AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Verzoeker diende op 20 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Rechtbank Midden-Nederland. De voorzieningenrechter besloot geen zitting te houden omdat het verzoekschrift niet aan de wettelijke eisen voldeed, met name vanwege het niet betalen van het griffierecht van €194,00.
De griffier stuurde op 6 januari 2026 een aangetekende brief aan verzoeker met het verzoek het griffierecht binnen twee weken te voldoen. Verzoeker meldde telefonisch op 12 januari 2026 dat hij de nota had ontvangen, maar betaalde het griffierecht niet tijdig en gaf geen geldige reden voor het verzuim.
Op grond van artikel 8:82 AwbPro is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, tenzij er sprake is van een gegronde verontschuldiging. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen verontschuldiging aanwezig was en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7532
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker
en
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 20 december 2025.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Griffierecht
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. In deze zaak is het griffierecht € 194,00. Op grond van artikel 8:82, derde lid, en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 6 januari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief.
4. Verzoeker heeft de griffier op 12 januari 2026 telefonisch meegedeeld dat hij een nota griffierecht heeft ontvangen.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet op tijd is betaald en dat verzoeker geen reden heeft gegeven voor dit verzuim. Verder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.