AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op bezwaar WOZ-waarde ongegrond verklaard
Opposante heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar over de WOZ-waarde en een kwijtscheldingsverzoek werd afgewezen. De rechtbank had zich onbevoegd verklaard voor zover het ging om het kwijtscheldingsverzoek en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Opposante stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend en dat de normale beslistermijn van zes weken van artikel 7:10 AwbPro van toepassing was.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn voor bezwaarschriften tegen WOZ-beschikkingen en gemeentelijke belastingen afwijkt van de standaardtermijn van de Awb. Op grond van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ en artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet geldt dat de heffingsambtenaar tot het einde van het kalenderjaar de tijd heeft om te beslissen, tenzij het bezwaar in de laatste zes weken van het jaar is ingediend. Omdat het bezwaar van opposante op 25 maart 2025 is ingediend, geldt de langere termijn tot 31 december 2025.
De ingebrekestelling van 16 april 2025 was daarom te vroeg. De rechtbank handhaaft haar eerdere oordeel en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3250-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 op het verzet van
[opposante] , te [plaats] , opposante,
(gemachtigde: mr. T.H. van Wanrooij),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift van 25 maart 2025.
In de uitspraak van 17 november 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen op het kwijtscheldingsverzoek van opposante en heeft het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 november 2025 zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen op het kwijtscheldingsverzoek van opposante en heeft het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2025 niet juist was.
Standpunt van eiseres
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2025 niet juist. Zij voert aan dat artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet een uitzondering vormt op de normale beslistermijn van artikel 7:10 vanPro de Awb en uitsluitend van toepassing is op bezwaarschriften die zijn ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar. Opposante heeft haar bezwaar ingediend op 25 maart 2025, dus ruim buiten de uitzonderingsperiode. In haar geval geldt daarom de normale beslistermijn van zes weken van artikel 7:10 vanPro de Awb. De gemeente had daarom uiterlijk begin mei 2025 moeten beslissen. Daarnaast voert opposante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de ingebrekestelling van 16 april 2025 te vroeg is ingediend en dat dit zowel feitelijk als juridisch onjuist is. Volgens opposante is de ingebrekestelling verzonden nadat de wettelijke beslistermijn van zes weken was verstreken. Verder stelt opposante dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder en op de rechtsgeldigheid van de ingebrekestelling van 16 april 2025. De inhoudelijke beoordeling van de WOZ-waarde of een vermeend kwijtscheldingsverzoek is niet aan de rechtbank voorgelegd en valt daarom niet binnen de omvang van het beroep. Volgens opposante had de rechtbank zich daarom moeten beperken tot de vraag of verweerder tijdig heeft beslist op het bezwaar van 25 maart 2025 en of de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Door dit na te laten en de zaak onjuist te kwalificeren, heeft de rechtbank haar ten onrechte de toegang tot effectieve rechtsbescherming ontzegd.
De beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is het niet eens met opposante en legt dat hierna uit.
Heeft de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel gegeven over de WOZ-waarde of de kwijtschelding?
5. Opposante voert op zichzelf terecht aan dat haar beroep ziet op niet tijdig beslissen en dat de rechtbank zich daarom moest beperken tot een oordeel hierover. De rechtbank volgt opposante echter niet in haar betoog dat de rechtbank dit niet zou hebben gedaan en haar daarom ten onrechte de toegang tot effectieve rechtsbescherming zou hebben ontzegt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 november 2025 namelijk geen inhoudelijk oordeel gegeven over de hoogte van de WOZ-waarde of over een kwijtscheldingsverzoek. De rechtbank heeft uitsluitend een oordeel geveld over het al dan niet tijdig beslissen op haar bezwaren daarover. De rechtbank is in de uitspraak van 17 november 2025 immers tot de conclusie gekomen dat het beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar over de hoogte van de WOZ-waarde niet-ontvankelijk is. Verder is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar over het kwijtscheldingsverzoek. Daarmee is de rechtbank niet inhoudelijk ingegaan op de hoogte van de WOZ-waarde of het kwijtscheldingsverzoek en heeft zij zich beperkt tot een oordeel over het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de heffingsambtenaar tot en met 31 december 2025 de tijd had om te beslissen op het bezwaar over de WOZ-waarde?
6. De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 november 2025 geoordeeld dat de ingebrekestelling van 16 april 2025 te vroeg was ingediend, omdat de heffingsambtenaar op grond van artikel 30, negende lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) tot en met 31 december 2025 de tijd had om een beslissing op het bezwaar over de WOZ-waarde te nemen.
7. Opposante heeft gewezen op artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Dat artikel bevat een beslistermijn voor bezwaarschriften, gericht tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen van de gemeentelijke belastingen.
8. De beslistermijn die in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet staat, is hetzelfde als de beslistermijn van artikel 30, negende lid, van de Wet waardering onroerende zaken. In beide artikelen staat dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10 vanPro de Awb, moet worden beslist in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.
9. Of opposante nu bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-waarde (waarop de beslistermijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ van toepassing is) of tegen de WOZ-beschikking en heffing van gemeentelijke belastingen (waarop de beslistermijn van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet van toepassing is), maakt voor de beslistermijn dus niet uit.
10. De Wet WOZ en de Gemeentewet bieden geen mogelijkheid om een andere termijn te hanteren. In de Wet WOZ en in de Gemeentewet staat expliciet dat wordt afgeweken van de beslistermijn van artikel 7:10 vanPro de Awb, als het bezwaarschrift nietis ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar. Het betoog van opposante dat de afwijking van artikel 7:10 vanPro de Awb uitsluitend van toepassing is voor bezwaarschriften die wélzijn ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, berust dan ook op een verkeerde lezing van de Gemeentewet (en de Wet WOZ).
11. Uit de Gemeentewet en de Wet WOZ volgt dat in beginsel wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 vanPro de Awb. De standaard beslistermijn van artikel 7:10 vanPro de Awb is alleen van toepassing als een bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van een kalanderjaar geldt. Daarvan is in dit geval geen sprake. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 25 maart 2025. Het bezwaarschrift is dus niet ingediend in de laatste zes weken van het kalenderjaar. Dit betekent dat voor de beslistermijn wordt afgeweken van de standaard beslistermijn van artikel 7:10 vanPro de Awb. Dat houdt in dat de heffingsambtenaar tot het einde van dat kalenderjaar (dus tot en met 31 december 2025) de tijd heeft om een uitspraak te doen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling van 16 april 2025 was dan ook te vroeg ingediend.
12. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2025 in stand blijft.
13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.