Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2975

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/16/603657 / HA ZA 25-591
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 7:753 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis en afwijzing ontbinding aannemingsovereenkomst dak

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor dakwerkzaamheden. De opdrachtgever stelde dat hij de overeenkomst rechtsgeldig had ontbonden wegens tekortkomingen en vorderde schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van rechtsgeldige ontbinding omdat de aannemer niet in verzuim was gesteld en nakoming niet blijvend onmogelijk was.

De rechtbank vernietigt het verstekvonnis dat de vorderingen van de opdrachtgever deels toewijst. In reconventie wordt vastgesteld dat de opdrachtgever de overeenkomst eenzijdig heeft opgezegd en dient hij de resterende aanneemsom minus bespaarde kosten te betalen, een bedrag van €14.254,76.

Proceskosten worden aan de opdrachtgever opgelegd. De rechtbank wijst de vorderingen tot schadevergoeding af en veroordeelt de opdrachtgever tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten en het af te rekenen bedrag vanaf de datum van aanzegging. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd; de ontbinding wordt afgewezen en de opdrachtgever moet een bedrag van €14.254,76 betalen wegens eenzijdige opzegging.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/603657 / HA ZA 25-591
Vonnis in verzet van 20 mei 2026
in de zaak van
[geopposeerde],
te [woonplaats] ,
oorspronkelijk eisende partij,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
advocaat: mr. T. Abbo,
tegen
[opposante] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in verzet,
hierna te noemen: [opposante] ,
advocaat: mr. L.A. de Haan.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van 24 september 2025,
- de verzetdagvaarding van 28 november 2025,
- de conclusie van antwoord in oppositie van 21 januari 2026,
- de akte met aanvullende productie 14 aan de zijde van [opposante] ,
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026 waar door de griffier aantekeningen van zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten ten aanzien van het dak van [geopposeerde] . [geopposeerde] meent dat hij de overeenkomst – in verband met een toerekenbare tekortkoming aan de kant van [opposante] – rechtsgeldig heeft ontbonden en vordert schadevergoeding. In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [geopposeerde] gedeeltelijk toegewezen, waarna [opposante] verzet heeft ingesteld. Met [opposante] is de rechtbank van oordeel dat [geopposeerde] de overeenkomst niet heeft ontbonden, maar eenzijdig heeft opgezegd. [geopposeerde] moet als gevolg hiervan een bedrag van € 14.254,76 aan afrekening betalen. De vordering in reconventie wordt in zoverre dus toegewezen. Het voorgaande betekent ook dat het verstekvonnis wordt vernietigd. Dit wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

3.1
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld. Als onweersproken staat namelijk vast dat [opposante] pas op 4 november 2025 op de hoogte is geraakt van het verstekvonnis, toen executoriaal beslag werd gelegd op haar zakelijke rekening. [opposante] heeft hierna binnen vier weken haar verzetdagvaarding laten betekenen (28 november 2025).
In conventie
Er is geen sprake van rechtsgeldige ontbinding door [geopposeerde]
3.2
Anders dan [geopposeerde] stelt, is de aannemingsovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank niet rechtsgeldig ontbonden op 8 april 2025. Voor ontbinding (artikel 6:265 BW Pro) moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, moet er bovendien sprake zijn van verzuim (artikel 6:74 lid 2 BW Pro). Verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld met een schriftelijke aanmaning waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Van verzuim aan de kant van [opposante] is echter geen sprake.
3.3
[opposante] is begin maart 2025 begonnen met de dakrenovatie. [geopposeerde] heeft na enige tijd aan bouwkundige [A] (hierna: [A] ) opdracht gegeven om de kwaliteit van het tot dusver uitgevoerde werk te onderzoeken. [A] bracht op 25 maart 2025 zijn rapport uit. Uit dat rapport volgt dat in ieder geval een aantal werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. Uit het rapport volgt ook dat partijen afspraken dat [opposante] het dak naar behoren zou uitvoeren. [A] zou bij de oplevering weer langskomen om het werk te controleren. In het rapport zijn partijen hiervoor geen termijn overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat [geopposeerde] zich in zijn brief van 8 april 2025 dan ook ten onrechte beroept op de ‘overeengekomen’ termijn van uiterlijk 4 april 2025. Niet is komen vast te staan dat partijen deze termijn zijn overeengekomen. Dat partijen inderdaad geen termijn zijn overeengekomen, heeft [geopposeerde] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend.
3.4
Het voorgaande betekent dat [opposante] niet in gebreke is gesteld en dus ook niet in verzuim is. Dit is alleen anders als er sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 6:83 BW Pro (verzuim zonder ingebrekestelling), maar ook dit is niet komen vast te staan. [geopposeerde] heeft weliswaar gesteld dat [opposante] op 4 april 2025 zelf is gestopt met de werkzaamheden en hierna is vertrokken (mogelijke artikel 6:83 sub c BW Pro situatie), maar [opposante] heeft dit gemotiveerd betwist. Zo heeft [opposante] drie verklaringen van de op die dag aanwezige medewerkers overgelegd die dit tegenspreken. De rechtbank gaat voorbij aan het algemene bewijsaanbod van [geopposeerde] tot het doen horen van [A] en de heer [B] (derde die na [opposante] werkzaamheden aan het dak heeft verricht). Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk komen vast te staan dat beiden niet aanwezig waren op 4 april 2025. Het bestaan van een overige artikel 6:83 BW Pro situatie is niet gesteld of gebleken.
3.5
Het voorgaande betekent dat [geopposeerde] de overeenkomst op 8 april 2025 niet rechtsgeldig heeft ontbonden. [geopposeerde] heeft dan ook geen recht op de in het verstekvonnis toegewezen schadevergoeding. Het verstekvonnis wordt daarom vernietigd.
[geopposeerde] moet de proceskosten betalen
3.6
[geopposeerde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [opposante] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
Totaal
5.575,00
3.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
[geopposeerde] heeft de overeenkomst eenzijdig opgezegd
3.8
De rechtbank is van oordeel dat [geopposeerde] met zijn brief van 8 april 2025 de aannemingsovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd. Op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro moet [geopposeerde] aan [opposante] de volledige aanneemsom betalen, verminderd met de besparingen die uit de opzegging voortvloeien.
[geopposeerde] moet € 14.254,76 aan [opposante] betalen
3.9
Tussen partijen staat vast dat de overeengekomen aanneemsom € 38.012,76 bedraagt, waarvan [geopposeerde] al een bedrag van € 15.367,00 als voorschot heeft betaald. [geopposeerde] heeft weliswaar gesteld dat hij hiernaast nog een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op de aanneemsom heeft voldaan op 29 maart 2025, maar dit heeft [opposante] voldoende gemotiveerd betwist. Zoals [opposante] tijdens de mondeling behandeling heeft uitgelegd, zijn dit kosten die zien op het coaten van de dakgoten. Dit volgt ook uit de omschrijving bij het bankafschrift: “Dak goot in smeren (…)”. Zoals ook uit de door [geopposeerde] ondertekende offerte volgt, zijn over deze werkzaamheden geen afspraken gemaakt. Met [opposante] is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag dus buiten de aanneemsom van € 38.012,76 valt. Dit betekent dat de resterende aanneemsom € 22.654,76 bedraagt.
3.1
De rechtbank begroot de door [opposante] bespaarde kosten op € 8.400,00 (in plaats van de door [opposante] begrote € 2.520,00). [opposante] heeft in eerste instantie gesteld dat zij nog ongeveer drie tot vier werkdagen nodig had om het dak van [geopposeerde] op te leveren. Tijdens de mondeling behandeling zouden dit er volgens [opposante] echter tien zijn geweest. Als onweersproken staat vast dat [opposante] haar werknemers € 35,00 bruto per uur betaalt. Als onweersproken staat daarnaast vast dat er in beginsel drie medewerkers aan het dak werkten, niet langer dan acht uur per dag. De bespaarde kosten worden door de rechtbank dan ook begroot op € 35,00 x 8 uur x 10 dagen x 3 medewerkers = € 8.400,00.
3.11
Volgens [opposante] moeten de kostenverhogende omstandigheden (artikel 7:753 BW Pro) worden begroot op € 5.000,00. Hier gaat de rechtbank niet in mee. Niet is namelijk komen vast te staan dat [geopposeerde] de medewerkers van [opposante] op twee verschillende dagen heeft weggestuurd. Zou dat overigens al komen vast te staan, dan heeft [opposante] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld over de hieruit voortvloeiende schade. Dat partijen allebei zijn uitgegaan van de verkeerde afmetingen van het dak en [opposante] hierdoor meer tijd heeft moeten besteden aan het dak, komt naar het oordeel van de rechtbank bovendien voor rekening en risico van [opposante] .
3.12
Het voorgaande betekent dat [geopposeerde] aan [opposante] een bedrag van (€ 22.654,76 - € 8.400,00 =) € 14.254,76 moet betalen ter afrekening. [opposante] heeft over dit bedrag wettelijke rente gevorderd. [geopposeerde] heeft de verschuldigdheid hiervan als zodanig niet betwist, maar de rente kan volgens hem niet eerder verschuldigd zijn dan vanaf 28 november 2025 (de datum waarop de wettelijke rente door [opposante] is aangezegd). Aangezien [opposante] hier vervolgens niet meer op gereageerd, is de wettelijke rente vanaf die datum toewijsbaar.
[geopposeerde] moet de proceskosten betalen
3.13
[geopposeerde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. In verband met de samenhang tussen de conventie en de reconventie, berekent de rechtbank een half punt per proceshandeling. De proceskosten van [opposante] worden begroot op:
- salaris advocaat
836,00
(2 punten × factor 0,5 × € 836,00)
Totaal
836,00
3.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In conventie en in reconventie
[geopposeerde] moet de nakosten betalen
3.15
Omdat [geopposeerde] in conventie en in reconventie de proceskosten moeten betalen,
wordt hij ook veroordeeld tot betaling van de nakosten in conventie en reconventie. Die
kosten worden vastgesteld op € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
vernietigt het verstekvonnis van 24 september 2025 met zaaknummer (C/ 16/596442 / HA ZA 25-351) en opnieuw beslissend:
In conventie
4.2
veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten van € 5.575,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3
veroordeelt [geopposeerde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
In reconventie
4.4
veroordeelt [geopposeerde] om aan [opposante] een bedrag te betalen van € 14.254,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 november 2025 tot de dag van de volledige betaling,
4.5
veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten van € 836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6
veroordeelt [geopposeerde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
In conventie en in reconventie
4.7
veroordeelt [geopposeerde] in de nakosten van € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [opposante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [opposante] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.8
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
EB5791