Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2959

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6867
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente Baarn tot vergoeding proceskosten wegens overschrijding beslistermijn urgentieverklaring

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn omdat het college niet tijdig had beslist op haar aanvraag voor een urgentieverklaring. Nadat het college alsnog een besluit nam, trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar het college heeft niet gereageerd. De rechtbank concludeert dat het college geen bezwaar heeft tegen vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat het college de beslistermijn heeft overschreden door pas op 15 januari 2026 te beslissen op een aanvraag van 30 juni 2025. Op grond hiervan veroordeelt de rechtbank het college tot betaling van proceskosten aan verzoekster, bestaande uit een forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand en het griffierecht.

De vergoeding voor rechtsbijstand bedraagt €467,-, gebaseerd op een factor 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak, en het griffierecht van €194,- wordt eveneens vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok en griffier F.J. Attema op 29 mei 2026.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Baarn wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6867

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
2. Het college heeft alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.
4. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling, omdat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
7. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. De rechtbank overweegt dat het college op 21 oktober 2025 een ingebrekestelling van verzoekster heeft ontvangen. Op 29 november 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
8. Het college heeft op 15 januari 2026 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Omdat het college pas op 15 januari 2026 een besluit heeft genomen op de aanvraag van 30 juni 2025, heeft het college de beslistermijn overschreden.
9. Het college heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster om proceskostenvergoeding. Hieruit leidt de rechtbank af dat het college geen bezwaar heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
10. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.
11. Verder is het college verplicht om het door verzoekster betaalde griffierecht van
€ 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. [3]

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.