Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2743

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
11212326 \ UC EXPL 24-4755
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 lid 2 BWArt. 7:401 BWArt. 7:754 BWArt. 6:97 BWArt. 6:99 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid kozijnmonteur voor schade door ondeugdelijke kunststofkozijnen en schending waarschuwingsplicht

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 15 april 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak waarin eiser schadevergoeding vordert van gedaagde, een kozijnmonteur, wegens scheuren in de binnen- en buitenmuren van zijn pand na plaatsing van kunststofkozijnen.

De kantonrechter oordeelde dat sprake is van een gemengde overeenkomst en dat eiser zijn klachtplicht niet heeft geschonden, terwijl gedaagde haar waarschuwingsplicht wel heeft geschonden. Een deskundigenonderzoek wees uit dat gedaagde niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld, omdat zij onvoldoende onderzoek deed naar de constructie en geen adequate verstevigingsmaatregelen trof.

Er is een causaal verband vastgesteld tussen het handelen van gedaagde en de schade. Het verweer van gedaagde dat eiser eigen schuld heeft, werd verworpen. De rechtbank kon de schade niet begroten en verwees de zaak naar de schadestaatprocedure. Gedaagde werd veroordeeld tot schadevergoeding, betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Gedaagde is aansprakelijk voor de schade door ondeugdelijke plaatsing van kunststofkozijnen en moet deze vergoeden; zaak verwezen naar schadestaatprocedure.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11212326 \ UC EXPL 24-4755
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.J.M. van Galen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E. van Meulen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 14 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • het deskundigenbericht van 12 november 2025;
  • de akte na deskundigenbericht en tevens vermeerdering van eis van [eiser] van 20 december 2025;
  • de akte na deskundigenbericht met reactie op vermeerdering van eis van [gedaagde] van 18 februari 2026.
1.2
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] vordert schadevergoeding. Volgens [eiser] zijn er namelijk scheuren in de binnen- en buitenmuren van zijn pand zijn ontstaan, nadat [gedaagde] kunststofkozijnen heeft gemonteerd. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan. [gedaagde] is het daar niet mee eens en heeft diverse verweren gevoerd. De kantonrechter heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een gemengde overeenkomst (consumentenkoop en aanneming van werk), dat [eiser] zijn klachtplicht niet heeft geschonden en dat [gedaagde] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Maar de kantonrechter kon toen nog niet vaststellen of [gedaagde] de werkzaamheden ondeugdelijk had uitgevoerd en aansprakelijk is voor de schade. De kantonrechter heeft daarom een deskundige benoemd om dit te onderzoeken. De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen en komt nu tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] en daarom de geleden schade moet vergoeden. [gedaagde] voert verschillende verweren over de begroting van de schade, maar die gaan niet op. Omdat de kantonrechter niet in staat is om de schade van [eiser] te begroten, zal de zaak verwezen worden naar de schadestaatprocedure.

3.De beoordeling

Eisvermeerdering van [eiser] toegestaan
3.1
In de akte heeft [eiser] zijn eis vermeerderd. [eiser] wil nu ook dat [gedaagde] de kosten van het deskundigenonderzoek vergoedt en een voorschot van € 5.000,00 op de schadevergoeding betaalt.
3.2
De kantonrechter staat de eisvermeerdering toe. Een eisvermeerdering is mogelijk zolang de kantonrechter nog geen eindvonnis heeft gewezen en dit niet in strijd is met de goede procesorde. [1] [gedaagde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van [eiser] . Bovendien liggen aan de eisen dezelfde feiten ten grondslag als eerder genoemd door [eiser] .
De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen en volgt de conclusies uit het rapport van de deskundige
3.3
De kantonrechter blijft bij wat is overwogen en beslist in haar eerdere tussenvonnissen. De overeenkomst die partijen hebben gesloten is een gemengde overeenkomst (consumentenkoop en aanneming van werk), [eiser] heeft zijn klachtplicht niet geschonden en [gedaagde] heeft wel haar waarschuwingsplicht geschonden. De kantonrechter heeft daarbij verder een deskundigenonderzoek bevolen. De kantonrechter neemt de conclusies van de deskundige over en maakt die tot de hare. De deskundige heeft goed gemotiveerd gerapporteerd en duidelijk uitgelegd wat de kwaliteit was van de woning van [eiser] , welke risico’s waarom aan de werkzaamheden kleefden en wat [gedaagde] heeft al dan niet heeft gedaan om daar mee om te gaan. De standpunten die [gedaagde] bij akte heeft ingenomen hebben vooral betrekking op het causale verband tussen de werkzaamheden en de schade, als ook de omvang van die schade. Hieronder wordt de beslissing van de kantonrechter uitgelegd. De kantonrechter zal daarbij de verweren van [gedaagde] bespreken en uitleggen waarom die niet afdoen aan de bevindingen van de deskundige en het oordeel van de rechter.
Is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade van [eiser] ? Ja
3.4
Dan gaat de kantonrechter nu in op de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is. Primair heeft [eiser] deze vordering gebaseerd op onrechtmatige daad. Daarom zal de kantonrechter eerst moeten beoordelen of daarvan sprake is. Alleen als dat niet het geval is, komt de kantonrechter toe aan de subsidiaire vordering waarbij de aansprakelijkheid is gebaseerd op wanprestatie.
3.5
De wet legt uit wanneer sprake is van een onrechtmatige daad. Dat is het geval indien inbreuk wordt gemaakt op een recht, of als iemand handelt of nalaat te handelen in strijd met een wettelijke plicht of met wat van hem verlangd mag worden volgens ongeschreven recht. [2] Pleegt iemand een onrechtmatige daad én kan aan hem dat worden toegerekend, dan is hij verplicht de schade die de ander daardoor heeft geleden, te vergoeden. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is.
[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld
3.6
[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft verricht door niet als goed opdrachtnemer te handelen, niet te voldoen aan haar waarschuwingsplicht en de werkzaamheden niet op de juiste manier uit te voeren. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij zich op het standpunt stelt dat de gestelde schade veroorzaakt is door onkundig handelen bij de uitvoering van het werk en (dus) het niet handelen als goed opdrachtnemer. Er wordt door [eiser] geen verband gelegd tussen de schade en het schenden van de waarschuwingsplicht. Aangezien de gevorderde verklaring voor recht alleen betrekking heeft op onrechtmatig handelen waardoor bepaalde schade is ontstaan, moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] bij de uitvoering van de werkzaamheden onrechtmatig heeft gehandeld. Dat is zo.
3.7
In de wet staat dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. [3] Uit de rechtspraak volgt dat [gedaagde] hieraan voldoet als zij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. [4] De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is geweest om de volgende redenen.
3.8
De deskundige merkt op dat als algemene stelregel geldt dat bij de beoogde aanpassingen nagegaan dient te worden of de aanpassing leidt tot een verandering of anderszins ingrijpt in de draagconstructie van het pand. Daarbij moet worden nagegaan of het bestaande kozijn een dragende functie vervult en zo ja, op welke wijze die functie overgenomen kan worden, zowel tijdens de montage als in de nieuwe situatie. In het bijzonder dient daarbij aandacht te zijn voor het metselwerk boven het kozijn dat mogelijk zou kunnen steunen op het kozijn. [5] De deskundige wijst er vervolgens op dat voorafgaand aan de werkzaamheden al (deels zichtbaar gerepareerde) scheuren te zien waren aan de binnenafwerking, die duidden op een bepaalde zwakte in de constructie. Ook was volgens de deskundige te zien dat er geen lateien boven de kozijnen aanwezig waren. [6] De kantonrechter voegt hieraan toe dat [eiser] [gedaagde] al vóór de werkzaamheden had gewezen op het feit dat er geen lateien boven de kozijnen aanwezig waren en aan [gedaagde] had gevraagd hoe om te gaan met het risico op scheurvorming. Van [gedaagde] had dus verwacht mogen worden dat zij onderzoek had gedaan.
3.9
De deskundige concludeert ook dat voorafgaand aan de werkzaamheden waargenomen had kunnen worden dat een deugdelijke metselondersteuning afwezig was [7] en het noodzakelijk was om nieuwe lateien aan te brengen voorafgaand aan het vervangen van de kozijnen, dan wel een andere vorm van metselwerkondersteuning. [8] Van [gedaagde] had dus ook verwacht kunnen worden dat zij na onderzoek geconstateerd had dat het noodzakelijk was om extra maatregelen te nemen. Daarmee is niet gezegd dat dit per definitie allemaal voor rekening van [gedaagde] had moeten komen. Had [gedaagde] [eiser] tijdig gewaarschuwd dan had zij naar aanleiding van het onderzoek in onderhandeling kunnen treden met [eiser] over de te verrichten werkzaamheden en de kosten daarvan.
3.1
De deskundige heeft geconstateerd dat [gedaagde] - anders dan [gedaagde] heeft gesteld -
geenverstevigende maatregelen heeft getroffen om (verdere) scheurvorming te voorkomen. [gedaagde] heeft namelijk bij het plaatsen van de kunststofkozijnen slechts gebruik gemaakt van een standaard constructie van een houten spouwlat en multiplex stelkozijn (de bekisting waarover [gedaagde] het heeft). Daarbij is het kozijn wel met schroeven in het stelkozijn en frame verankerd, maar er is – anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd – niets gebleken van versteviging met muurankers. Ook is niet gebleken van enige andere maatregel om scheurvorming te voorkomen, anders dan een
tijdelijkeondersteuning van het metselwerk tijdens het plaatsen van het kozijn. Hoewel dit wel op haar weg had gelegen, heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt welke concrete (voorzorgs)maatregelen zij dan verder nog zou hebben getroffen. Hoewel dus van [gedaagde] verwacht mocht worden dat zij verstevigende maatregelen zou hebben toegepast, is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [gedaagde] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Dit levert een onrechtmatige gedraging op.
Het onrechtmatig handelen kan [gedaagde] worden toegerekend
3.11
Het onrechtmatig handelen kan aan [gedaagde] worden toegerekend indien dit handelen te wijten is aan zijn schuld of voor zijn rekening komt. Dit is het geval; het was [gedaagde] die niet heeft gehandeld als goed opdrachtnemer.
3.12
[eiser] wenst een verklaring voor recht dat [gedaagde] “willen en wetens” een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Een feitelijke onderbouwing van de gestelde opzet bij [gedaagde] heeft [eiser] echter niet gegeven, terwijl uit de verweren van [gedaagde] volgt dat zij deze opzet betwist. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. Voor een vordering uit onrechtmatige daad is dergelijke opzet echter niet vereist, zodat het niet in de weg staat aan toewijzing van een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld.
3.13
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat zij niet aansprakelijk is voor de (volledige) schade, omdat [eiser] eigen schuld kan worden verweten, wordt dit hierna besproken onder 3.22 en verder.
Causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de gestelde schade
3.14
[eiser] heeft zijn vordering zo geformuleerd dat voor de gevraagde verklaring voor recht ook moet worden beoordeeld of [eiser] door het handelen of nalaten van [gedaagde] ernstige schade heeft geleden aan de tweede verdieping van [adres] te [plaats] (zogenaamd causaal verband). De kantonrechter stelt voorop dat uit de dagvaarding niet volgt dat [eiser] vergoeding wil voor het bestaan, dan wel herstel van de oude, al aanwezige scheuren. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat zij niet aansprakelijk is voor de scheuren die al bestonden.
3.15
[eiser] heeft toegelicht dat de schade is veroorzaakt door de uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter volgt [eiser] daarin. Over de nieuw ontstane, dan wel toegenomen scheuren rapporteert de deskundige dat die zijn veroorzaakt door het verwijderen van de oude kozijnen en het plaatsen van nieuwe kozijnen in combinatie met het ontbreken van deugdelijke metselondersteuning. De kunststofkozijnen hebben namelijk geen dragende functie, terwijl het metselwerk voorheen werd ondersteund door de houten kozijnen. [9] Zouden de kozijnen niet zijn vervangen, of zou het metselwerk deugdelijk zijn ondersteund met lateien of anderszins, dan zou deze schade volgende deskundige niet zijn ontstaan. [10] Dat de werkzaamheden in elk geval hebben bijgedragen aan het ontstaan van enkele scheuren is door [gedaagde] niet betwist. Daarmee staat vast dat er sprake is van causaal verband tussen de werkzaamheden en (enige) schade aan de woning van [eiser] .
3.16
[gedaagde] stelt nog dat meerdere oorzaken aannemelijk zijn waaronder een zwakkere constructie van het pand. [gedaagde] doet daarbij uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:99 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Kennelijk stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de verplichting om schade te vergoeden in dat geval (hoofdelijk) op iedereen rust die aansprakelijk is voor een gebeurtenis die de schade kan hebben veroorzaakt, tenzij hij bewijst dat deze schade niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. Dat laatste doet [gedaagde] niet. Voor zover [gedaagde] eigenlijk bedoelt te stellen dat zij niet aansprakelijk is voor een omstandigheid die aan [eiser] toe te rekenen is (een zwakke constructie van het pand en het gewicht van het dak, waaronder de zonnepanelen), doet zij in feite een beroep op eigen schuld, waarop hierna onder 3.22 en verder wordt ingegaan. Zulke eigen schuld doet niet af aan het bestaan van een causaal verband tussen de uitgevoerde werkzaamheden en het ontstaan van de schade.
3.17
De kantonrechter komt dus tot het oordeel dat er wél een causaal verband bestaat tussen de werkzaamheden van [gedaagde] en de scheuren in het pand van [eiser] . Aangezien de omvang van de schade nog moet worden vastgesteld, zal niet voor recht worden verklaard dat sprake is van “ernstige” schade, zoals door [eiser] is gevorderd.
Conclusie: de kantonrechter wijst de verklaring voor recht toe
3.18
[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld bij de uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomsten door niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Dit is in strijd met de wet en levert daarom een onrechtmatige daad op die aan [gedaagde] toe te rekenen is. Door dit handelen is schade ontstaan aan de tweede verdieping van [adres] te [plaats] . De kantonrechter zal dan ook de gevorderde verklaring voor recht in zoverre toewijzen.
De kantonrechter kan de schade niet begroten, dus de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure
3.19
[gedaagde] moet op basis van het bovenstaande de schade die door het onrechtmatig handelen is veroorzaakt, vergoeden. [eiser] heeft verzocht om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure en om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 5.000,00.
3.2
In het geval dat de kantonrechter de schade niet bij vonnis kan begroten, kan de kantonrechter de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldoende dat de grondslag voor aansprakelijkheid moet vaststaan, de mogelijkheid van schade aannemelijk is gemaakt en de rechter niet in staat is de schade te begroten.
3.21
Hiervoor heeft de kantonrechter al vastgesteld dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld en schade heeft geleden. De kantonrechter heeft echter geen enkel aanknopingspunten voor de hoogte van de schade en is daarom niet in staat om deze te begroten, [11] ook niet door de schade te schatten. De kantonrechter zal de zaak daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure.
De verweren van [gedaagde] gericht op de schadebegroting gaan niet op
Eigen schuld verweer slaagt niet
3.22
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het ontstaan van scheuren niet aan hem kan worden toegerekend, maar aan [eiser] . [eiser] was namelijk op grond van de opdracht en de algemene voorwaarden gehouden om zelf ervoor te zorgen dat de gevel zelfdragend is. [gedaagde] vindt dan ook dat de schade niet volledig voor haar rekening kan komen vanwege de eigen schuld van [eiser] .
3.23
Dit verweer slaagt niet. In de offerte staat weliswaar:
“Bij het uitbrengen van de offerte is er rekening mee gehouden dat de gevel zelfdragend is (…)”, maar [eiser] betwist dat hij verantwoordelijk is en wijst op de deskundigheid van [gedaagde] . Ook de kantonrechter leest hierin geen verplichting voor [eiser] om ervoor te zorgen dat de gevel zelfdragend is, maar een gegeven dat [gedaagde] als uitgangspunt heeft genomen bij het uitbrengen van de offerte. Dat de gestelde verantwoordelijkheid uit de algemene voorwaarden volgt is niet onderbouwd en ook niet gebleken. Bovendien waren er meerdere aanwijzingen waaruit [gedaagde] had kunnen en moeten afleiden dat er problemen waren met de gevelconstructie, waaronder de vraag van [eiser] over het ontbreken van lateien en de maatregelen die getroffen zouden worden om de risico’s op scheurvorming te beperken. Was [gedaagde] van oordeel geweest dat de constructie ongeschikt was voor de uit te voeren werkzaamheden, dan had het op haar weg gelegen [eiser] daarvoor op de juiste wijze te waarschuwen. Dat heeft zij niet gedaan. Er is dan ook geen sprake van eigen schuld aan de kant van [eiser] zoals [gedaagde] heeft betoogd.
3.24
Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de schade (mede) veroorzaakt wordt door een zwakkere constructie van het pand dan verwacht mocht worden, of door het gewicht van het dak (mede) door de zonnepanelen en [eiser] daarvoor aansprakelijk is, doet [gedaagde] kennelijk ook een beroep op eigen schuld. Het ligt dan op de weg van [gedaagde] om voldoende gemotiveerd feiten te stellen die een beroep op eigen schuld kunnen doen slagen en deze feiten bij betwisting te bewijzen. Nergens blijkt echter uit dat de nieuwe scheuren of verergering van oude scheuren het gevolg is van deze omstandigheden. De bevindingen van de deskundige wijzen eerder op het tegendeel. Daar komt nog bij dat [gedaagde] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden, juist ten aanzien van de stelling dat sprake is van een gebrek aan de woning, en ook om die reden een beroep op deze omstandigheid niet kan slagen.
Nog geen sprake van voordeelstoerekening
3.25
Ook moet volgens [gedaagde] bij de schadeberekening rekening worden gehouden met het voordeel dat [eiser] verkrijgt bij het herstel van de gevel, met andere woorden: [gedaagde] doet een beroep op voordeelstoerekening.
3.26
Als een gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is naast schade ook een voordeel oplevert, dan moet dit voordeel verrekend worden met de toe te wijzen schadevergoeding voor zover dat redelijk is. [12] Op dit moment is nog niet duidelijk is of en op welke manier sprake zal zijn van herstel van de gevel. Ook is daarom onbekend of [eiser] enig voordeel verkrijgt. Dit zal in de schadestaatprocedure aan bod moeten komen.
Geen voorschot op de schadevergoeding
3.27
Omdat er geen enkel aanknopingspunt is om de schade te begroten, is het ook niet mogelijk om al een voorschot vast te stellen. De nadere toelichting van [eiser] roept bovendien alleen maar vragen op. Die toelichting wordt pas gegeven in het petitum bij de vermeerdering van eis. [eiser] stelt daar dat het gebruik van de kamers op de tweede verdieping van het pand onverantwoord is en dit tot schade heeft geleid. Voor die schade wens hij nu kennelijk het voorschot. Dat en waarom gebruik van de kamers onverantwoord is blijkt echter niet uit de toelichting en ook blijkt niet duidelijk in hoeverre het niet in gebruik nemen van de kamers verband houdt met de scheuren die zijn ontstaan in het pand door de werkzaamheden van [gedaagde] . Voor vergoeding van deze schade heeft [eiser] dan ook op dit moment onvoldoende gesteld. De kantonrechter zal daarom de vordering om een voorschot van € 5.000,00 afwijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.28
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat wil ook zeggen de kosten voor het deskundigenonderzoek. De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,42
- griffierecht
87,00
- kosten deskundigen
5.614,40
- salaris gemachtigde
864,00
(3 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.848,82
3.29
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
verklaart voor recht dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd bij de tenuitvoerlegging van de twee overeenkomsten tot plaatsing van drie kunststof kozijnen, waardoor [eiser] schade heeft geleden aan de tweede verdieping van [adres] te [plaats] ,
4.2
veroordeelt [gedaagde] de schade te vergoeden aan de tweede verdieping van het pand van [eiser] aan de [adres] als gevolg van de onrechtmatige daad begaan door [gedaagde] , tegen bewijs van kwijting, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.848,82, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5
verklaart van 4.3 en 4.4. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op
15 april 2026.
47194

Voetnoten

1.Artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Artikel 6:162 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”).
3.Artikel 7:401 BW Pro.
4.HR 9 juni 2000, NJ 2000/460.
5.Pagina 23 onder 6 van het deskundigenrapport.
6.Pagina 23-24 onder 7 van het deskundigenrapport.
7.Pagina 26 onder 12 van het deskundigenrapport.
8.Pagina 24 onder 9a van het deskundigenrapport.
9.Pagina 22 onder 3 van het deskundigenrapport.
10.Pagina 26 onder 12 van het deskundigenrapport.
11.Artikel 6:97 BW Pro.
12.Artikel 6:100 BW Pro