Werknemer trad in januari 2023 in dienst bij werkgever als Clusterleider Retail. Na signalen van disfunctioneren en communicatieproblemen legde werkgever in oktober 2025 een beëindigingsvoorstel voor. Werknemer weigerde dit en bleef werken, behalve deelname aan het kerngroepoverleg. Na een mislukte mediation in februari-maart 2026 stelde werkgever werknemer per direct vrij van werk en kondigde ontbindingsprocedure aan.
Werknemer vorderde in kort geding toelating tot werk en rectificatie van de vrijstelling. De kantonrechter oordeelde dat werkgever onvoldoende zwaarwegende grond had voor de vrijstelling. De vermeende onrust en verstoorde arbeidsrelatie waren onvoldoende onderbouwd, en werknemer had tot de vrijstelling vrijwel volledig gewerkt.
De kantonrechter veroordeelde werkgever tot toelating van werknemer tot zijn werkzaamheden vanaf 19 mei 2026, het versturen van een rectificatiebericht en betaling van een dwangsom bij niet-nakoming. Tevens werden de proceskosten aan werkgever opgelegd.