ECLI:NL:RBMNE:2026:2751

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/16/604732 / BE RK 25-56
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke opheffing testamentair bewind wegens onvoldoende zelfstandigheid erfgenaam

De heer verzoeker heeft verzocht het testamentaire bewind over de nalatenschappen van zijn ouders op te heffen en de bewindvoerder te ontslaan. Hij stelt dat hij voldoende bekwaam is om zijn erfenis zelfstandig te beheren, onderbouwd met zijn intellectuele capaciteiten en financiële zelfstandigheid.

De bewindvoerder verzet zich tegen het verzoek en wijst op de langdurige afhankelijkheid van maandelijkse uitkeringen en het feit dat het vermogen van verzoeker grotendeels uit eerdere schenkingen van zijn ouders bestaat. De rechtbank concludeert dat verzoeker onvoldoende zelfstandig is om de gehele erfenis te beheren.

Desondanks krijgt verzoeker de kans om aan te tonen dat hij dit in de toekomst wel kan. Daarom wordt het bewind gedeeltelijk opgeheven voor een bedrag van €100.000,00, waarmee hij grotere uitgaven kan doen zonder toestemming van de bewindvoerder. De overige verzoeken worden afgewezen. De beschikking is op 22 april 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Het testamentaire bewind wordt gedeeltelijk opgeheven voor €100.000,00 om de erfgenaam meer autonomie te geven, terwijl het overige bewind in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/604732 / BE RK 25-56
Beschikking van 22 april 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de heer [verzoeker] ,
advocaat: mr. W.J.M. van Ophuizen,
tegen
mr. [bewindvoerder] ,notaris,
gevestigd in Utrecht,
hierna: de heer [bewindvoerder] .
De heer [verzoeker] heeft het verzoek gedaan in de nalatenschappen van:
[moeder], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, overleden in ’s-Gravenhage op [datum] 2019, laatste woonplaats in [woonplaats] , hierna: de moeder.
[vader], geboren in [geboorteplaats] (Nederlands-Indië) op [geboortedatum] 1937, overleden in ’s-Gravenhage op [datum] 2020, laatste woonplaats in [woonplaats] , hierna: de vader.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben beiden voor het laatst bij testament over hun uiterste wil beschikt op 15 mei 2018.
2.2.
De moeder en de vader hebben elkaar en hun zoon, de heer [verzoeker] en hun twee dochters, [A] en [B] als erfgenamen benoemd.
2.3.
De moeder en de vader hebben een testamentair bewind ingesteld over de verkrijgingen van de heer [verzoeker] en zij hebben de heer [bewindvoerder] benoemd tot testamentair bewindvoerder.

3.Het verzoek

3.1.
De heer [verzoeker] verzoekt opheffing van het testamentaire bewind in zowel de nalatenschap van de moeder als vader en de heer [bewindvoerder] te ontslaan en hem te bevelen een eindafrekening en verantwoording af te leggen binnen vier weken van de datum van de beschikking.
3.2.
De heer [verzoeker] onderbouwt zijn verzoek kort gezegd als volgt.
3.3.
Het is voldoende aannemelijk dat hij op een verantwoorde wijze de onder bewind staande goederen zelf zal kunnen besturen.
3.4.
Daartoe voert de heer [verzoeker] onder meer aan dat de heer [verzoeker] een hoogbegaafde man en doctorandus in de natuurkunde is en hij onder meer docent en zelfstandig ondernemer is geweest. Als ondernemer voerde hij zelfstandig zijn administratie en deed hij belastingaangifte. Verder voert hij een zelfstandige huishouding en heeft een stabiele financiële situatie.
3.5.
De heer [verzoeker] ervaart het testamentaire bewind als een belemmering van zijn autonomie.

4.Het verweer

4.1.
De heer [bewindvoerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan.
4.2.
De heer [bewindvoerder] kent de heer [verzoeker] al van voor het overlijden van de vader en de moeder. De vader en de moeder hebben bij het maken van het testament overwogen dat het verstandig is aan de heer [verzoeker] de rest van zijn leven regelmatig uitkeringen te doen, zoals zij dat tijdens hun leven ook al deden. Met een maandelijks uitkering kan de heer [verzoeker] lange tijd in zijn levensonderhoud voorzien.
4.3.
Naar ervaring van de heer [bewindvoerder] is het niet verstandig het testamentaire bewind op te heffen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank begrijpt heel goed dat de heer [verzoeker] het testamentaire bewind ziet als beperking van zijn autonomie en dat hij het vervelend vindt om de heer [bewindvoerder] van tijd tot tijd om extra geld te vragen voor grotere uitgaven.
5.2.
De rechtbank is er echter onvoldoende van overtuigd dat de heer [verzoeker] geheel zelfstandig de van zijn ouders verkregen erfenis kan besturen. Redengevend hiertoe is onder meer dat de heer [verzoeker] al zeer geruime tijd geen eigen inkomen heeft maar leeft van uitsluitend de maandelijkse uitkeringen die de heer [bewindvoerder] naar hem overmaakt. Bovendien is zijn eigen onbezwaarde vermogen, waarmee zijn woning is gefinancierd, geheel terug te voeren op eerdere giften van zijn ouders.
Het feit dat de heer [verzoeker] zeer intelligent is en onder meer in de kascommisie van de vereniging van eigenaren zit, doet daar niet aan af.
Gelet op het bovenstaande begrijpt de rechtbank, met de heer [bewindvoerder] waarom
de vader en de moeder van de heer [verzoeker] het verstandig vonden om hem de rest
van zijn leven een maandelijks bedrag te laten toekomen.
5.3.
Wel wil de rechtbank de heer [verzoeker] de kans geven om de komende jaren aan te tonen dat hij in staat is om de van zijn ouders verkregen erfenis geheel zelfstandig te besturen en de heer [verzoeker] meer autonomie geven.
5.4.
De rechtbank zal daarom het testamentaire bewind gedeeltelijk opheffen en wel voor een bedrag van € 100.000,00. Met dit bedrag kan de heer [verzoeker] grotere uitgaven doen zonder eerst extra geld te hoeven vragen aan de heer [bewindvoerder] . Tegelijkertijd kan de heer [verzoeker] met dit bedrag aantonen aan de heer [bewindvoerder] en ook aan de rechtbank dat hij zelfstandig de gehele erfenis kan besturen door dit bedrag onder meer zelfstandig te administreren en aan de verplichtingen uit de tweetrapsmaking te voldoen.
5.5.
De rechtbank gaat ervan uit dat de huidige afspraken over de maandelijkse betalingen aan de heer [verzoeker] ongewijzigd in stand zullen blijven.
5.6.
Nu het testamentaire bewind voor het overige in stand blijft en het geschil niet ziet op de persoon van de testamentair bewindvoerder, zullen de overige verzoeken zonder nadere bespreking worden afgewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
heft het testamentaire bewind op voor een bedrag van €100.000,00 euro;
6.2.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst al het overige of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.