Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2989

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTRV 25/29
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 5.1 WooArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gemeente Utrecht over openbaarmaking Woo-documenten en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten die gebruikt zijn voor de berekening van naheffingsaanslagen parkeerbelasting over 2021-2023. De gemeente Utrecht weigerde aanvankelijk volledige openbaarmaking, waarop eiser bezwaar maakte. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het college de gebreken in het besluit moest herstellen.

Het college nam vervolgens een nieuw besluit waarin het bezwaar van eiser werd gegrond verklaard en aanvullende documenten openbaar werden gemaakt, met een nadere motivering van de weigeringsgronden. De rechtbank oordeelt dat deze herstelpoging voldoende is en dat het beroep tegen het tweede besluit ongegrond is.

De rechtbank vernietigt het eerste besluit wegens strijd met de Awb, maar laat de rechtsgevolgen daarvan, voor zover niet gewijzigd, in stand. Daarnaast kent de rechtbank eiser een schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, evenals vergoeding van griffierecht en proceskosten. De overschrijding wordt toegerekend aan het college, omdat de termijn pas na de eerdere gegrondverklaring werd overschreden.

Uitkomst: Het eerste besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, het tweede besluit blijft in stand, en eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/29

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M.J.W. Gorissen).

Procesverloop

Eiser heeft verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van, voor zover van belang, documenten die gebruikt zijn voor de berekening van de hoogte van de kosten van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting over de jaren 2021, 2022 en 2023 alsmede de documenten die zijn gebruikt voor de onderbouwing van de kostenposten die bij die berekening betrokken zijn.
Voor het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:690).
In die tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het besluit van 9 december 2024 (bestreden besluit 1) te herstellen.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen op 11 maart 2026 (bestreden besluit 2). Daarbij heeft hij het bezwaar van eiser opnieuw gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat de aanvullende Woo-documenten openbaar worden gemaakt.
Eiser heeft hierop bericht dat het bestreden besluit 2 geen aanleiding geeft voor een reactie.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college de aanvullende documenten op 13 november 2025 niet op de juiste wijze openbaar heeft gemaakt en dat het de weigeringsgronden van de gelakte gegevens beter moet motiveren. Indien en voor zover de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid onder b dan wel f van toepassing is, moet het college die weigeringsgrond corrigeren en motiveren.
Herstelpoging van het college
3. Het college heeft in het bestreden besluit 2 de aanvullende Woo-documenten die aan eiser zijn verstrekt, alsnog formeel openbaar gemaakt.
4. Daarnaast heeft het college de weigeringsgronden nader gemotiveerd. Voor zover in de gelakte passages in de documenten is verwezen naar artikel 5.1, tweede lid, onder d, van de Woo berust dit op een verschrijving en heeft het college verzocht om hiervoor de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo te lezen. Het college heeft voor deze weigeringsgrond als motivering gegeven dat deze lakkingen zien op bedragen die onderdeel uitmaken van aanbestedingen. Deze bedragen zien op kostenposten en prijsafspraken die zijn overeengekomen met marktpartijen in het kader van de uitvoering van parkeerhandhaving en de verwerking van naheffingsaanslagen. Openbaarmaking van deze informatie zou inzicht geven in de gehanteerde prijsstelling en kostenstructuur van de gemeente, waardoor marktpartijen hun inschrijvingen bij toekomstige aanbestedingen kunnen afstemmen op deze gegevens. Dit kan een nadelige invloed hebben op de onderhandelingspositie van de gemeente. Omdat aannemelijk is dat openbaarmaking van de gelakte bedragen de onderhandelingspositie van de gemeente bij toekomstige aanbestedingen kan schaden, is het college van mening dat het belang van bescherming van het economisch belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Gelet hierop vindt het college geheimhouding van deze bedragen op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo gerechtvaardigd.
Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?
5. De rechtbank is het eens met het college dat met de onder punt 4 gegeven motivering, geheimhouding van de bedragen in de documenten op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Woo gerechtvaardigd is. Eiser heeft dat ook niet betwist.
Verzoek om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn
6. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
7. Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend op 19 april 2023. Voor het bepalen van de duur van de redelijke termijn laat de rechtbank de periode van minnelijk overleg van 3 maanden buiten beschouwing. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar, had in deze procedure dus uiterlijk op 19 juli 2025 einduitspraak moeten worden gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 27 mei 2026. Dit levert een termijnoverschrijding op van minder dan twaalf maanden. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank eiser een schadevergoeding van € 1.000,00 toekennen.
8. Het volledige schadebedrag is toe te rekenen aan het college. Op het moment van de eerdere uitspraak waarin het beroep gegrond is verklaard (28 oktober 2024) was de redelijke termijn namelijk nog niet overschreden. De overschrijding vloeit voort uit de eerdere gegrondverklaring en de tussenuitspraak. Dit komt voor rekening van het college.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank concludeert dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit 2 voldoende zijn hersteld en dat eiser zich over dat besluit heeft kunnen uitlaten. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in deze uitspraak en de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond, omdat de zoekslag in eerste instantie onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd was. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit 1 wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1, voor zover niet gewijzigd in het bestreden besluit 2, in stand. De in bestreden besluit 1 openbaar gemaakte stukken blijven daarmee openbaar. Het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van
€ 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
11. Ook bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
12. Verder moet het college aan eiser een bedrag van € 1.000,- betalen als vergoeding van door hem geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
13. Tenslotte kent de rechtbank in verband met het verzoek om schadevergoeding in verband met de redelijke termijn aan eiser een proceskostenvergoeding toe van € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een weging van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 1 maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover niet gewijzigd in het bestreden besluit 2, in stand;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college tot vergoeding van de immateriële schade van € 1.000,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr L.E. Mollerus griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.