Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2964

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/16/606613 / JE RK 26-173
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 lid 1 BWArt. 1:259 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 265 RvArt. 270 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en beoordeling perspectiefbesluit minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 1 mei 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en de beoordeling van het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI).

De minderjarige verblijft sinds april 2025 in een pleeggezin en de GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat het kind niet meer bij de moeder zal opgroeien. De moeder en vader zijn het niet eens met dit besluit en wensen een uitgebreid perspectiefonderzoek. De moeder is inmiddels bereid mee te werken aan het 2thepoint-traject, dat nog niet is gestart.

De rechtbank oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moet worden tot 16 april 2027, maar het perspectiefbesluit van de GI niet onderschrijft omdat het 2thepoint-traject nog kan starten en de aanvaardbare termijn voor onzekerheid bij de minderjarige nog niet is verstreken. De verzoeken van de moeder tot beëindiging van de ondertoezichtstelling en machtiging worden afgewezen. De GI wordt niet vervangen vanwege continuïteit en het belang van het kind.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 16 april 2027 en wijst het perspectiefbesluit van de GI af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/606613 / JE RK 26-173
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.P. Rietveld,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
verblijvende in de penitentiaire inrichting in [plaats] ,
advocaat mr. L. Rijsdam uit,
de pleegouders van [minderjarige],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 april 2026 al eerder beslissingen genomen in deze zaak. Voor het eerdere procesverloop tot die datum verwijst de rechtbank naar die beschikking.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • de brief van de GI met bijlagen van 17 april 2026;
  • het bericht van de GI met bijlage van 30 april 2026.
1.3.
Op 1 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
- [A.] en [B.] , namens de GI;
- de pleegouders.
1.4.
De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen en dat er beveiligd vervoer voor de vader beschikbaar was. De vader heeft hier geen gebruik van gemaakt.
1.5.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting pleitaantekeningen overgelegd en die voorgelezen. Na de zitting heeft de rechtbank de pleitaantekeningen aan het digitaal dossier toegevoegd.
1.6.
De rechtbank heeft direct na de mondelinge behandeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De vader is sinds begin januari 2025 gedetineerd.
2.3.
[minderjarige] verblijft sinds 17 april 2025 in een (perspectief biedend) pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 april 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 3 april 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 16 april 2027.
2.5.
Bij beschikking van 16 april 2025 is daarnaast een machtiging uithuisplaatsing van
[minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 16 januari 2026. De machtiging uithuisplaatsing is daarna verlengd, voor het laatst bij beschikking van 3 april 2026. De kinderrechter heeft de machtiging toen verlengd tot 16 juni 2026 en de beslissing over een verdere verlenging aangehouden.

3.De verzoeken

3.1.
De rechtbank moet nog een beslissing nemen op het aangehouden verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 16 april 2027. Daarnaast verzoekt de GI om haar besluit over het opgroeiperspectief van [minderjarige] te beoordelen.
3.2.
Verder dient de rechtbank nog een beslissing te nemen op het verzoek van de moeder in haar verweerschrift van 2 april 2026 om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen en anders een andere GI te benoemen.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige] niet meer bij de moeder thuis zal opgroeien, maar in het pleeggezin. Zij heeft dit op 6 maart 2026 in een brief aan de moeder meegedeeld. De GI wilde sinds de start van de uithuisplaatsing van [minderjarige] in april 2025 een perspectiefonderzoek laten doen voor alle nog minderjarige kinderen van de moeder. De GI vond een perspectiefonderzoek nodig om te kijken of de kinderen, waaronder [minderjarige] , weer teruggeplaatst zouden kunnen worden bij de moeder en wat daarvoor nodig is. De moeder wilde hier niet aan meewerken. Inmiddels is volgens de GI de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] om in onzekerheid over haar opgroeiperspectief te verkeren, verstreken.
4.2.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI en het door de GI genomen perspectiefbesluit. Zij vindt dat uit de omgangsverslagen volgt dat zij beschikt over voldoende opvoedkwaliteiten en dat zij een responsieve opvoeder is, die emotioneel en praktisch beschikbaar is. De moeder heeft de gebeurtenissen met haar ex-partner (de vader van haar andere kinderen) de afgelopen jaren een plek kunnen geven en voelt zich inmiddels veilig in haar nieuwe woning. Met de hulp van opvoedondersteuning is de moeder op dit moment voldoende in staat om [minderjarige] veilig en goed te laten opgroeien. Verder is de moeder van mening dat het perspectiefbesluit van de GI onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is de aanvaardbare termijn volgens haar nog niet verstreken. Bovendien wil de moeder graag meewerken aan een perspectiefonderzoek. Dat onderzoek is nu ook mogelijk, doordat het perspectiefonderzoek voor [minderjarige] , anders dan voorheen, nu afzonderlijk van de andere kinderen kan plaatsvinden.
4.3.
De vader is van mening dat de GI het perspectiefbesluit te snel en onzorgvuldig heeft genomen. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is nog niet verstreken. Voordat een beslissing kan worden genomen over het opvoedperspectief van [minderjarige] , zal eerst uitgebreid onderzoek moeten worden gedaan. De moeder wil hieraan meewerken, dus zij zal de kans moeten krijgen om te laten zien dat zij de zorg voor [minderjarige] kan dragen.
4.4.
De pleegouders willen graag dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over haar opvoedperspectief. Zij staan open voor uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder, mits dit praktisch haalbaar blijft voor de pleegouders.

5.De beoordeling

Relatieve bevoegdheid
5.1.
De rechtbank zal deze zaak niet verwijzen naar een andere rechtbank en legt dat hieronder uit.
5.2.
In zaken betreffende minderjarigen is de rechter van de woonplaats van een kind bevoegd om een beslissing te nemen. [1] De woonplaats van een kind is dezelfde als de woonplaats van de persoon die het gezag over dat kind uitoefent. [2] Als ouders gezamenlijk het gezag over een kind uitoefenen, volgt het kind de woonplaats van de ouder waar zij het laatst feitelijk heeft verbleven.
5.3.
In het geval van [minderjarige] volgt zij de woonplaats van de moeder. Vanwege de verhuizing van de moeder is deze woonplaats veranderd en is de kinderrechter in de rechtbank van het arrondissement waartoe die woonplaats behoort, bevoegd deze zaak te behandelen. In de wet is bepaald dat de rechter de zaak dan verwijst naar de bevoegde rechtbank, tenzij alle partijen aangeven geen verwijzing te wensen. Tijdens de mondelinge behandeling van 3 april 2026 hebben alle partijen aangegeven dat zij geen verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank wensen, waardoor de kinderrechter van verwijzing naar een andere rechtbank heeft afgezien. [3]
De beslissing
5.4.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 16 april 2027. De rechtbank zal het besluit van de GI dat [minderjarige] in het pleeggezin zal opgroeien niet onderschrijven. Verder zal zij de verzoeken van de moeder afwijzen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
De toelichting
5.5.
De GI heeft het perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien, maar in het pleeggezin. Aan dit besluit ligt geen perspectiefonderzoek ten grondslag, omdat de moeder hieraan langere tijd niet heeft willen meewerken. Inmiddels is de moeder bereid om mee te werken aan een 2thepoint-traject, maar is volgens de GI de aanvaardbare termijn die de Raad in het rapport van 28 februari 2025 heeft bepaald, verstreken. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat de aanvaardbare termijn is gebaseerd op algemene richtlijnen. Verder ziet de GI in het concrete geval van [minderjarige] dat zij zich begint te hechten aan het pleeggezin. Tijdens omgangsmomenten met de moeder zoekt zij namelijk vooral troost bij de pleegvader en initieert zij geen fysiek contact met de moeder.
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat het ouderlijk gezag onder de reikwijdte van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) valt. Uit het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) kan worden afgeleid dat de rechter bij het beoordelen van verzoeken tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, en in het verlengde daarvan het perspectiefbesluit, moet toetsen of er voldoende inspanningen worden verricht om toe te werken naar een terugplaatsing, en om aldus waar mogelijk een langere uithuisplaatsing en eventueel een gezagsbeëindigende maatregel te voorkomen. [4]
5.7.
Kinderen hebben recht op continuïteit in hun opvoedingssituatie, wat in het Nederlandse recht is vastgelegd in het uitgangspunt dat uithuisgeplaatste kinderen slechts gedurende een beperkte tijd – de zogenoemde aanvaardbare termijn - en niet langer, kunnen verdragen dat onzeker is waar zij zullen opgroeien. De rechtbank stelt voorop dat voor jonge kinderen over het algemeen geldt dat zij ongeveer een jaar onduidelijkheid over hun opgroeiperspectief kunnen verdragen. Tegelijkertijd is het bepalen van de aanvaardbare termijn maatwerk en zal per kind moeten worden bekeken wat een langere onzekerheid over het perspectief voor diens ontwikkeling betekent. Voor [minderjarige] geldt dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn dat het schadelijk zal zijn voor haar ontwikkeling als het langer duurt voordat haar opvoedperspectief duidelijk is. De stukken en verklaringen tijdens de mondelinge behandeling bevestigen dat [minderjarige] een vrolijk en lief kind is en dat zij geniet van de omgangsmomenten met de moeder. Zij ontwikkelt zich binnen het pleeggezin positief en vertoont geen signalen waaruit blijkt dat zij last of onzekerheid ondervindt van de onduidelijkheid over haar toekomstperspectief. Tijdens en na de omgangsmomenten is [minderjarige] verder niet ontregeld en vertoont zij geen ander of afwijkend gedrag
.Dat [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten meer naar de pleegouders toe trekt, is begrijpelijk omdat zij al een langere periode dagelijks door hen wordt verzorgd. Dit is op zichzelf geen duidelijke aanwijzing dat de aanvaardbare termijn is verstreken.
5.8.
Het is in lijn met de hiervoor onder 5.6. omschreven inspanningsverplichting zoals die voortvloeit uit het EVRM om gebruik te maken van de omstandigheid dat het 2thepoint-traject voor [minderjarige] binnen korte termijn alsnog kan starten. De uitkomsten van dat traject kunnen dan worden meegenomen in de beoordeling waar het perspectief van [minderjarige] ligt en of een terugplaatsing mogelijk is. Om deze reden kan de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI niet onderschrijven.
5.9.
Tegelijkertijd ziet de rechtbank op dit moment ook geen mogelijkheden voor een directe terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Uit het Raadsrapport blijkt dat er lange tijd grote zorgen zijn geweest over de dynamiek binnen het gezin van de ouders. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing heeft de moeder jarenlang huiselijk geweld meegemaakt met haar ex-partner en heeft zij in angst geleefd voor zijn bedreigingen. Vanwege de spanningen en de zorg voor meerdere kinderen, raakte de moeder overbelast en was zij niet voldoende emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . Hoewel de situatie inmiddels is veranderd, zijn nog niet alle zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder weggenomen. De moeder heeft wel verschillende praktische zaken geregeld, zoals een rijbewijs, de huisarts en een eigen woning waar zij zich veilig voelt. Maar vanwege het uitblijven van het 2thepoint-traject is nog geen goed zicht gekomen op de opvoedvaardigheden van de moeder en haar mogelijkheid om aan te sluiten bij de emotionele behoeftes van [minderjarige] . Volgens [naam 1] bestaat al sinds 2018 een terugkerend patroon van verwaarlozing. Er zijn zorgen dat de moeder niet in staat is om structuur aan te brengen, nabijheid te bieden en te voorzien in de basale verzorging en opvoeding. Anders dan de moeder stelt, zijn deze zorgen niet allemaal voortgekomen uit de stress van het geweldsincident tussen de vader en de ex-partner van de moeder in 2025. Ook de jaren daarvoor waren deze zorgen zichtbaar en konden deze met hulpverlening onvoldoende worden weggenomen.
5.10.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [5] Het is belangrijk dat in de komende maanden het 2thepoint-traject kan plaatsvinden, zodat de opvoedsituatie en de opvoedvaardigheden van de moeder goed kunnen worden onderzocht. Naar aanleiding daarvan kan worden beoordeeld waar [minderjarige] het beste kan opgroeien.
5.11.
De rechtbank betreurt het dat het meer dan een jaar heeft geduurd voordat het 2thepoint-traject kan starten. Dit is ook te wijten aan de houding van de moeder. Zij heeft lang geweigerd om mee te werken aan iedere vorm van onderzoek, omdat zij vond dat duidelijk was dat het perspectief van [minderjarige] bij haar lag. De rechtbank vindt het positief dat de moeder uiteindelijk van mening is veranderd en inmiddels bereid is om mee te werken aan het 2thepoint-traject. Het is daarnaast positief dat de GI, na enige aansporing, actief heeft gezocht naar een mogelijkheid om dit onderzoek voor [minderjarige] afzonderlijk van de andere kinderen van de moeder te kunnen laten plaatsvinden. Nu dit mogelijk blijkt te zijn, kan het traject naar verwachting op korte termijn starten.
5.12.
De moeder stelt dat voor een gedegen perspectiefonderzoek een uitbreiding van de omgang noodzakelijk is. Zij zou graag de omgang willen uitbreiden naar momenten waar de pleegouders niet bij aanwezig zijn. Vervolgens zou zij willen uitbreiden naar onbegeleide omgang en daarna een opbouw in de duur. Nu de moeder geen formeel verzoek heeft ingediend over de zorgregeling, kan de rechtbank hier geen beslissing over nemen. De contactmomenten in het kader van het 2thepoint-traject zullen in overleg met de GI en de [naam 2] moeten plaatsvinden. Indien uit het 2thepoint-traject blijkt dat [minderjarige] na een opbouw van het contact weer bij de moeder kan gaan wonen, vertrouwt de rechtbank erop dat de GI hier op zal inzetten.
Vervanging GI
5.13.
De rechtbank zal de GI niet vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
5.14.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:259 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van – onder anderen – een met het gezag belaste ouder.
5.15.
De rechtbank overweegt dat een vervanging van de gecertificeerde instelling op dit moment niet in het belang is van [minderjarige] , omdat de huidige GI nauw betrokken is en het 2thepoint-traject op korte termijn kan starten. Door een overdracht naar een nieuwe gecertificeerde instelling zal het 2thepoint-traject naar verwachting opnieuw vertraging oplopen. Bovendien heeft de huidige GI op dit moment goed contact met de financieel verantwoordelijke gemeente Woerden en heeft zij recent de onduidelijkheden rondom de financiering van de jeugdhulp voor [minderjarige] opgelost. Het is daarom van belang dat de huidige GI betrokken blijft.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.16.
De rechtbank verklaart de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 16 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst de verzoeken van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. M.M.E. Manning, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
PSB

Voetnoten

1.Artikel 265 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Art. 1:12 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek.
3.Artikel 270 lid 1 Rv Pro.
4.EHRM 15 april 2025, Van Slooten/Nederland, 45644/18.
5.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.