Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 29 mei 2025;
- het bericht van de moeder (met bijlagen) van 2 juli 2025;
- het bericht van de moeder van 6 november 2025 (via F9-formulier);
- het verweerschrift (met bijlagen) van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) van 13 februari 2026;
- het bericht van de vader (met bijlage) van 31 maart 2026
- het bericht van de vader (met bijlage) van 7 april 2026;
- het bericht van de vader (met bijlagen) van 8 april 2026.
- de vader met zijn advocaat en een tolk, de heer A. Ben Mohamed;
- de moeder met haar advocaat;
- de heer [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
2.Waar de procedure over gaat
[minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .
- [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
- de moeder alleen zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader vast te stellen;
- een zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] op een nader door de vader aan te voeren wijze, of een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] op grond waarvan [minderjarige] gedurende de helft van de tijd bij de vader verblijft en een regeling vast te stellen voor de vakanties en feestdagen waarbij [minderjarige] gedurende de helft van die vakanties en feestdagen bij ieder van ouders verblijft, in onderling overleg tussen de ouders vast te stellen;
- aan de (voorlopige) zorgregeling een dwangsom te verbinden van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voor iedere keer, iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw haar medewerking onthoudt;
- [minderjarige] onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro.
3.De beoordeling
- de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aanhouden voor de duur van negen maanden;
- een voorlopige zorgregeling vaststellen tussen de vader en [minderjarige] en daar een dwangsom aan verbinden;
- het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag afwijzen;
- het verzoek van de vader om [minderjarige] onder toezicht te stellen afwijzen;
8 januari 2027.Dit in afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. De ouders stemmen daarmee in.
8 januari 2027,of zoveel eerder als mogelijk is, aan de rechtbank en aan de Raad te sturen de rapportage over het verloop en de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling onder vermelding van ‘Uniform Hulpaanbod’.
- de vader en [minderjarige] drie keer in de week voor de duur van twee uur contact met elkaar hebben onder begeleiding van [instelling] B.V.;
- waarbij de moeder [minderjarige] brengt en hem hier ophaalt;
- en het aan [instelling] B.V. is om wijzigingen in de frequentie en duur aan te brengen.
4.De beslissing
- de vader en [minderjarige] drie keer in de week voor de duur van twee uur contact met elkaar hebben onder begeleiding van [instelling] B.V.;
- waarbij de moeder [minderjarige] brengt en hem hier ophaalt;
- en het aan [instelling] B.V. is om wijzigingen in de frequentie en duur aan te brengen.
8 januari 2027, in afwachting van het verloop van de hulpverlening in het kader van het uniform hulpaanbod;
uiterlijk op 8 januari 2027of zoveel eerder als mogelijk, de rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject ‘Ouderschapsbemiddeling’ aan de rechtbank te sturen;