Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
datum : 9 april 2026
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
[betrokkene]op met ingang van 9 april 2026;
Rechtbank Midden-Nederland
De kantonrechter heeft op verzoek van betrokkene en de bewindvoerder een beschikking gegeven over de opheffing van het bewind. Het bewind was ingesteld wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van betrokkene en problematische schulden. Betrokkene klaagde over nalatigheid en druk van de bewindvoerder, terwijl de bewindvoerder juist opheffing verzocht vanwege het uitblijven van medewerking.
Tijdens de digitale zitting op 30 maart 2026 zijn beide partijen gehoord. De kantonrechter constateerde dat de bewindvoerder in korte tijd een huisuitzetting heeft weten te voorkomen en betrokkene heeft begeleid naar een schuldsaneringstraject. Betrokkene werkte echter niet mee en ondermijnde het bewind.
De kantonrechter oordeelde dat het bewind niet zinvol is en heeft het bewind per 9 april 2026 opgeheven. Het verzoek tot voorlopige voorziening voor extra leefgeld is afgewezen omdat betrokkene na opheffing zelf over haar inkomen kan beschikken. Een nader onderzoek naar de klachten is niet nodig vanwege de kennelijke ongegrondheid en de opheffing van het bewind.
Uitkomst: Het bewind wordt opgeheven wegens het ontbreken van samenwerking van betrokkene, en het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen.