De zaak betreft een vordering van de verhuurder tot ontruiming van een gehuurde opslagruimte en betaling van achterstallige huur door de huurder. De huurder zou sinds januari 2026 geen huur meer hebben betaald en er zou sprake zijn van overlast door ongedierte. Tijdens de mondelinge behandeling is een gedeeltelijke schikking bereikt over het einde van de huurovereenkomst en de ontruiming.
De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder spoedeisend belang heeft bij de vordering vanwege de oplopende huurachterstand en de overlastsituatie. Partijen hebben afgesproken dat de huurovereenkomst per 12 mei 2026 is ontbonden en dat de opslagruimte uiterlijk 17 mei 2026 ontruimd moet zijn. De overige vorderingen zijn ingetrokken.
De huurprijs wordt vastgesteld op €1.400 per maand, omdat onvoldoende aannemelijk is dat de huurder de algemene bepalingen met indexatie heeft ontvangen. De huurder heeft onvoldoende bewijs geleverd dat hij de opslagruimte niet kon gebruiken, zodat de achterstallige huur over vier maanden wordt toegewezen.
De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming uiterlijk 17 mei 2026, betaling van €5.600 aan achterstallige huur en betaling van proceskosten van €1.141,67. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.