AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid en hardheid stelsel
Eiseres verzocht compensatie in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, waarna eiseres beroep instelde. De rechtbank stelde vast dat over 2010 geen terugvordering had plaatsgevonden en beoordeelde de compensatie voor 2011 en 2012.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid, omdat het automatisch toegekende voorschot het gevolg was van het wettelijk systeem en niet als onzorgvuldigheid kon worden aangemerkt. Ook was er geen hardheid van het stelsel, aangezien eiseres onvoldoende bewijs leverde dat de kinderopvangtoeslag onrechtmatig was toegekend aan haar ex-partner zonder haar medeweten.
Verder werd het standpunt van eiseres dat er ten onrechte geen O/GS-kwalificatie was toegekend verworpen, omdat het verzoek tot kwijtschelding niet kon worden gezien als een verzoek tot betalingsregeling. De rechtbank concludeerde dat Dienst Toeslagen terecht de compensatie had geweigerd.
Wel werd een schadevergoeding van €2.000,- toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 19 maanden in de bezwaarprocedure. De rechtbank wees het beroep af en liet het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met toekenning van een schadevergoeding van €2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3269
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W. Kort)
en
Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van Dienst Toeslagen om aan eiseres compensatie toe te kennen in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
2. Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie in het besluit van
13 oktober 2022 (het primaire besluit) afgewezen. In het bestreden besluit van 30 april 2025 is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
De hersteloperatie toeslagen
5. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door Dienst Toeslagen toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen.
6. De procedure bij deze herstelregelingen is dat een gedupeerde ouder zich eerst meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In de eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet. Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van de compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.
7. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT.
Feiten en omstandigheden
8. Eiseres heeft zich op 4 mei 2021 bij Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010, 2011 en 2012.
9. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen, ongegrond verklaard. Volgens Dienst Toeslagen heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2011 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid.
10. Wat bij de rechtbank voorligt is het besluit van 30 april 2025 dat betrekking heeft op de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012. Op de zitting is ten aanzien van het toeslagjaar 2010 met partijen vastgesteld dat er geen terugvordering over dat jaar heeft plaatsgevonden omdat er geen toeslag was uitbetaald. Om die reden is er geen sprake van schade die is ontstaan door het handelen van Dienst Toeslagen. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of Dienst Toeslagen zijn besluit over de afwijzing van de compensatie over de toeslagjaren 2011 en 2012 aan eiseres terecht heeft gehandhaafd.
Het toetsingskader
11. De rechtbank stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten. [1] Een compensatie wordt in twee situaties aan een gedupeerde toegekend: als de gedupeerde schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van relevante wetgeving bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit hardheid van de toepassing die destijds aan het wettelijk systeem werd gegeven. [2] Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan.
12. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid, zoals toegelicht in de Memorie van Toelichting bij de Wht (de MvT). [3] Het uitgangspunt is dat de bewijslast voor het recht op compensatie bij de aanvrager van die compensatie ligt. Als aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op compensatie, wordt deze toegekend. [4]
Institutionele vooringenomenheid
13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van institutioneel handelen door de Belastingdienst Toeslagen, waardoor er ten onrechte een terugvordering heeft plaatsgevonden over de toeslagjaren 2011 en 2012. Eiseres voert aan dat sprake is van grove onzorgvuldigheid nu er over 2011 en 2012 grote bedragen aan kinderopvangtoeslag zijn uitgekeerd, ondanks dat eiseres niet heeft gereageerd op brieven over toeslagjaar 2010. Dat had volgens eiseres voor Dienst Toeslagen aanleiding moeten zijn om extra informatie bij eiseres op te vragen voordat de voorschotten werden uitgekeerd. Op de zitting heeft eiseres in dit verband gewezen op het Handboek Integrale Beoordeling [5] . Daarin worden onder 2.2.1.2. de vijf kenmerken van vooringenomen handelen uiteengezet. Dat is het geval bij collectieve stopzetting zonder individuele beoordeling, breed uitvragen van bewijsstukken, zero-tolerance onderzoek, niet nader uitvragen informatie en het afwijzen of reduceren van kinderopvangtoeslag bij kleine onregelmatigheid.
14. Volgens eiseres blijkt echter uit de MvT dat er een zesde kenmerk bestaat, namelijk onzorgvuldigheden bij de behandeling. Eiseres meent dat het uitbetalen van grote bedragen, ondanks het uitblijven van een reactie aan haar kant op brieven over een eerdere aanvraag, aan te merken valt als zo’n onzorgvuldigheid.
15. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat over de toeslagjaren 2011 en 2012 geen sprake is van vooringenomenheid. Dat aan eiseres automatisch een voorschot is toegekend over de jaren 2011 en 2012 is het gevolg van hoe het wettelijk voorschotsysteem werkt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat dit een onzorgvuldigheid betreft die kan worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen en leest dit ook niet terug in de MvT. De beroepsgrond slaagt niet.
Hardheid van het stelsel
16. Eiseres stelt dat er in haar geval sprake is van hardheid van het stelsel, waardoor zij in aanmerking komt voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wht. Eiseres voert aan dat de kinderopvangtoeslag niet aan haar zelf is uitbetaald, maar aan haar toenmalige partner. Haar (inmiddels) ex-partner heeft buiten haar medeweten om kinderopvangtoeslag aangevraagd, maar eiseres heeft geen zicht gehad op deze financiën. Eiseres heeft door privé omstandigheden namelijk niet altijd op adres gewoond waar zij stond ingeschreven.
17. Uit de MvT bij artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wht volgt wanneer er sprake is van hardheid van het stelsel. Dit is het geval als de kinderopvangtoeslag op nul is vastgesteld, in plaats van te worden gebaseerd op de kosten die de aanvrager op tijd heeft betaald aan de kinderopvangorganisatie en waarvan hij bewijs heeft geleverd. Er is ook sprake van hardheid als er bijzondere omstandigheden zijn waarbij de kinderopvangtoeslag volledig is teruggevorderd, terwijl die terugvordering niet in verhouding stond tot het doel daarvan. Bijzondere omstandigheden doen zich bijvoorbeeld voor als een door de ouder redelijkerwijs niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming – zoals het ontbreken van een handtekening in een contract – heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag terwijl aan alle materiële vereisten is voldaan. Dit is anders indien de ouder, na herhaalde verzoeken van Dienst Toeslagen, de formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in staat was. [6]
18. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van hardheid van het stelsel. De rechtbank overweegt dat sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden in het geval een derde fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende. De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat in deze zaak geen sprake is van fraude door een derde, nu de kinderopvangtoeslag is uitbetaald aan de toenmalige toeslagpartner van eiseres. De rechtbank ziet bevestiging hiervoor in de omstandigheid dat uit het digitaal systeem van Dienst Toeslagen blijkt dat de toeslag is uitbetaald aan een ‘ouder/relatie in de 1e graad’. Voorgaande sluit niet uit dat er sprake kán zijn van hardheid van het stelsel, maar het had op de weg van eiseres gelegen om dit te onderbouwen met stukken. Zoals ook op de zitting is besproken is het voorstelbaar dat eiseres niet (meer) over stukken beschikt die haar standpunt kunnen onderbouwen, maar de rechtbank kan bij haar oordeel niet alleen afgaan op een verklaring van eiseres, zij heeft bewijs nodig om te kunnen oordelen dat sprake is van hardheid van het stelsel. En die stukken ontbreken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep van eiseres op de hardheid van het stelsel onvoldoende is onderbouwd en daarom niet kan slagen.
O/GS kwalificatie
19. Eiseres stelt zich op het standpunt dat door Dienst Toeslagen ten onrechte is vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. O/GS staat voor ‘opzet of grove schuld’. Op de zitting is door de gemachtigde van eiseres gewezen op het bericht van de toenmalig bewindvoerder van eiseres van 30 december 2015, waarin een verzoek om kwijtschelding wordt gedaan. Dit had moeten worden opgevat als een verzoek tot persoonlijke betalingsregeling. Daardoor is ten onrechte geen O/GS-tegemoetkoming toegekend.
20. Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de bepalingen op grond van de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke (minnelijke) schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag [7] . Bij de beoordeling of iemand aanspraak maakt op deze tegemoetkoming wordt gekeken naar de uitkomst van het onderzoek van de afdeling Centrale Administratieve Processen Cluster inning van de Belastingdienst, ook wel het Landelijk incassocentrum genoemd (LIC). Blijkt uit dit onderzoek door LIC dat geen sprake is van O/GS, dan volgt géén O/GS stempel en heeft de aanvrager geen recht op de tegemoetkoming.
21. Uit het door Dienst Toeslagen overgelegde screenshot van een van zijn systemen blijkt dat onder het BSN van eiseres geen sprake is van een O/GS stempel. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat Dienst Toeslagen had moeten concluderen dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot twijfel aan de juistheid hiervan. De rechtbank vindt daarbij dat het door de gemachtigde van eiseres genoemde verzoek tot kwijtschelding van 30 december 2015 niet zonder meer kan worden aangemerkt als een verzoek tot betalingsregeling. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het verzoek van een bewindvoerder afkomstig was en niet gericht was aan de juiste afdeling binnen Dienst Toeslagen. Er mag vanuit worden gegaan dat een professioneel bewindvoerder het verschil tussen een verzoek om kwijtschelding en een betalingsregeling weet en ook weet aan wie hij of zij een dergelijk verzoek moet richten. Het standpunt van eiseres dat het verzoek had moeten worden doorgestuurd als zijnde een verzoek om een betalingsregeling volgt de rechtbank dus evenmin. De rechtbank ziet niet in dat Dienst Toeslagen uit de brief van 30 december 2015 had moeten opmaken dat de bewindvoerder namens eiseres een verzoek om een betalingsregeling had willen indienen. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
22. Voorgaande leidt ertoe dat Dienst Toeslagen terecht het standpunt heeft ingenomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie of tegemoetkoming over het jaar 2011 en 2012.
23. Tot slot overweegt de rechtbank het volgende over het recht op compensatie of tegemoetkoming. Een voorwaarde voor de toekenning daarvan is dat iemand ook daadwerkelijk recht had op kinderopvangtoeslag. Tussen partijen is in geschil of eiseres recht had op kinderopvangtoeslag. Volgens Dienst Toeslagen was dit niet het geval. De gemachtigde heeft hierover op de zitting verklaard dat in de systemen van de Dienst Toeslagen (KOI-viewer) niet is terug te vinden dat eiseres geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres voert aan dat het niet anders kan dan dat haar kinderen naar de kinderopvang zijn geweest, omdat zij en haar (inmiddels) ex-partner allebei een baan hadden in 2011 en 2012.
24. De rechtbank benadrukt dat Dienst Toeslagen in beginsel mag uitgaan van hetgeen in KOI-viewer staat vermeld, tenzij eiseres (met bewijsstukken) voldoende aannemelijk maakt dat er aan die gegevens in redelijkheid moet worden getwijfeld of als Dienst Toeslagen zelf in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de gegevens in KOI-viewer. Daarvan kan sprake zijn als er stukken bekend zijn bij Dienst Toeslagen die niet overeenkomen met wat er in KOI-viewer staat, zoals een verklaring van een KOI dat er kinderopvang bij hen is afgenomen, terwijl dit niet in KOI-viewer staat vermeld.
25. Dat is hier niet het geval. Er zijn geen stukken bekend waaruit kan blijken dat de informatie in KOI-viewer niet klopt. Eiseres heeft die niet overgelegd. De rechtbank twijfelt – net als de gemachtigde van de Dienst Toeslagen – niet aan de verklaring van eiseres dat de kinderen naar de kinderopvang zijn geweest, maar dat betekent niet dat dit ook geregistreerde kinderopvang was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat daar sprake van is geweest. [8] Eiseres kan ook om deze reden niet in aanmerking komen voor compensatie over de jaren 2011 en 2012.
Verzoek om schadevergoeding
26. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd.
26. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
28. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 10 oktober 2022. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de dag van deze uitspraak zit, naar boven afgerond, 3 jaar en 7 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen.
29. De overschrijding is in zijn geheel te wijten aan Dienst Toeslagen. De bezwaarprocedure heeft, naar boven afgerond, 2 jaar en 7 maanden geduurd. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiseres toe te kennen vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade € 2.000,-.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is ongegrond. Dienst Toeslagen mocht de aanvraag om compensatie afwijzen. Daarom blijft het bestreden besluit in stand.
31. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
32. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er in zoverre voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van €2.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zie artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
2.Zie artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
3.Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.
4.Kamerstukken II, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 72.
5.Het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, is opgesteld door Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen en dateert van 11 november 2025.
6.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 71.
7.Dit volgt uit artikel 2.6, eerste lid van de Wht.
8.Dit is een vereiste om aanspraak te kunnen maken op kinderopvangtoeslag op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wet kinderopvang.