ECLI:NL:RBMNE:2026:2796

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/16/607696 / JL RK 26-135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor vermiste minderjarige met ernstige ontwikkelingsproblemen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige die momenteel vermist wordt. De minderjarige verblijft in een gesloten accommodatie vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling ernstig belemmeren.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige een sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau heeft van circa drie jaar en een geschiedenis van ernstige verwaarlozing, huiselijk geweld en middelengebruik binnen het gezin. Dit heeft geleid tot een diep verstoord basisvertrouwen. Ondanks wisselend gedrag en impulsiviteit heeft de minderjarige eerder laten zien zich aan afspraken te kunnen houden.

Vanwege zijn vermissing en de grote zorgen over zijn veiligheid, acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de machtiging wordt verleend om zijn plek in de gesloten accommodatie te behouden. De machtiging wordt verleend voor de duur van één maand, zodat de minderjarige kan worden gevonden en de gelegenheid krijgt zijn mening te geven aan de gedragswetenschapper en advocaat.

De kinderrechter houdt het meer of anders verzochte aan en plant een vervolgzitting waarbij alle betrokkenen worden opgeroepen. De beslissing is genomen ondanks het feit dat de gedragswetenschapper en advocaat de minderjarige niet hebben kunnen spreken, vanwege zijn onbereikbaarheid.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor één maand vanwege vermissing en ernstige ontwikkelingsproblemen van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/607696 / JL RK 26-135
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 21 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- [A] namens de GI.
[minderjarige] , de moeder en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
2.2.
[minderjarige] verblijft in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, maar wordt momenteel vermist.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 1 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1] Omdat de voogdij over [minderjarige] bij de GI berust, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist. [2] De kinderrechter machtigt de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand. Het meer of anders verzochte wordt aangehouden. Zij vindt bij deze beslissing het volgende van belang.
4.2.
De zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] zijn groot. [minderjarige] is een kwetsbare jongen van wie het sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau rond de leeftijd van drie jaar ligt. Daarnaast wordt zijn vroege opvoedingssituatie gekenmerkt door ernstige verwaarlozing, huiselijk geweld en middelengebruik binnen het gezin. Deze omstandigheden hebben geleid tot een diep verstoord basisvertrouwen. Op de groep waar [minderjarige] verblijft laat hij wisselend gedrag zien. [minderjarige] heeft een langere tijd laten zien dat hij in staat is zich aan afspraken te houden, maar laat daarentegen ook impulsief, zelfbepalend en agressief gedrag zien. Het lukt [minderjarige] niet om de oorzaak-gevolgrelatie te begrijpen en de gevolgen van zijn handelen te herkennen. Op dit moment is [minderjarige] al ruim twee maanden vermist en heeft niemand zicht op zijn situatie. Er zijn grote zorgen over zijn veiligheid. De GI heeft het vermoeden dat [minderjarige] met zijn zusje is vertrokken. Het zusje van [minderjarige] heeft geregeld telefonisch contact met de groep, waarbij zij soms ook de stem van [minderjarige] horen. Daarnaast heeft de GI de indruk dat de moeder beter op de hoogte is van zijn situatie, maar daarover geen openheid geeft.
4.3.
Vanwege het feit dat [minderjarige] voor zowel de gedragswetenschapper als zijn advocaat onbereikbaar is, heeft de kinderrechter hem niet kunnen spreken. De advocaat was aanwezig tijdens de mondelinge behandeling maar heeft het standpunt van [minderjarige] niet kenbaar kunnen maken omdat ook zij hem niet gesproken heeft. Daarnaast vereist de wet dat de gedragswetenschapper voorafgaand aan het verlenen van een reguliere machtiging met de minderjarige heeft gesproken. [3] Hoewel dit niet is gebeurd, is de kinderrechter van oordeel dat de verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk is. Vanwege de kwetsbaarheid van [minderjarige] en de zorgen om zijn veiligheid, acht de kinderrechter het van belang dat [minderjarige] zo snel mogelijk wordt gevonden en naar een vertrouwde plek wordt gebracht. Om zijn plek op de groep beschikbaar te houden en daarmee zijn veiligheid te waarborgen, is het noodzakelijk om de machtiging te verlenen. Als de kinderrechter geen machtiging verleent, verliest [minderjarige] zijn plek op de groep en heeft hij geen plaats om naartoe gebracht te worden wanneer hij wordt gevonden. De kinderrechter verleent de machtiging voor de duur van één maand en houdt het meer of anders verzochte aan. Een verlening van de machtiging voor een langere periode acht zij in strijd met zijn belangen, omdat [minderjarige] niet door de gedragswetenschapper is gezien. De kinderrechter wil [minderjarige] de gelegenheid bieden om zijn mening te geven. In deze maand hoopt de kinderrechter dat hij wordt gevonden en bereid is om in gesprek te gaan met de gedragswetenschapper en zijn advocaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 23 april 2026 tot 23 mei 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.M. Janssen - Witteveen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, in het gerechtsgebouw aan
De Diagonaal 37 te Almere, op
21 mei 2026 te 16:00 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. M. Weistra, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Rijs als griffier, en op schrift gesteld op
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
2.Artikel 6.1.2, derde lid, onder b, Jw.
3.Artikel 6.1.2, vijfde lid, Jeugdwet (Jw).