 942,61 ontstaan. Nu wel huurverhogingen zijn doorgevoerd, maar weliswaar niet volgens het maximaal toegestane percentage, en de vermeende schade als gevolg daarvan over die periode zo gering is, kan niet worden gesproken dat de bewindvoerders zodanig zijn tekortgeschoten op grond waarvan zij aansprakelijk moeten worden gehouden voor het tekort. Dit klemt temeer omdat de bewindvoerders, zoals hieronder wordt overwogen terecht (tijdelijk) van de verdere huurverhogingen na 2016 hebben afgezien.
4.4.
Op 24 april 2017 heeft [onderneming 1] aan de huurder een huurverhogingsbrief geschreven, waartegen door [onderneming 2] , namens de huurder, bij brief van 30 mei 2017 bezwaar is gemaakt:
U hebt al sinds cliënt daar woont, en dat is al meer dan 37 jaar, nog nooit, maar dan ook nog nooit
iets gedaan aan de woning. Cliënt heeft zelf alle in de woning benodigde verbouwingen, zoals de
keuken en de badkamer, het aanbrengen van isolatie waaronder dubbelglas, vloerisolatie en
dakisolatie, kortom alles wat u diende te doen, zelf laten uitvoeren en bekostigd. Tot vorig jaar is
cliënt altijd akkoord gegaan met de huurverhogingen, maar nu gaat u te ver.
Al sinds cliënt daar woont, hebt u de werkzaamheden aan de buitenkant van de woning
verwaarloosd, ondanks allerlei beloften. Inmiddels is het zover dat er lekkages optreden, het
buitenschilderwerk is afgebladerd enzovoort. Wij verzoeken u dan ook per ommegaande, edoch
binnen zes weken na dagtekening van deze brief, de volledige buitenkant van de woning te
schilderen, te renoveren en te restaureren.
Wij zullen tevens de Huurcommissie verzoeken in deze een uitspraak te doen wegens ernstig
achterstallig onderhoud. Tevens overweegt cliënt een deel van de huur in te houden teneinde, als u
in gebreke blijft, niet alleen een verlaagde huurprijs bij de Huurcommissie te bewerkstelligen,
doch ook de ingehouden huur aan te wenden voor het uitvoeren van de broodnodige
werkzaamheden.
Het bezwaar ziet op zodanige onderhoudsklachten dat volgens huurder een huurverhoging niet gerechtvaardigd is. De bewindvoerders hebben aangevoerd dat naar aanleiding van die brief in overleg met huurder van een huurverhoging wordt afgezien totdat de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden zijn verricht. Die werkzaamheden zijn eerst in 2023 uitgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat het is te billijken dat de bewindvoerders naar aanleiding van de klachten van de verhuurder hebben afgezien van de huurverhoging na 1 juli 2017 totdat het onderhoud wordt uitgevoerd. De bewindvoerders zijn daarom niet tekortgeschoten jegens [eiser] door het afzien van verdere huurverhoging.
4.5.
Uit het overzicht overgelegd als productie 4 bij dagvaarding volgt dat in het eerste halfjaar van 2023 groot onderhoud is gepleegd. De bewindvoerders erkennen dat toen de huur tot einde bewind ook niet meer is verhoogd. De bewindvoerders stellen dat de makelaar [onderneming 1] die belast was met het beheer heeft nagelaten om aan de huurder huurverhogingen op te leggen. Ten onrechte menen de bewindvoerders dat [eiser] zich daarover met de makelaar dient te verstaan. Het zijn de bewindvoerders die belast zijn met het beheer. Dat zij vervolgens de makelaar hebben ingeschakeld voor uitvoering van het beheer ontslaat de bewindvoerders niet van hun verantwoordelijkheid. Verwacht had mogen worden dat na uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden aan de huurder de huurverhogingen zouden worden aangezegd. De bewindvoerders zijn daarin tekort geschoten en aansprakelijk voor de dan geleden schade. De kantonrechter zal die schade (gemis aan huurinkomsten) begroten aan de hand van het overzicht van [eiser] . Startpunt is de huur per 1 juli 2016 van € 630,89 uit het overzicht van [eiser] geëxtrapoleerd naar 1 januari 2023.
Huur per 1-1-2023
€ 630,89
Huur per 1-7-2023
€ 650,45 (verhoging 3.1%)
Huur per jaar 2023
€ 7.688,04
Betaald per jaar 2023
€ 7.102,92
Tekort per jaar 2024
€ 585,12
Huur per 1-1-2024
€ 650,45
Huur per 1-7- 2024
€ 688,18 (verhoging 5.8%)
Huur per jaar 2024
€ 8.031,75
Betaald per jaar 2024
€ 7.102,92
Tekort per jaar 2024
€ 928,86
Totaal tekort
2023 en 2024
€ 1.513,98
De bewindvoerders zullen worden veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar.
Onnodige kosten hypotheek
4.6.
Vasstaat dat de in het testament van erflaatster benoemde legaten na tien jaar op [2021] moesten worden uitbetaald. Gebleken is dat de bewindvoerders daartoe een geldlening hebben afgesloten van € 150.000,00 om aan die verplichtingen te kunnen voldoen. Deze lening is afgesloten met iemand uit het netwerk van [gedaagde sub 1] , [stichting] . Deze was bereid om de lening te verstrekken zonder aanvullende zekerheden. Dat dit anders was s door de bewindvoerders niet gesteld noch aangetoond. De verwachting was dat voor het einde van het bewind de lening zou kunnen worden afgelost. Dat bleek niet het geval. Bij het einde van het bewind verlangde de geldvertrekker een zekerheid. Onder welke voorwaarden die geldlening precies is afgesloten, behoudens de overeengekomen rente van 5%, is onduidelijk gebleven. De bewindvoerders hebben de geldleningsovereenkomst ook niet inhet geding gebracht. Het lijkt erop dat de geldlening uiterlijk liep tot 2031 (zie daarvoor de mail van 24 december 2024 van [gedaagde sub 1] aan [B] van [stichting] ), waarin dat wordt genoemd. Bij e-mail van 30 december 2024 van [gedaagde sub 1] aan [B] (van [stichting] ) schrijft [gedaagde sub 1] het volgende:
Vandaag hadden [gedaagde sub 2] en ik als bewindvoerders ene gesprek met [eiser] , die komende maand 25 wordt, waarop het bewindkapitaal vrij valt.
Uit dat gesprek kwam naar voren dat er in oktober 2025 gelden vrij komen die [eiser (voornaam)] in staat zullen stellen de lening van € 150.000,00 integraal af te lossen.
In dat licht is het een beetje verspilling om voor de tussenliggende periode hypotheek te vestigen.
Om er zeker van te zijn dat daadwerkelijk wordt afgelost spraken wij ten behoeve van [stichting] met [eiser (voornaam)] af dat indien niet uiterlijk 1 november 2025 de lening is afgelost alsnog onverwijld 1e hypothecaire zekerheid gesteld moet worden, zulks op straffe van het direct opeisbaar worden van de lening.
Graag bericht of [stichting] zich in deze regeling kan vinden.
[stichting] heeft desondanks nadere zekerheidstelling verlangd. [eiser] daarentegen heeft aan [gedaagde sub 1] aangegeven dat hij in staat was de geldlening af te lossen per 1 november 2025 en dat hij niet akkoord gaat met het maken van (extra) kosten voor een hypotheek ter zekerheidstelling voor de geldlening van [stichting] kort voor afloop van het bewind.
4.7.
De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat niet is gebleken van de noodzaak om ten behoeve van de geldlening van [stichting] zekerheid te stellen middels een hypotheek op de woning. De geldlening liep immers kennelijk tot 2031 zonder zekerheidstelling. Dat betekent dat de bewindvoerders door het vestigen van de hypotheek op de woning onnodig kosten hebben gemaakt ten laste van het vermogen van [eiser] . Daarmee zijn de bewindvoerders toerekenbaar tekort geschoten jegens [eiser] . Het is begrijpelijk dat [stichting] bij het aankomende einde van het bewind nadere zekerheidstelling verlangde voor de geldlening, maar gelet op de kennelijke inhoud van de geldleningsovereenkomst onbegrijpelijk dat de bewindvoerders daarin hebben bewilligd, in het licht van het uitdrukkelijke en terechte bezwaar van [eiser] . De gemaakte kosten van € 1.550,00 komen dan voor rekening van de bewindvoerders.
Urenverantwoording salaris bewindvoerders
4.8.
Aan de bewindvoerders komt op basis van het testament van erflaatster een loon toe berekend aan de hand van hun gebruikelijke uurtarief ((ex-)notaris en administratiekantoor), zulk onverminderd het recht op gemaakte kosten ten laste van het vermogen. [eiser] meent dat de bewindvoerders geen, althans onvoldoende rekening en verantwoording hebben afgelegd over het door hen gevoerde beheer. [eiser] meent dat hij daarmee de mogelijkheid is ontnomen om vast te stellen welke beheerswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Bij de door bewindvoerders overgelegde facturen ontbreekt een deugdelijke urenverantwoording, zodat aangenomen wordt dat mogelijk teveel door de bewindvoerders in rekening is gebracht, aldus [eiser] . De bewindvoerders stellen dat steeds jaarlijks met de vader van [eiser] , als wettelijk vertegenwoordiger, en later met [eiser] zelf het bewind is besproken en dat nimmer terzake klachten zijn geuit of ontvangen.
4.9.
Aan de beoordeling van de klachten van [eiser] over de hoogte van de hem toegezonden declaraties en het ontbreken van specificaties daarvan komt de kantonrechter echter niet toe. Het door de bewindvoerders gevoerde verweer dat [eiser] te laat, eerst nadat het bewind is beëindigd, heeft geklaagd treft voor wat betreft genoemde klachten doel. Zowel de hoogte van de declaraties als het ontbreken van specificaties was reeds duidelijk toen de vader van [eiser] en/of [eiser] zelf de betreffende declaraties ontving. Niet gesteld of gebleken is dat de vader van [eiser] en [eiser] , (in ieder geval vanaf zijn 18e verjaardag) zelf binnen bekwame tijd daarna bij de bewindvoerders over de hoogte van de declaraties heeft geklaagd. Integendeel [eiser] heeft niet geprotesteerd tegen voldoening van de declaraties van de bewindvoerders uit het beheerde vermogen. [eiser] heeft eerst bij conclusie van repliek zijn eis terzake kenbaar gemaakt. De conclusie luidt dat [eiser] niet aan zijn verplichting ex artikel 6:89 BW Pro heeft voldaan en hij op de gestelde gebreken thans geen beroep meer kan doen. Bovendien komt het in rekening gebrachte honorarium en kosten de kantonrechter niet op voorhand als excessief voor, terwijl de vordering van [eiser] ook nog eens onvoldoende is bepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen.
Proceskosten
4.10.
Partijen zijn over en weer deels in het gelijk en ongelijk gesteld, zodat de kantonrechter aanleiding ziet de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.063,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de proceskosten in die in dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.