Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3000

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/6598
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling compensatie en schikkingsvoorstel kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2008, 2010 en 2011. Dienst Toeslagen stelde een compensatiebedrag vast van €4.485,-, aangevuld tot €30.000,-, en handhaafde dit bij besluit van november 2025. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank beoordeelde het beroep op 21 mei 2026, waarbij partijen afwezig waren. Eiseres stelde dat zij onterecht geen schikkingsvoorstel van €5.000,- had ontvangen, terwijl anderen dit wel kregen. Dienst Toeslagen legde uit dat het schikkingsvoorstel alleen aan een specifieke doelgroep werd aangeboden, waartoe eiseres niet behoorde vanwege de datum van haar bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat Dienst Toeslagen niet verplicht was een schikkingsvoorstel te doen en dat de compensatieberekening duidelijk was toegelicht, met name de toepassing van de O/GS-tegemoetkoming van 30% over het teruggevorderde bedrag in 2010. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de compensatie en het beleid van Dienst Toeslagen worden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6598

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Waar gaat deze zaak over?

Eiseres heeft op 17 mei 2021 schriftelijk een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (KOT). Dit verzoek ziet op de toeslagjaren 2008, 2010 en 2011. Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 1 augustus 2024 een compensatie vastgesteld op € 4.485,-, dat is aangevuld tot € 30.000,-. Bij het besluit van 12 november 2025 is Dienst Toeslagen bij dit bedrag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt de vaststelling van (de hoogte van) het compensatiebedrag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Schikkingsvoorstel bezwaar
3. Eiseres heeft aangevoerd dat aan haar een schikking van € 5.000,- aangeboden had moeten worden tijdens de bezwaarprocedure. Andere slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire hebben wel deze schikking aangeboden gekregen. Het is onduidelijk wanneer er wel en wanneer er niet een schikking wordt aangeboden.
4. Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift toegelicht wanneer een schikking wordt aangeboden tijdens de bezwaarprocedure. Dit is aan een specifieke doelgroep bezwaarmakers op de integrale beoordeling aangeboden. Dat volgt uit de beslisnota ‘Gestandaardiseerd schikkingsvoorstel voor bezwaren tegen Integrale Beoordeling’ van 19 juni 2024 aan de Staatssecretaris van Financiën. De doelgroep moest voldoen aan drie criteria, namelijk:
1. de bezwaarmaker heeft een toekenning op de integrale beoordeling (en is dus vastgesteld gedupeerd);
2. het bezwaar tegen de integrale herbeoordeling is ingediend vóór 1 juni 2024, en;
3. Dienst Toeslagen heeft nog geen beslissing op bezwaar genomen op 1 september 2024.
5. Dienst Toeslagen heeft verder toegelicht in het verweerschrift dat eiseres niet tot deze doelgroep behoort omdat haar bezwaar op 25 november 2024 is ingediend. Daarom is er geen schikkingsvoorstel gedaan.
6. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen aan eiseres geen schikkingsvoorstel heeft hoeven doen. Uit wet- of regelgeving volgt niet dat Dienst Toeslagen daartoe verplicht is, terwijl wel is gehandeld volgens de eigen beslisnota. Uit de hiervoor weergegeven toelichting waarom eiseres niet in aanmerking komt voor een schikkingsvoorstel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Berekening compensatie
7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de berekening van de compensatie onduidelijk is.
8. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen in het bestreden besluit duidelijk uiteen heeft gezet hoe de hoogte van het compensatiebedrag is berekend. Voor het toeslagjaar 2010 was sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Op grond van artikel 2.6 van de Wet hersteloperatie toeslagen is daarom gekeken naar het bedrag van de terugvordering en is de O/GS-tegemoetkoming berekend. De O/GS-tegemoetkoming bedraagt 30 % van dat bedrag. Over het jaar 2010 is € 14.948,- teruggevorderd, 30 % daarvan is € 4.485,-. Eiseres heeft in beroep niet uitgelegd waarom deze berekening onduidelijk is. Deze beroepsgrond slaagt dus ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.