Uitspraak
1.De procedure
- het incidenteel vonnis van 15 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken
- de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 (hierna: de zitting), waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
€ 7.200,- heeft betaald, maar dat hij het door [deskundige 1] genoemde bedrag vordert. [gedaagde] heeft de door [deskundige 1] begrote kosten op zichzelf niet betwist. Het bedrag van € 5.440,- wordt dan ook toegewezen.
€ 7.406,25 vanaf het moment dat hij in verzuim is met de betaling ervan. [11] Dit verzuim treedt zonder ingebrekestelling in zodra de verbintenis tot betaling van schadevergoeding opeisbaar wordt. [12] Omdat de schadevergoeding in dit geval ziet op concreet gemaakte kosten, ontstaat opeisbaarheid pas wanneer [eiser] die kosten opeisbaar verschuldigd wordt. Daarover heeft [eiser] niets gesteld, zodat de gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding (6 juni 2025).