Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2910

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
16-036196-26; 21-001376-22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woninginbraak met DNA-bewijs en gedeeltelijke schadevergoeding

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 26 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van woninginbraak in een woning te Huizen in de periode van 3 tot 6 augustus 2024. Forensisch onderzoek bracht een DNA-spoor van de verdachte aan het licht op de kluisdeur in de woning, wat door de rechtbank als daderspoor werd aangemerkt. De verdachte kon geen aannemelijke verklaring geven voor de aanwezigheid van zijn DNA.

De rechtbank oordeelde dat het bewezen was dat de verdachte de woninginbraak had gepleegd en kostbare goederen had weggenomen. Medeplegen werd niet vastgesteld vanwege gebrek aan bewijs voor nauwe samenwerking met anderen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €125.521 toegewezen aan de benadeelde partij, bestaande uit materiële schade aan luxe goederen. Een deel van de gevorderde schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank legde een schadevergoedingsmaatregel op, zodat de Staat de schadevergoeding kan incasseren. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van tien dagen bevolen vanwege het plegen van het nieuwe strafbare feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en betaling van €125.521 schadevergoeding met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/036196-26 en 21/001376-22 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1989 in [geboorteplaats 1] ,
adres: [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
12 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L. Rinsma;
  • de advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
in de periode van 3 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024 in [plaats 2] alleen of samen met een ander bij een woning heeft ingebroken en daar sieraden, horloges, tassen, manchetknopen en/of munten van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft weggenomen.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit. De advocaat
voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
Inleiding
In de periode van 3 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024 heeft een woninginbraak plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] in [plaats 2] . Uit forensisch onderzoek blijkt dat er, nadat op het dak voor de badkamer geklommen is, een draairaam van de badkamer open is gebroken en dat de dader via het opengebroken draairaam de woning is binnengekomen.
De politie heeft sporenonderzoek verricht. Er zijn verschillende DNA-sporen veiliggesteld en
onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat DNA van de verdachte op een deur van een ingemetselde kluis is aangetroffen. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het aantreffen van zijn DNA, anders dan dat hij zelf oppert dat door hem gebruikte handschoenen door anderen kunnen zijn meegenomen en dat zijn DNA zo, dus door toedoen van iemand anders, op de kluisdeur terecht kan zijn gekomen.
Betrokkenheid van verdachte
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of op grond van de bewijsmiddelen de
conclusie kan worden getrokken dat verdachte als dader betrokken is geweest bij de
inbraak van de woning te Huizen.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Het DNA-spoor van de verdachte
De woning is onderzocht door een forensisch onderzoeker en er is een veegspoor op de voorzijde van de kluisdeur aangetroffen. Het Maastricht Forensic Institute heeft dit veegspoor onderzocht op DNA-sporen. Uit het TMFI-onderzoek is gebleken dat de kans dat het aangetroffen DNA van de verdachte en twee onbekenden, niet verwante personen zijn, extreem veel waarschijnlijker is (LR: 1>1.000.000) dan de kans dat dit van drie onbekende personen is. Deze situatie schreeuwt om een uitleg van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij bij verschillende baantjes en werkzaamheden in en rondom zijn huis veel (werk)handschoenen heeft gebruikt. Deze handschoenen kunnen door anderen zijn meegenomen. Zodoende kan zijn DNA door toedoen van iemand anders op de kluisdeur terecht zijn gekomen, aldus de verdachte.
Het spoor is in het huis aangetroffen op de voorzijde van een kluisdeur, die in de muur gebouwd zat. Wanneer uitgegaan wordt van het alternatief scenario van de verdachte, dan zou een onbekende derde de woning zijn binnengegaan, terwijl hij handschoenen van de verdachte aan had of bij zich droeg. Vervolgens zou deze derde met de kluisdeur in aanraking zijn gekomen en zou zo een veegspoor met epitheel dat het DNA van de verdachte bevat op de kluisdeur hebben achtergelaten. De rechtbank vindt dit scenario onaannemelijk. De rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte geen enkele relatie/(ver)binding heeft met de woning waarin het DNA-spoor is aangetroffen en het DNA-spoor niet is aangetroffen op een makkelijk verplaatsbaar object, zoals bijvoorbeeld een sigaret of een blikje drinken. Het is om deze redenen niet aannemelijk dat zijn DNA buiten zijn aanwezigheid op de kluisdeur in de woning terecht is gekomen.
Gelet op de aard van het DNA-spoor (veegspoor met epitheel) en de plaats waar dat is aangetroffen, merkt de rechtbank het DNA-spoor aan als een daderspoor en daarom redengevend voor het bewijs dat de verdachte als dader betrokken is geweest bij de woninginbraak. De aanwezigheid van het aan de verdachte te linken veegspoor is een belastende omstandigheid voor het bewijs van de aan hem ten laste gelegde woninginbraak, terwijl de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van dat veegspoor met zijn DNA. De rechtbank acht gelet op het voorgaande, alles bijeen en in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat het de verdachte is geweest die de woninginbraak heeft gepleegd en daarbij kostbare goederen heeft weggenomen.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de advocaat van de verdachte dat, zelfs als zou kunnen worden vastgesteld dat de verdachte gedurende de woninginbraak in de woning aanwezig was, niet kan worden vastgesteld dat hij de buit heeft meegenomen. En dat het goed mogelijk is, dat iemand anders al voor de verdachte in de woning is geweest. Dit is namelijk niet wat de verdachte zelf heeft verklaard, zodat de rechtbank dit scenario als niet relevant terzijde schuift.
Is er sprake van medeplegen?
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met (een) medeverdachte(n) bij het plegen van het strafbare feit. Dat is het geval als sprake is van een gezamenlijke uitvoering of als de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit (anderszins) van voldoende gewicht is.
De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende, nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een andere dader niet is komen vast te staan, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt dat er sprake was van meerdere daders. Het enkele feit dat er een mengprofiel van de verdachte en twee onbekende personen is aangetroffen, maakt niet dat er sprake was van meerdere daders. De rechtbank kan niet vaststellen van wie de twee andere DNA-sporen afkomstig zijn en dus ook niet of dit afkomstig is van mededaders. De camerabeelden geven ook onvoldoende uitsluitsel over deze vraag.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de periode van 3 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024 te
Huizen in een woning, gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten
weten of tegen de wil van de rechthebbenden bevond,
meerdere (kostbare) sieraden, horloges, tassen, manchetknopen en munten, die geheel aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toebehoorden heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van
braak en inklimming;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert de volgende strafbare feit op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van
6 maanden, met aftrek van het voorarrest.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Dit is een vervelend en ernstig feit. Een woninginbraak maakt een forse inbreuk op de privacy en het veiligheidsgevoel van de slachtoffers. De verdachte is tijdens de vakantieperiode van de slachtoffers in de tuin en woning van de slachtoffers geweest, terwijl hij daar niets te zoeken had. Hij heeft daar raamkozijnen vernield, een ravage aangebracht in de slaapkamer en kostbare goederen meegenomen. Hij is het huis van de slachtoffers binnengedrongen, terwijl voor de slachtoffers hun huis bij uitstek de plek is waar zij zich veilig behoren te voelen. Dat is een nare ervaring, waar slachtoffers last van kunnen blijven houden. Ook zorgt dit soort criminaliteit voor gevoelens van angst en onveiligheid in de buurt. De verdachte heeft hier geen rekening mee gehouden, maar was kennelijk alleen uit op zijn eigen gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 10 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte in het verleden veroordeeld is voor vermogensfeiten. Daarnaast heeft de verdachte het bewezen verklaarde feit gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep van een andere veroordeling. De eerder opgelegde straf heeft kennelijk onvoldoende effect gehad om de verdachte ervan te weerhouden dit nieuwe feit te plegen. De rechtbank weegt dit strafverzwarend mee.
Strafkader
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor woninginbraak zonder recidive is drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De verdachte heeft vanaf 10 januari 2026 in uitleveringsdetentie gezeten en vanaf
3 februari 2026 in voorarrest. Deze tijd moet bij de uitvoering van de gevangenisstraf in mindering worden gebracht. De rechtbank weegt in strafverminderende zin mee dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank weegt strafverzwarend mee dat de waarde van de weggenomen goederen hoog is, de woninginbraak op een indringende manier in de nachtelijke uren gepleegd is en dat de verdachte een ravage heeft achtergelaten in de woning. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verdachte geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden is. Deze straf is lager dan de officier van justitie heeft geëist, omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van medeplegen en/of recidive.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft op 15 mei 2026 bij afzonderlijke beslissing de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde 1] heeft zich, ook namens haar partner [benadeelde 2] , gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van
€ 202.716,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Op de vordering is aangegeven dat een bedrag van € 51.039,00 al door de verzekering is vergoed.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de gevraagde vrijspraak. Subsidiair verzoekt de advocaat om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat de vordering te complex is om een concreet bedrag aan toe te wijze schade vast te kunnen stellen. Er ontbreken facturen en er moet rekening gehouden worden met de dagwaarde van de sieraden en horloges.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade ten aanzien van het horloge van het merk Patek Philippe ter waarde van € 79.650,00 (nummer 3 op de goederenlijst), het collier van het merk Van Cleef & Arpels ter waarde van € 69.500,00 (nummer 7 op de goederenlijst), de armband van het merk Van Cleef & Arpels ter waarde van € 15.000,00 (nummer 8 op de goederenlijst), de ring van het merk BVLGARI ter waarde van € 7.460,00 (nummer 10 op de goederenlijst) en de tas van het merk Dior ter waarde van € 4.950,00 (nummer 16 op de goederenlijst) is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor de gevorderde bedragen. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe. Hierbij brengt de rechtbank het door de verzekering al vergoede bedrag van € 51.039,00 in mindering. De rechtbank hanteert geen afschrijvingspercentage, omdat dit soort luxe goederen doorgaans niet in waarde dalen.
De rechtbank stelt vast dat de factuur in bijlage 4 van de vordering niet goed leesbaar is, op een buitenlandse valuta ziet en het bedrag op de factuur niet overeenkomt met één van de bedragen in de goederenbijlage. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Van de overige goederen die op de goederenlijst staan zijn geen facturen overgelegd en de advocaat van de verdachte heeft de vordering tot vergoeding van deze schadeposten betwist. Gelet op deze betwisting is de rechtbank van oordeel dat ook dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dit leidt tot een te grote belasting in deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is ten aanzien van dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Conclusie
De rechtbank zal de gevorderde schade gedeeltelijk toewijzen en zal de verdachte veroordelen tot betaling van een bedrag van € 125.521,00 (€ 79.650,00 + € 69.500,00 +
€ 15.000,00 + € 7.460,00 + € 4.950,00 - € 51.039,00). Dit bedrag bestaat uit materiële schade en wordt vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling.
Proceskosten
Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 125.521,00 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 21/001376-22 op 7 mei 2024 onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen opgelegd, met een proeftijd van twee jaar.
Het Openbaar Ministerie heeft op 14 april 2026 de rechtbank gevorderd deze voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.
7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen gelet op de gevraagde vrijspraak. Daarnaast is bij de zaak met parketnummer 21/001376-22 sprake van een pleegdatum van vijf jaar geleden en gaat het om een heel ander soort feit dan de zaak met parketnummer 16/036196-26.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe omdat, zoals blijkt uit dit vonnis, de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarom gelasten dat de voorwaardelijke gevangenisstraf geheel ten uitvoer wordt gelegd.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1]
  • wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 125.521,00 bestaande uit materiële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat
€ 125.521,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 365 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 21/001376-22)
  • wijst de vordering toe;
  • gelast de tenuitvoerlegging van de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van
7 mei 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.C.P. Christoph, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. L.R.H. Koekoek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Belhadi als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Mrs. T.C.P. Christoph en J.F. Haeck zijn verhinderd dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024 te
Huizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
in een woning, gelegen aan de [adres 2] , alwaar hij, verdachte, zich buiten
weten of tegen de wil van de rechthebbende(n) bevond,
meerdere (kostbare) sieraden, horloges, tassen, manchetknopen en/of munten, in
elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk
geval aan een ander toebehoorden heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van
braak, verbreking en/of inklimming;
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Zij deed aangifte namens slachtoffer [benadeelde 1] geboren op [geboortedatum 2] 1970 te [geboorteplaats 2] , [adres 2] te [plaats 2] .
Verklaring
Op 6 augustus 2024 omstreeks 10:00 uur werd ik gebeld door [benadeelde 1] . Zij vroeg aan mij of ik langs haar woning wilde gaan want er zouden inbraakalarmen afgegaan zijn. Op de veiligheidscamera bij het hek aan de voorzijde van de woning was er een persoon te zien die geheel in het donker gekleed was. Op diezelfde dag omstreeks 12:15 uur kwam ik aan op de [adres 2] te [plaats 2] . Ik zag dat de middelste twee ramen open stonden. Toen schrok ik en wist ik dat het fout was. [2] Ik zag bij alle zes de ramen dat er beschadigingen zaten. Toen liep ik naar boven en keek naar de badkamer. Ik zag dat de badkamer deur openstond. Ik zag voor het bad op de grond meerdere flesjes parfum en shampoo liggen. Ik keek naar de ramen en zag gelijk beschadigingen op het hout. Ik zag dat het hout gespleten was. Ik zag dat de zwarte deurklink nog op slot stond. Ik zag de sleutel er nog in zitten. De ramen zijn gemaakt van dubbelglas. Het glas was niet beschadigd. Toen ben ik doorgelopen naar de grote slaapkamer. Ik zag aan de linkerzijde, in de inloopkast, een kleding ravage. Toen draaide ik mij om en ik zag een kluis rechts naar het bed. Ik zag dat de witte kluisdeur openstond. Ik zag dat de kluis in de muur was gebouwd. Ik zag dat het gips van de muren af was en het slot krom was. Ik zag voor de kluis pasjes en andere papieren liggen. Ik zag in de kluis een paspoort en nog wat andere papieren. [3]
Een proces-verbaal van aanvullend verhoor van [benadeelde 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 13 augustus 2024 om 13:00 uur kwam mevrouw [benadeelde 1] aan het bureau te Huizen. Zij kwam hier om een goederenlijst met gestolen goederen, afkomstig uit haar woning, te overhandigen. [4]
Een geschrift, te weten een goederenlijst, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Schade-specificatie
naam en schade-nummer [nummer]
diefstal
#
artikel
Merk + type/model
Registratie-
nummer
Bewijs
Aankoopdatum
Aankoopbedrag
1
horloges
IWC Portuguese Automatic goud
#2691214
Service bewijs
2001
€ 12.500,00
2
WC Portugieser Perpetual Calender rose goud
#IW503401/6011245
garantie bewijs
2014
€ 42.000,00
3
Patek Phillipe 5905%-001 42mm rose goud
#7491778/6553125
Echtheids- certificaat en factuur
20 oktober 2022
€ 79.650,00
4
Baume&Mercier Hampton mill set
#3249893
factuur
€ 6.641,00
5
Seiko dames horloge
NTB
6
Dames horloge goud
NTB
7
Collier
Van Cleef&arpels Rose goud, nacre gris, diamanten, sautoir vintage alhambra 20 motifs
#JC248355
factuur
1 augustus 2023
€ 69.500,00
8
Armband
Van Cleef&arpels Rose goud, nacre gris, diamanten, sautoir vintage alhambra 5 motifs
#JF318931
factuur
1 september 2023
€ 15.000,00
9
Armband
2 keer
NTB
10
Ring
Bulgari wit goud Coriandoli 2 bands
#337453
factuur
3 september 2018
€ 7.460,00
11
Ring
Goud plus diamant
€ 6.641,00
12
Diverse oud goud
NTB
13
Steen
Tanzaniet
NTB
14
15
Rugzak
€ 89,00
16
Tas
Dior Sadlebag plus band
factuur
1 augustus 2023
€ 4.950,00
17
18
Manchet
knopen
Bulgari
€ 450,00
19
Bulgari
€ 3.900,00
20
Munten
Zilveren guldens, ducaten, gouden tientjes, speciale uitgiften etc.
€ 5.000,00
21
22
Totaal
€ 253.755,00
Een proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 2] [plaats 2] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 7 augustus 2024 om 08:55 uur kwam ik, naar aanleiding van een gekwalificeerde diefstal in/uit woning, voor forensisch onderzoek aan op de locatie
[adres 2] , [postcode] [plaats 2] .
Forensisch onderzoek
Bevindingen
Ik zag op de voorzijde van de kluisdeur veegsporen, mogelijk van handschoenen. [5] De veegsporen werden door mij met de swabmethode bemonsterd op de aanwezigheid van
biologische sporen en veiliggesteld voor eventueel aanvullend onderzoek, SIN AASC0362NL.
Overzicht veiliggestelde sporen
De hierna omschreven sporen werden gewaarmerkt en op de daartoe geschikte wijze
veiliggesteld.
Biologische spoor [6]
Spoornummer
PL0900-2024247917-207636
SIN
AASC0362NL
Spooromschrijving
Epitheel
Wijze veiligstellen
Wattenstaafje
Datum/tijd veiligstellen
7 augustus 2024 om 10:33 uur
Plaats veiligstellen
Voorzijde kluisdeur
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 11 september 2024 ontving ik de resultaten van het TMFI. Daarin las ik
dat op het spoor, Voorzijde kluisdeur AASC0362NL, een DNA profiel is afgeleid. [7]
Een rapport Forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 26 augustus 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
4. Interpretatie DNA-resultaten
De resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek zijn weergegeven in Tabel 2.
Tabel 2 – Resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek [8]
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van DNA
Voorzijde kluisdeur
AASC0362NL
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal drie donoren,
van wie zeker één man.
Er is een DNA-mengprofiel afgeleid van twee personen.
De additionele DNA-kenmerken van de minder prominent aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.
[verdachte]
(DNA-mengprofiel)
6. Berekening van de bewijskracht
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van [verdachte] REX344 in de bemonstering AASC0362NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee onbekende personen.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van drie onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
De berekening is uitgevoerd onder de aanname dat de (onbekende) personen niet aan elkaar verwant zijn, noch verwant zijn aan een persoon genoemd in de hypothesen.
Er wordt gebruik gemaakt van populatie data gepubliceerd door A.A. Westen et al. Forensic Science International: Genetics 10 (2014) 55–63 en van de volgende reeks waarschijnlijkheidstermen met bijbehorende likelyhood ratio interval: [9]
Ongeveer even waarschijnlijk
1
Iets waarschijnlijker
1-10
Waarschijnlijker
10-100
Veel waarschijnlijker
100-10.000
Zeer veel waarschijnlijker
10.000-1.000.000
Extreem veel waarschijnlijker
>1.000.000

Voetnoten

2.Pagina 11.
3.Pagina 12.
4.Pagina 23.
5.Pagina 56.
6.Pagina’s 58 en 59.
7.Pagina 60.
8.Pagina 63.
9.Pagina 64.