ECLI:NL:RBMNE:2026:2876

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
610235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen wegens veiligheidsrisico's

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 april 2026 besloten tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2023, tot 15 juli 2026. Dit volgt op een eerdere spoedmachtiging van 15 april 2026, die was verleend vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en psychische gesteldheid van de vader.

De aanleiding voor de uithuisplaatsing was een ernstig auto-ongeluk waarbij de vader met hoge snelheid van een talud afreed met de kinderen in de auto, waarbij vermoedens bestonden van opzet of een wanhoopsdaad. Daarnaast werden op de telefoon van de vader verontrustende zaken aangetroffen, waaronder een verborgen map met kinderporno en zoektermen die duiden op obsessies en mogelijk suïcidale gedachten. De moeder beschikt momenteel niet over een stabiele woon- en zorgsituatie, waardoor terugkeer naar haar ook niet verantwoord wordt geacht.

De kinderrechter weegt de veiligheidsinschattingen van de Raad voor de Kinderbescherming en politie zwaarder dan de eigen lezing van de vader. De gecertificeerde instelling onderzoekt mogelijkheden voor een netwerkpleeggezin bij grootouders en alternatieve scenario's zoals plaatsing in een moeder-kind-huis. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 15 juli 2026 vanwege ernstige veiligheidsrisico's bij de vader en onvoldoende stabiele thuissituatie bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/610235 / JE RK 26-561
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de Raad,
gevestigd in Utrecht,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
volgend de Raad wonende in [plaats 1] , gemeente Utrecht,
blijkens de Basis Registratie Personen staat moeder ingeschreven in ' [plaats 2] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] , gemeente Utrecht,
hierna samen te noemen de ouders,
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland voor de duur van drie maanden, met ingang van 15 april 2026 tot 15 juli 2026. 1.2. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 april 2026 voor de duur van vier weken, te weten tot 13 mei 2026. De beslissing is voor het overige deel aangehouden. De kinderrechter verwijst voor het procesverloop tot die datum naar de inhoud van die beschikking. De beslissing is genomen zonder de belanghebbenden te hebben gehoord, omdat een zitting niet kon worden afgewacht zonder gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
1.3. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] namens de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om op 23 april 2026 vanaf 10:00 uur met de griffie te bellen voor het dictum in deze zaak. Dit is de schriftelijke uitwerking met de motivering van die uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De moeder heeft eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] . De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader in [plaats 1] .

3.Het verzoek

De kinderrechter moet de belanghebbenden nog horen op de spoedbeslissing van 15 april 2026. Verder moet de kinderrechter nog beslissen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening wordt verlengd tot 15 juli 2026.

4.De beoordeling

De spoedbeslissing
4.1.
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en ziet naar aanleiding daarvan geen reden om anders te beslissen. De gronden voor de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging waren op 15 april 2026 onverkort aanwezig en de maatregelen zijn rechtmatig getroffen.
De beslissing op het aangehouden deel van het verzoek4.2. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 15 juli 2026. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
4.2.
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De optelsom van incidenten en signalen is dusdanig verontrustend dat de kinderrechter een terugkeer van de kinderen naar de vader op dit moment niet verantwoord vindt.
4.3.
Op 11 april jl heeft de vader met de kindjes in de auto een ongeval gehad waarbij hij met grote snelheid van een talud is afgestort. De omstandigheden rondom dit ongeval roepen vragen op over de psychische gesteldheid van de vader en de veiligheid van de kinderen bij hem. De politie heeft uitgesproken dat zij vermoeden dat er opzet in het spel was of dat sprake was van een wanhoopsdaad van de vader. De ouders zijn sinds kort uit elkaar. De politie baseert haar vermoedens onder andere op de omstandigheid dat de vader die dag meerdere keren langs dit punt is gereden (met grote snelheid), dat het veiligheidssysteem in de auto handmatig door hem is uitgeschakeld en ook omdat de kinderen niet in de gordels zaten. Daarnaast is er na het ongeval nader onderzoek gedaan en zijn verontrustende zaken aangetroffen op de telefoon van vader. Zo is er een verborgen map met kinderporno aangetroffen en is gebleken dat de vader zoektermen heeft gebruikt die wijzen op een obsessie met (kinder)misbruik en wapens, maar ook waaruit blijkt dat de vader mogelijk zelfmoordgedachten heeft gehad.
4.4.
Hoewel dit alles nog nader onderzocht moet worden en de vader ter zitting een eigen lezing had van alles wat door de politie is aangegeven, is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheidsinschatting van de Raad en de politie/ VeiligThuis op dit moment zwaarder weegt dan de lezing van vader. De kinderrechter begrijpt dat de vader er alles aan wil doen om de kinderen weer bij hem te laten zijn en het is heel positief dat de vader inmiddels op eigen initiatief hulp heeft ingeschakeld, zodat hij niet op de hulpverlenende instanties hoeft te wachten. Gezien de ernst van de vermoedens die er echter op dit moment bestaan, is dit voor nu niet voldoende. Er is eerst diepgaand onderzoek nodig naar de persoon van de vader en zijn opvoedcapaciteiten voordat een veilige terugkeer van de kindjes kan worden overwogen.
4.5.
Op dit moment kunnen de kinderen ook niet zonder meer naar de moeder. Zij beschikt op dit moment niet over een stabiele thuisbasis om de zorg voor de kinderen per direct over te nemen. De moeder kampt met een ernstig belast verleden, heeft genoemd dat zij drugs- 3-MMC- gebruikte ter verdoving van de situatie (maar sinds 11 maart 2026 is gestopt) en zij heeft geen woning en logeert bij kennissen en vrienden. Daarbij heeft zij al geruime tijd niet meer voor de kinderen gezorgd. De kinderrechter vindt het positief dat de moeder zich aanmeldt voor hulp (Yes We Can) en de wens heeft uitgesproken dat zij graag samen met de kinderen in een moeder-kind-huis wil wonen. Dit biedt een perspectief voor de toekomst, maar op de korte termijn biedt dit nog onvoldoende veiligheid en stabiliteit voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.6.
De kinderrechter begrijpt de zorgen van de ouders over het ‘gesleep’ met de kinderen tussen verschillende pleeggezinnen. Het is heel onwenselijk dat deze kleine kindjes niet op een stabiele plek zijn, nu zij niet meer bij de vader wonen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat zij druk doende zijn om te onderzoeken of de kinderen mogelijk in een netwerkpleeggezin, namelijk bij grootouders (vaderszijde) kunnen verblijven. De kinderrechter benadrukt dat dit onderzoek naar een netwerkplaatsing bij de opa en oma de hoogste prioriteit moet hebben om de kinderen in een vertrouwde omgeving te brengen bij de familie.
4.7.
Daarnaast dient de GI op korte termijn de mogelijkheden te onderzoeken voor alternatieve scenario’s waarbij de kinderen niet in een pleeggezin verblijven, zoals:
- plaatsing van de moeder met de kinderen in een moeder-kind-huis zodra daar plek is;
- het door de vader geopperde scenario waarbij de moeder tijdelijk met de kinderen in zijn woning verblijft en hij elders logeert gedurende het onderzoek(mits de veiligheid van de moeder en de kinderen ten opzichte van de vader dan absoluut geborgd kan worden).
4.8.
Totdat de resultaten van het onderzoek door de Raad en de politie meer helderheid bieden over de veiligheidsrisico's, is voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk om de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te garanderen. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur, te weten tot 15 juli 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad4.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot
15 juli 2026;
5.2.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is op 23 april 2026 mondeling gegeven door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. C.A. Lammertink als griffier, en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.