Uitspraak
1.De procedure
- het tussenvonnis van 14 mei 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het deskundigenbericht van 12 november 2025;
- de akte na deskundigenbericht en tevens vermeerdering van eis van [eiser] van 20 december 2025;
- de akte na deskundigenbericht met reactie op vermeerdering van eis van [gedaagde] van 18 februari 2026.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
geenverstevigende maatregelen heeft getroffen om (verdere) scheurvorming te voorkomen. [gedaagde] heeft namelijk bij het plaatsen van de kunststofkozijnen slechts gebruik gemaakt van een standaard constructie van een houten spouwlat en multiplex stelkozijn (de bekisting waarover [gedaagde] het heeft). Daarbij is het kozijn wel met schroeven in het stelkozijn en frame verankerd, maar er is – anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd – niets gebleken van versteviging met muurankers. Ook is niet gebleken van enige andere maatregel om scheurvorming te voorkomen, anders dan een
tijdelijkeondersteuning van het metselwerk tijdens het plaatsen van het kozijn. Hoewel dit wel op haar weg had gelegen, heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt welke concrete (voorzorgs)maatregelen zij dan verder nog zou hebben getroffen. Hoewel dus van [gedaagde] verwacht mocht worden dat zij verstevigende maatregelen zou hebben toegepast, is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat [gedaagde] niet als een goed opdrachtnemer heeft gehandeld. Dit levert een onrechtmatige gedraging op.
“Bij het uitbrengen van de offerte is er rekening mee gehouden dat de gevel zelfdragend is (…)”, maar [eiser] betwist dat hij verantwoordelijk is en wijst op de deskundigheid van [gedaagde] . Ook de kantonrechter leest hierin geen verplichting voor [eiser] om ervoor te zorgen dat de gevel zelfdragend is, maar een gegeven dat [gedaagde] als uitgangspunt heeft genomen bij het uitbrengen van de offerte. Dat de gestelde verantwoordelijkheid uit de algemene voorwaarden volgt is niet onderbouwd en ook niet gebleken. Bovendien waren er meerdere aanwijzingen waaruit [gedaagde] had kunnen en moeten afleiden dat er problemen waren met de gevelconstructie, waaronder de vraag van [eiser] over het ontbreken van lateien en de maatregelen die getroffen zouden worden om de risico’s op scheurvorming te beperken. Was [gedaagde] van oordeel geweest dat de constructie ongeschikt was voor de uit te voeren werkzaamheden, dan had het op haar weg gelegen [eiser] daarvoor op de juiste wijze te waarschuwen. Dat heeft zij niet gedaan. Er is dan ook geen sprake van eigen schuld aan de kant van [eiser] zoals [gedaagde] heeft betoogd.