ECLI:NL:RBMNE:2026:292

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/16/25/236F
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 lid 3 FwArt. 91 FwArt. 106 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van inbewaringstelling bestuurder wegens niet-nakoming faillissementsverplichtingen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 12 januari 2026 een beschikking gegeven over de verlenging van de inbewaringstelling van de bestuurder van een failliete besloten vennootschap. De bestuurder was niet verschenen op een inlichtingenverhoor en had niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de Faillissementswet, waaronder het aanleveren van informatie aan de curator. De rechtbank constateert dat voortduring van de inbewaringstelling noodzakelijk is om de bestuurder tot nakoming te dwingen.

De bestuurder had vanaf 2023 particuliere schuldeisers benadeeld door aanbetalingen voor bouwwerkzaamheden te accepteren zonder deze uit te voeren. Ondanks eerdere waarschuwingen en een eerder ingetrokken bevel tot inbewaringstelling, bleef hij zijn verplichtingen negeren en probeerde hij het land te verlaten. De rechtbank acht de inbewaringstelling gerechtvaardigd vanwege de ernst van de situatie en de belangen van de schuldeisers.

Tegelijkertijd schorst de rechtbank de verlenging van de inbewaringstelling onder strikte voorwaarden, waaronder het binnen twee weken verstrekken van alle gevraagde informatie en het in bewaring geven van het paspoort. De curator zal de rechtbank uiterlijk 30 januari 2026 informeren over de medewerking van de bestuurder. Indien de bestuurder niet aan de voorwaarden voldoet, wordt de schorsing opgeheven en de inbewaringstelling voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de inbewaringstelling van de bestuurder en schorst deze onder voorwaarden om medewerking af te dwingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/25/236 F
Beschikking op grond van artikel 87 lid 3 Fw Pro (verlenging inbewaringstelling)
d.d. 12 januari 2026
Bij vonnis van deze rechtbank van 13 mei 2025 is in staat van faillissement verklaard:
de besloten vennootschap
[gefailleerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: gefailleerde.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 december 2025 is de inbewaringstelling bevolen van:
de heer
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] (Marokko),
thans met onbekende woon- of verblijfplaats,
hierna: [betrokkene] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
  • de voordracht tot inbewaringstelling van de curator van 26 november 2025,
  • het bevel tot inbewaringstelling van 3 december 2025.
1.2.
Op 9 januari 2026 is [betrokkene] gehoord op het bevel tot inbewaringstelling. Daarbij is mr. N. Elferink namens de curator verschenen.

2.De kern van de zaak

2.1.
In deze beslissing wordt vastgesteld dat er voldoende gronden zijn die de voortduring van de inbewaringstelling rechtvaardigen. [betrokkene] heeft verschillende waarschuwingen gehad. [betrokkene] komt zijn uit de Faillissementswet voortvloeiende verplichtingen niet na. Voortduring van de inbewaringstelling is de enige mogelijkheid om hem tot nakoming van zijn verplichtingen te dwingen. Andere middelen hebben immers niet dit effect gehad. [betrokkene] is niet verschenen op een inlichtingenverhoor bij de rechter-commissaris en heeft ook naar aan leiding van een eerder gegeven en later ingetrokken bevel tot inbewaringstelling niet aan zijn verplichtingen voldaan. [betrokkene] heeft verschillende particuliere schuldeisers gedupeerd door vanaf 2023 aanbetalingen voor bouwwerkzaamheden aan te nemen, zonder de werkzaamheden daadwerkelijk af te ronden.
2.2.
De inbewaringstelling zal echter worden geschorst, omdat de curator er vertrouwen in heeft dat [betrokkene] tijdens een schorsing alsnog aan zijn verplichtingen zal voldoen. In verband hiermee worden enkele voorwaarden gesteld.

3.De beoordeling

3.1.
Op 13 mei 2025 is het faillissement uitgesproken van gefailleerde. De bestuurder van gefailleerde is [bedrijf] B.V. De bestuurder van de holding is de heer [betrokkene] .
3.2.
Op 2 juli 2025 heeft een verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. [betrokkene] is daarbij niet verschenen. Vervolgens heeft de rechtbank, naar aanleiding van een voordacht van de curator, op 8 juli 2025 de inbewaringstelling van [betrokkene] bevolen. Op 11 juli 2025 werd dit bevel op verzoek van de curator ingetrokken. Vervolgens heeft de curator op 26 november 2025 opnieuw gevraagd om de inbewaringstelling van [betrokkene] . Dit bevel is gegeven op 3 december 2025.
3.3.
Op grond van dit bevel is [betrokkene] in verzekerde bewaring gesteld op 8 januari 2026, toen hij via Schiphol probeerde Nederland te verlaten.
3.4.
Op grond van artikel 106 Fw Pro is [betrokkene] , als bestuurder van gefaileerde verplicht voor de curator en rechter-commissaris te verschijnen om inlichting te verschaffen. Verder is in de artikelen 91 en 106 Fw bepaald dat [betrokkene] het land niet mag verlaten. [betrokkene] houdt zich niet aan deze verplichtingen. [betrokkene] heeft van de curator een lijst gekregen met informatie die hij moet aanleveren. De gevraagde informatie is, ondanks tijdsverloop, verschillende toezeggingen van [betrokkene] en een verhoor bij de rechter-commissaris, nog altijd niet door de curator ontvangen.
3.5.
De schending van [betrokkene] van zijn uit de Faillissementswet voortvloeiende verplichtingen, rechtvaardigen de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op zijn persoonlijke vrijheid. Nog niet alle gevraagde informatie die bij de boekhouder aanwezig is, is aan de curator gegeven. Daarnaast is van belang dat [betrokkene] , die op dit moment (nog) geen vaste woonplaats heeft, op het punt stond Nederland te verlaten. Verder is van belang dat bij de curator schuldeisers bekend zijn met vorderingen van in totaal meer dan € 440.000, waaronder in ieder geval 17 particulieren die bij gefailleerde aanbetaling hebben gedaan voor bouwwerkzaamheden, maar niet of slechts deels geleverd hebben gekregen. Dit speelt al vanaf 2023. Van [betrokkene] mag worden verwacht dat hij verantwoording aflegt aan de curator, zodat die de oorzaken van het faillissement kan vaststellen en hierover aan de gedupeerden verslag kan doen.
3.6.
De rechtbank ziet echter redenen om de verlenging van de inbewaringstelling voorwaardelijk te schorsen. Hierbij is van belang dat namens de curator ter zitting is verklaard dat hij verwacht dat [betrokkene] van de uitvoering van het bevel tot inbewaringstelling zodanig onder de indruk is, dat hij nu wel aan zijn verplichtingen gaat voldoen.
3.7.
De voorwaarden voor de schorsing van de inbewaringstelling zijn als volgt:
3.7.1.
[betrokkene] zal binnen twee weken na vandaag, dus uiterlijk op 23 januari 2026, aan de curator alle gevraagde inlichtingen geven, waaronder in ieder geval de bij de boekhouder van [gefailleerde] B.V. aanwezige informatie;
3.7.2.
[betrokkene] geeft gedurende twee weken zijn paspoort in bewaring aan de curator;
3.8.
Zodra [betrokkene] niet meer aan deze voorwaarden voldoet, zal de schorsing van de inbewaringstelling opgeheven worden en de daarbij horende gevolgen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beveelt dat de inbewaringstelling van:
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1982, thans zonder vaste woon- of verblijfplaats
tot 6 februari 2026 zal voortduren;
4.2.
beveelt de schorsing van de inbewaringstelling onder de volgende voorwaarden:
- [betrokkene] zal binnen twee weken na vandaag, dus uiterlijk op 23 januari 2026, aan de curator alle gevraagde inlichtingen geven, waaronder in ieder geval de bij de boekhouder van [gefailleerde] B.V. aanwezige informatie;
- [betrokkene] geeft gedurende twee weken zijn paspoort in bewaring aan de curator;
4.3.
bepaalt dat de curator de rechtbank uiterlijk op 30 januari 2026 informeert over de medewerking van [betrokkene] aan de afwikkeling van het faillissement.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt op 12 januari 2026.