Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2885

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/16/594532 / FA RK 25-1042
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 1:251a lid 1 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:255 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en voorlopige zorgregeling met aanhouding hoofdverblijfplaats en gezagsbeslissing

Partijen zijn in 2024 in Caïro getrouwd en hebben een minderjarige zoon geboren in 2025. De moeder verzoekt echtscheiding, hoofdverblijfplaats bij haar en eenhoofdig gezag. De vader verzet zich en verzoekt hoofdverblijfplaats bij hem, een zorgregeling met verblijf bij hem en ondertoezichtstelling van de minderjarige.

De rechtbank verklaart partijen ontvankelijk in hun verzoeken en spreekt de echtscheiding uit wegens duurzame ontwrichting. De beslissing over hoofdverblijfplaats en definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor negen maanden, in afwachting van een rapportage van de hulpverlener. De ouders worden doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling via het uniform hulpaanbod.

De voorlopige zorgregeling bepaalt dat de vader drie keer per week twee uur contact heeft met de minderjarige onder begeleiding van een gecertificeerde instelling, waarbij de moeder de minderjarige brengt en ophaalt. Een dwangsom van €250 per overtreding met een maximum van €10.000 wordt aan de moeder opgelegd voor niet-nakoming.

Het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen omdat onvoldoende is gebleken van een onaanvaardbaar risico voor het kind. Het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling wordt eveneens afgewezen, mede omdat de Raad voor de Kinderbescherming geen aanleiding ziet voor deze maatregel en ouders hulpverlening volgen.

De rechtbank benadrukt de verstoorde relatie tussen ouders en het belang van communicatie en vertrouwen, en stelt dat het belang van de minderjarige voorop staat. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, voorlopige zorgregeling vastgesteld, verzoeken tot wijziging gezag en ondertoezichtstelling afgewezen, beslissing hoofdverblijfplaats en zorgregeling aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/594532 / FA RK 25-1042
Echtscheiding
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. A. El Aqde,
tegen
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K.G.I.M. Schröder.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 29 mei 2025;
  • het bericht van de moeder (met bijlagen) van 2 juli 2025;
  • het bericht van de moeder van 6 november 2025 (via F9-formulier);
  • het verweerschrift (met bijlagen) van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) van 13 februari 2026;
  • het bericht van de vader (met bijlage) van 31 maart 2026
  • het bericht van de vader (met bijlage) van 7 april 2026;
  • het bericht van de vader (met bijlagen) van 8 april 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat en een tolk, de heer A. Ben Mohamed;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de heer [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.3
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
Partijen zijn op [datum] 2024 met elkaar getrouwd in Caïro (Egypte).
2.2
De vader heeft de Egyptische en de Palestijnse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.3
Partijen zijn de ouders van:
[minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .
2.4
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 januari 2026 een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en [minderjarige] op woensdag en zaterdag contact hebben van 13.30 uur tot 14.30 uur aan de [adres] in [plaats] onder begeleiding van [instelling] B.V., waarbij de moeder [minderjarige] brengt en hem hier ophaalt. Daarnaast is de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij de voorlopige zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-.
2.5
Partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
2.6
Daarnaast verzoekt de moeder de rechtbank om te bepalen dat:
  • [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
  • de moeder alleen zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
2.7
De vader vindt dat de verzoeken van de moeder over de hoofdverblijfplaats en het gezag moeten worden afgewezen. De vader verzoekt de rechtbank – na aanvulling van zijn verzoek op zitting – om:
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader vast te stellen;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] op een nader door de vader aan te voeren wijze, of een zorgregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] op grond waarvan [minderjarige] gedurende de helft van de tijd bij de vader verblijft en een regeling vast te stellen voor de vakanties en feestdagen waarbij [minderjarige] gedurende de helft van die vakanties en feestdagen bij ieder van ouders verblijft, in onderling overleg tussen de ouders vast te stellen;
  • aan de (voorlopige) zorgregeling een dwangsom te verbinden van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) voor iedere keer, iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw haar medewerking onthoudt;
  • [minderjarige] onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro.
2.8
Het is partijen nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over [minderjarige] , zoals wanneer [minderjarige] bij wie is en hoe partijen elkaar op de hoogte houden over hem. Als partijen geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat partijen zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van partijen kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.

3.De beoordeling

3.1
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en:
  • de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aanhouden voor de duur van negen maanden;
  • een voorlopige zorgregeling vaststellen tussen de vader en [minderjarige] en daar een dwangsom aan verbinden;
  • het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag afwijzen;
  • het verzoek van de vader om [minderjarige] onder toezicht te stellen afwijzen;
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.2
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.
Het ontbreken van het ouderschapsplan
3.3
De rechtbank vindt dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding. Dat wil zeggen dat het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van de ouders niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. De ouders hebben al onder begeleiding van Veilig Thuis en het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna CJG) geprobeerd om afspraken te maken over [minderjarige] . Dit is niet gelukt, waardoor de Voorzieningenrechter in kort geding een voorlopige zorgregeling heeft vastgesteld. De standpunten van de ouders lopen zo uiteen dat niet te verwachten valt dat zij er binnen afzienbare termijn samen uit zullen komen.
De echtscheiding
3.4
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [1] Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Nog geen eindbeslissing over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling
3.5
De rechtbank zal nu nog geen definitieve beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de definitieve zorgregeling, maar de beslissing negen maanden uitstellen in afwachting van de rapportage van de hulpverlener. De rechtbank zal wel een voorlopige zorgregeling vaststellen.
Doorverwijzing uniform hulpaanbod: ouderschapsbemiddeling
3.6
De rechtbank heeft de ouders op de zitting doorverwezen voor een traject ouderschapsbemiddeling via het uniform hulpaanbod. Dit betekent dat er snel contact is met de hulpverlening. Het is voor de rechtbank op dit moment namelijk nog onvoldoende duidelijk welke beslissing in het belang van [minderjarige] is. Bovendien hebben de ouders hulpverlening nodig om samen invulling te geven aan het ouderschap. Het is belangrijk dat de ouders hulp krijgen om te werken aan hun communicatie, het vertrouwen in elkaar en het contact tussen de vader en [minderjarige] .
3.7
De rechtbank vindt het positief dat de ouders hulpverlening aanvaarden. De ouders zijn kort na de geboorte van [minderjarige] uit elkaar gegaan en de standpunten van de ouders liggen op dit moment ver uit elkaar. De moeder heeft verteld dat zij de vader in Egypte heeft leren kennen en dat zij daar hebben samengewoond. Zij heeft al vroeg in de relatie veel druk ervaren vanuit de vader. Zij is in Egypte door hem geïsoleerd. Er is sprake geweest van fysiek geweld en de vader heeft tegen de wil van de moeder in seksuele handelingen verricht. De moeder erkent het belang van contact tussen de vader en [minderjarige] , maar zij ervaart de vader als onvoorspelbaar en onbetrouwbaar. De moeder kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vader alleen contact met [minderjarige] wil ten behoeve van een verblijfsvergunning, maar vreest ook dat de vader [minderjarige] meeneemt naar het buitenland. Zij heeft geen vertrouwen in de vader en weet daardoor ook niet goed welke rol voor de vader is weggelegd in het leven van [minderjarige] . Dit maakt volgens de moeder dat een (onbegeleide) zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] is.
3.8
De vader betwist de beschuldigingen van de moeder. Hij heeft verteld dat de ouders samen de keuze hebben gemaakt om de bevalling in Nederland te laten plaatsvinden, omdat de gezondheidszorg in Nederland beter is dan in Egypte. Het voornemen was om in Nederland een gezin te vormen. De moeder heeft de vader opgehaald op Schiphol en de vader is bij de bevalling van [minderjarige] aanwezig geweest. Het kwam voor hem uit het niets dat de relatie in mei 2025 door de moeder werd beëindigd. Kort na de verbreking van de relatie zijn er afspraken gemaakt over het contact tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van Veilig Thuis en het CJG. Het contact heeft plaatsgevonden onder begeleiding van het CJG en later door Het Opstapje, omdat de moeder geen medewerking wilde verlenen aan onbegeleid contact. Op 16 september 2025 heeft de moeder aan de vader en de betrokken hulpverleners een bericht gestuurd met de mededeling dat ze de afspraken over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van Het Opstapje niet meer zal nakomen. Op 17 oktober 2025 is er een Jeugdbeschermingstafel georganiseerd, maar de moeder heeft zich voor deze bijeenkomst afgemeld. De vader heeft zich toen gedwongen gevoeld om een kort geding te starten om tot contactherstel te komen met [minderjarige] . De Voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 26 januari 2026 een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en [minderjarige] twee keer per week één uur contact hebben onder begeleiding van [instelling] B.V. Daarnaast is de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij de voorlopige zorgregeling niet nakomt. De vader werkt mee aan de begeleide omgang, terwijl hij hier eigenlijk geen noodzaak toe ziet. Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van ouderverstoting, omdat de moeder onvoldoende meewerkt aan het contact tussen hem en [minderjarige] . De vader wil graag dat [minderjarige] ook bij hem verblijft. Hij zegt dat hij goed voor [minderjarige] kan zorgen en hij wil graag zijn vaderrol vervullen.
3.9
De rechtbank is het met de Raad eens dat er gewerkt moet worden aan een gelijkwaardig ouderschap en dat de ouders moeten gaan werken aan hun communicatie en het onderlinge vertrouwen, zodat [minderjarige] zich op een ontspannen manier tussen hen kan bewegen. De rechtbank maakt zich veel zorgen over de dynamiek tussen de ouders en de gevolgen hiervan op [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er is sprake is (geweest) van partnergeweld of intiem terreur zoals de moeder het omschrijft. Het zijn vergaande beschuldigingen van de moeder over de vader en hoe zeer de rechtbank ook wil geloven dat zulke beschuldigingen niet zomaar worden gedaan, had het op de weg van de moeder gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. Op de vraag van Veilig Thuis en de rechtbank welke rol de moeder ziet voor de vader in het leven van [minderjarige] , heeft de moeder geen antwoord. De moeder heeft gezegd dat zij eerst haar trauma’s moet verwerken. Zij heeft hier hulp voor aangevraagd, maar deze hulp is nog niet gestart. Het baart de rechtbank zorgen dat er in de ogen van de moeder (nog) geen rol is weggelegd voor de vader in het leven van [minderjarige] . Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat het erg kwalijk is hoe de moeder de procedure is gestart. De moeder heeft het verzoekschrift tot echtscheiding openbaar laten betekenen en in het verzoekschrift de stellingen ingenomen dat de vader is vertrokken en geen enkele betrokkenheid toont in het leven van [minderjarige] . Vast is komen te staan dat dit feitelijk onjuist is. De moeder had in die periode namelijk contact met de vader. Sterker nog, de vader had in die periode begeleide omgang met [minderjarige] . Hij is aanwezig geweest bij de bevalling en bij gesprekken met de betrokken hulpverleners. Het had dan ook op de weg van de moeder gelegen om de rechtbank correct en volledig te informeren en de vader correct te betrekken in de procedure. De relatie tussen de ouders is ernstig verstoord en [minderjarige] is hier de dupe van. [minderjarige] heeft recht op onbelast contact met zijn beide ouders en het is aan de ouders om de situatie te verbeteren.
3.1
Ook is het voor de rechtbank belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over de verblijfsstatus van de vader en zijn woonomstandigheden in Nederland, omdat dit invloed kan hebben op de uiteindelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de definitieve zorgregeling.
3.11
Zoals op de zitting is besproken, zal de rechtbank de verdere behandeling en de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling aanhouden voor de duur van negen maanden, tot
8 januari 2027.Dit in afwachting van een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening. De ouders stemmen daarmee in.
3.12
De rechtbank heeft een scan van het proces-verbaal met gegevens van de ouders gestuurd aan de instantie die het gaat doorsturen naar de hulpverlener. De rechter zal een kopie van deze beschikking sturen aan de Raad en die hulpverlener. De rechter vraagt deze instantie uiterlijk op
8 januari 2027,of zoveel eerder als mogelijk is, aan de rechtbank en aan de Raad te sturen de rapportage over het verloop en de uitkomst van de ouderschapsbemiddeling onder vermelding van ‘Uniform Hulpaanbod’.
3.13
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, hebben de advocaten twee weken de tijd om te laten weten hoe de procedure moet worden voortgezet en of een behandeling op zitting nodig is.
3.14
Als de hulp niet heeft geleid tot een (geheel) positief resultaat, zal de Raad beoordelen of een schriftelijk advies nodig is of dat een mondeling advies op zitting voldoende is. Als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, verzoekt de rechter de Raad om schriftelijk te adviseren en te doen wat daarvoor nodig is. Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om schriftelijk te adviseren als het traject niet positief wordt afgesloten én de Raad vindt dat een mondeling advies op de zitting niet voldoende is.
De voorlopige zorgregeling
3.15
De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast tussen de vader en [minderjarige] die inhoudt dat:
  • de vader en [minderjarige] drie keer in de week voor de duur van twee uur contact met elkaar hebben onder begeleiding van [instelling] B.V.;
  • waarbij de moeder [minderjarige] brengt en hem hier ophaalt;
  • en het aan [instelling] B.V. is om wijzigingen in de frequentie en duur aan te brengen.
3.16
De Raad heeft geadviseerd om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen zonder begeleiding een weekend bij de vader is, omdat er omgangsverslagen zijn van verschillende instanties die laten zien dat de vader op een goede manier met [minderjarige] omgaat. De Raad heeft niet de indruk dat deze verslagen zijn gekleurd door partijdigheid van de betrokken hulpverleners. De enige zorg die de Raad heeft geuit tegen de geadviseerde zorgregeling, zijn de zorgen van de moeder. Op het moment dat de moeder onvoldoende (emotionele) toestemming geeft voor deze zorgregeling, kan dit [minderjarige] belasten.
3.17
De rechtbank is het met de Raad eens dat er positieve omgangsverslagen zijn van verschillende hulpverleners. De omgangsverslagen geven een feitelijke weergave van het verloop van de zorgmomenten en op basis van deze verslagen ziet de rechtbank aanleiding om de zorgregeling uit te breiden. Uit niets blijkt dat de vader niet voor [minderjarige] kan zorgen en/of dat zijn veiligheid niet gewaarborgd is. De rechtbank heeft daarnaast geen reden om aan de verslagen te twijfelen, zoals de moeder stelt. De moeder stelt dat er sprake is van belangenverstrengeling bij [instelling] , omdat deze organisatie vader ook helpt bij zijn verblijfsvergunning. De rechtbank is net als de Voorzieningenrechter van oordeel dat de bezwaren van de moeder niet van zodanige aard zijn dat de begeleiding door [instelling] in strijd is met het belang van [minderjarige] . Het is een gecontracteerde hulpverleningsinstantie bij de gemeente Zeist en er is een andere hulpverlener betrokken dan de begeleider van de vader. Daarnaast dienen professionals het belang van het kind voorop te zetten en niet het belang van de vader.
3.18
Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank de ouders op de zitting doorverwezen voor een traject ouderschapsbemiddeling via het uniform hulpaanbod. Als de hulpverlening in het kader van het uniform hulpaanbod ook de begeleide contactmomenten bij [instelling] kan overnemen, dan heeft dit gelet op de weerstand van de moeder de voorkeur van de rechtbank. Is dit niet mogelijk, dan blijft [instelling] de omgang begeleiden.
3.19
Ondanks de positieve verslagen ziet de rechtbank nog wel redenen om de zorgregeling voorlopig onder begeleiding voort te zetten. De moeder heeft de vrees dat de vader [minderjarige] meeneemt naar het buitenland. De vader heeft deze stelling van de moeder betwist en verteld dat hij zijn leven in Nederland wil opbouwen, maar de rechtbank kan de zorgen van de moeder niet volledig naast zich neerleggen. Omdat de gevolgen voor [minderjarige] erg groot zijn als de vader wél met [minderjarige] vertrekt naar het buitenland. De vader hij op dit moment namelijk nog weinig stabiliteit in Nederland. De verblijfsstatus van de vader is onbekend, net als zijn woon- en werkomstandigheden. Het is belangrijk dat hier meer duidelijkheid over komt, zodat de moeder er ook vertrouwen in kan hebben dat de vader niet weggaat. Doordat de rechtbank op dit moment nog onvoldoende zicht heeft op de situatie van de vader, blijft de zorgregeling dus onder begeleiding.
3.2
De rechtbank vindt het wel belangrijk dat er frequent contact is tussen de vader en [minderjarige] met verzorgingsmomenten. [minderjarige] is nog erg jong en het is belangrijk dat hij zich aan beide ouders kan hechten. Daarom is een uitbreiding gepast. De rechtbank spreekt de hoop uit dat er vertrouwen kan ontstaan tussen de ouders, zodat zij samen aan onbegeleid contact kunnen werken. De rechtbank geeft aan de ouders dan ook de opdracht mee om met de hulpverlening de komende maanden te werken aan uitbreiding van het contact en toe te werken aan onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] dient hierbij voorop te staan.
Dwangsom
3.21
De rechtbank zal – net als de Voorzieningenrechter – een dwangsom verbinden aan de zorgregeling van € 250,- per overtreding, met een maximum van € 10.000,-. De rechtbank heeft er gelet op het procesverloop en de uitspraken van de moeder onvoldoende vertrouwen in dat de moeder zonder prikkel de voorlopige zorgregeling vrijwillig en correct zal nakomen. De rechtbank vindt het in het belang van de vader en [minderjarige] dat het contact zonder stagnaties kan plaatsvinden. Om die reden vindt de rechtbank een dwangsom passend. De rechtbank ziet geen aanleiding om de dwangsom op een hoger bedrag vast te stellen dan de Voorzieningenrechter eerder heeft gedaan.
Het gezag
3.22
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
3.23
Het uitgangspunt is dat ouders samen beslissingen over hun kind moeten nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank kan het gezag van een ouder echter beëindigen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. [2] De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat dit hier het geval is.
3.24
De moeder heeft in haar verzoekschrift gesteld dat de vader structureel afwezig is en geen enkele betrokkenheid toont bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De man zou zijn vertrokken naar het buitenland en sindsdien geen contact meer met de moeder en/of [minderjarige] hebben gezocht. Daarnaast zou de moeder voortdurend tegen problemen lopen bij het nemen van gezagsbeslissingen. De vader zou bijvoorbeeld hebben geweigerd om zijn toestemming te verlenen aan de moeder, zodat [minderjarige] de achternaam van de moeder zou krijgen en voor het aanvragen van een identiteitskaart.
3.25
De vader heeft de stellingen van de moeder betwist. Vast is komen te staan dat de vader voor de geboorte van [minderjarige] in Nederland was en dat hij aanwezig is geweest bij de gesprekken met de betrokken hulpverleners. Daarbij heeft de vader meerdere malen aangegeven dat hij graag betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige] . Om die reden heeft hij ook meegewerkt aan de begeleide omgangsmomenten. Hij is bereikbaar en beschikbaar voor de moeder en/of [minderjarige] .
3.26
De rechtbank stelt vast dat onvoldoende vast staat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen zijn ouders, omdat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag. Het is ook niet gebleken dat de vader gezagsbeslissingen heeft tegengehouden door te weigeren zijn toestemming te geven. De rechtbank vindt het van belang dat beide ouders een gelijkwaardige ouderpositie innemen ten aanzien van [minderjarige] .
3.27
Een punt van zorg is de verstoorde relatie tussen de ouders. Nu de ouders het gezamenlijk gezag behouden, moeten zij samen belangrijke beslissingen over [minderjarige] blijven nemen. Het is daarvoor belangrijk dat zij als ouders met elkaar leren communiceren.
Om dat te bereiken is hulpverlening nodig, zoals een traject ouderschapsbemiddeling. Beide ouders hebben tijdens de zitting gezegd bereid te zijn een dergelijk traject te gaan volgen. Om die reden heeft de rechtbank de ouders doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling via het uniform hulpaanbod.
De ondertoezichtstelling
3.28
Indien de Raad niet overgaat tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling, kan een ouder een verzoek tot ondertoezichtstelling doen. [3] Op de zitting heeft de Raad toegelicht nog geen reden te zien om een ondertoezichtstelling te vragen. De Raad vindt dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] op dit moment nog onvoldoende aantoonbaar is en bovendien gaan de ouders in ouderschapsbemiddeling. Op het moment dat dit negatief wordt afgerond, dan kan de Raad de situatie voor [minderjarige] opnieuw beoordelen.
3.29
De rechtbank zal het verzoek van de vader afwijzen. Om te beginnen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat er problemen zijn in de uitvoering van de zorgregeling maakt niet dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Bovendien begrijpt de rechtbank het standpunt van de Raad dat een ondertoezichtstelling op dit moment een te ingrijpende maatregel is, omdat er nog hulpverlening in het vrijwillige kader wordt ingezet. De rechtbank deelt dit standpunt van de Raad. De ouders dienen te kans te krijgen om in het kader van het uniform hulpaanbod te werken aan hun gezamenlijk ouderschap in het belang van [minderjarige] . Bij een negatieve afronding van het traject kan de Raad de situatie van [minderjarige] opnieuw beoordelen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.3
De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3.31
De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum] 2024 in Caïro (Egypte).
4.2
stelt een voorlopige zorgregeling vast die inhoudt dat:
  • de vader en [minderjarige] drie keer in de week voor de duur van twee uur contact met elkaar hebben onder begeleiding van [instelling] B.V.;
  • waarbij de moeder [minderjarige] brengt en hem hier ophaalt;
  • en het aan [instelling] B.V. is om wijzigingen in de frequentie en duur aan te brengen.
4.3
veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan de onder 4.2 genoemde 4.2 genoemde zorgregeling meewerkt, met een maximum van € 10.000,-;
4.4
wijst het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag af;
4.5
wijst het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] af;
4.6
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;
4.7
houdt de beslissing over de hoofdverblijfplaats en de definitieve zorgregeling aan tot
8 januari 2027, in afwachting van het verloop van de hulpverlening in het kader van het uniform hulpaanbod;
4.8
verzoekt de hulpverlener(s)
uiterlijk op 8 januari 2027of zoveel eerder als mogelijk, de rapportage over het verloop en de uitkomst van het traject ‘Ouderschapsbemiddeling’ aan de rechtbank te sturen;
4.9
verzoekt de Raad bij een niet helemaal positief resultaat te beoordelen of een schriftelijk advies noodzakelijk is en de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren, als de Raad een schriftelijk advies nodig vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad een schriftelijk advies bij de rechtbank in te dienen binnen uiterlijk twee maanden.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Witten, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. J.J. Boekhout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 1:255 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek.