Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2966

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/16/607858 / HA ZA 26-113
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incident oproepen in vrijwaring bij geschil over funderingspalen en tuinzakking

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding wegens verzakking van zijn tuin, die volgens hem het gevolg is van onvoldoende geplaatste funderingspalen door gedaagde. Gedaagde heeft in een incident verzocht om een derde partij, de heer A, in vrijwaring op te roepen. Deze derde partij zou volgens gedaagde een waarschuwingsplicht hebben geschonden door niet tijdig te waarschuwen dat de betonconstructie te zwaar was voor de draaipalen.

Eiser heeft geen verweer gevoerd tegen dit incident en laat de beslissing aan de rechtbank over. De rechtbank oordeelt dat de gronden van gedaagde voldoende zijn om de oproeping in vrijwaring toe te staan. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

De rechtbank bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak pas plaatsvindt nadat de heer A in de vrijwaring heeft geantwoord, en dat beide mondelinge behandelingen gelijktijdig zullen plaatsvinden. Dit vonnis is uitgesproken op 20 mei 2026 door rechter N.A.J. Purcell.

Uitkomst: De rechtbank wijst het incident tot oproeping in vrijwaring toe en bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak pas plaatsvindt na antwoord van de vrijwaring.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607858 / HA ZA 26-113
Vonnis in incident van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. W.J. de Vries,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring en conclusie van antwoord in de hoofdzaak van [gedaagde]
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1
[gedaagde] heeft funderingspalen (draaipalen) geplaatst in de tuin van [eiser] . Op die palen heeft een andere aannemer, de heer [A] , een betonnen terras gestort. Daarop is de tuin van [eiser] aangelegd. [eiser] stelt in de hoofdzaak dat zijn tuin is verzakt. Hij vordert schadevergoeding van [gedaagde] , omdat hij stelt dat [gedaagde] minder draaipalen heeft geadviseerd en geplaatst dan nodig waren om het gewicht van de tuin te kunnen dragen.
2.2
In dit incident vraagt [gedaagde] of zij [A] in vrijwaring mag oproepen. Volgens [gedaagde] heeft [A] vóór het storten van de betonvloer gesignaleerd dat de betonconstructie te zwaar werd voor de aanwezige draaipalen. Op [A] rustte daarom de verplichting om [eiser] tijdig, duidelijk en ondubbelzinnig te waarschuwen voor de risico’s. Door niet te controleren of de palen de betonvloer konden dragen, heeft [A] volgens [gedaagde] gehandeld in strijd met de op hem rustende waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW Pro.
2.3
[eiser] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering en laat de beslissing aan het oordeel van de rechtbank over.
2.4
De rechtbank zal de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring toewijzen. De door [gedaagde] aangevoerde gronden kunnen de vordering dragen.
2.5
De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, omdat in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd.

3.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
3.1
staat toe dat de heer [A] door [gedaagde] wordt gedagvaard tegen de rolzitting van
woensdag 17 juni 2026,
3.2
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3
bepaalt dat er pas een mondelinge behandeling wordt gepland als de heer [A] in de vrijwaring van antwoord heeft gediend en bepaalt dat de mondelinge behandeling in de hoofdzaak gelijktijdig zal plaatsvinden met de mondelinge behandeling in de vrijwaring.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
ES5403