ECLI:NL:RBMNE:2026:301

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
25-3172
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging voor verplichte behandeling psychotische stoornis met licht verstandelijke beperking

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek tot zorgmachtiging voor een man geboren in 1975, die een psychotische stoornis heeft in combinatie met een licht verstandelijke beperking. De rechtbank baseerde zich op een deskundigenbericht van psychiater dr. E. van Dellen, die concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor niet-aangeboren hersenletsel dat het gedrag verklaart, maar dat de psychotische stoornis en middelengebruik het gedrag verklaren.

Verzoeker voerde bezwaren aan tegen het deskundigenrapport, onder meer over de wijze van onderzoek en onafhankelijkheid van de deskundige, maar deze bezwaren werden door de rechtbank als ongegrond verworpen. Verzoeker had het onderzoek voortijdig beëindigd, waardoor de rechtbank aannam dat hij onvoldoende meewerkte.

De rechtbank stelde vast dat de psychotische stoornis ernstig nadeel veroorzaakt, waaronder agressie en overlast, en dat vrijwillige zorg niet mogelijk is omdat verzoeker de stoornis ontkent en medicatie weigert. Daarom is verplichte zorg noodzakelijk.

De toegewezen zorgmachtiging omvat medicatie, medische controles, therapeutische maatregelen, bewegingsbeperkingen, beperkingen in het gebruik van communicatiemiddelen en opname in een accommodatie. De machtiging geldt tot en met 26 januari 2028. Verzoeker kan tegen deze beschikking cassatie instellen.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg aan verzoeker tot en met 26 januari 2028.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604365 / FV RK 25-3172
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.E.M.C. Koudijs.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenbeschikking van 7 januari 2026, op schrift gesteld op 12 januari 2026, waarin een deskundige is benoemd;
  • de mail van [verzoeker] van 16 januari 2026 met kritiek op het conceptdeskundigenbericht;
  • het definitieve deskundigenbericht van 23 januari 2026.
1.2.
De zitting vond plaats op 26 januari 2026. Aanwezig waren:
- [verzoeker] , bijgestaan door zijn advocaat en door H.N. Kösen-Altun, tolk Turks (tolkenpasnummer 4898);
- [A] , casemanager.
1.3.
Daarna is uitspraak bepaald op vandaag. Daags na de zitting heeft mr. Koudijs nog een emailbericht aan de rechtbank gestuurd met in de onderwerpregel “(…) schriftelijke reactie/standpunt n.a.v. second opinion (…)”. De rechtbank is van oordeel dat de eisen van een goede procesorde zich verzetten tegen deze ongevraagde nieuwe schriftelijke ronde. [verzoeker] heeft commentaar op het conceptdeskundigenbericht gegeven en zijn standpunten vervolgens tijdens de zitting kenbaar gemaakt. Het houdt een keer op. Voornoemde mail maakt geen deel uit van de processtukken.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In voornoemde beschikking heeft de rechtbank dr. E. van Dellen (als psychiater verbonden aan het UMC Utrecht) tot deskundige benoemd en hem gevraagd de volgende vragen te beantwoorden:
- Heeft [verzoeker] niet-aangeboren hersenletsel?
- Bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag: kan dit letsel oorzaak zijn van [verzoeker] ’s gedrag, dat door [B] en de behandelaars als psychotisch wordt gekwalificeerd?
- Vertoont [verzoeker] gedrag dat niet (uitsluitend) verklaard kan worden door niet-aangeboren hersenletsel?
- Is de gevraagde zorgmachtiging, gelet op de etiologie van [verzoeker] ’s gedrag, doelmatig? Zo ja, waarom wel en zo nee, waarom niet?
- Hebt u nog overige opmerkingen, die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?
2.2.
In zijn bericht beantwoordt de deskundige de vragen – voor zover relevant – als volgt. De eerste vraag:
“Betrokkene ( [verzoeker] , toevoeging rb.) is van 19-05-1995 t/m 21-05-1997 opgenomen geweest in het UMC Utrecht vanwege een trauma capatitis (hoofdletsel) na betrokkenheid bij een ongeval (…). Bij een CT-hersenen werden intracranieel (dat wil zeggen in het weefsel in de schedel inclusief de hersenen) geen afwijkingen gevonden. (…)
Op 31-03-2009 werd betrokkene in het St Antoniusziekenhuis beoordeeld door [C] , neuroloog, na “trauma capititis, coma”. Op de MRI hersenen werden geen afwijkingen gevonden voor hersenschade, met name geen diffuus axonal injury. Er wad dus geen structurele hersenschade zichtbaar (…).
Door Altrecht is in 2019 een psychologisch onderzoek verricht waarvan op 02-03-2020 conclusies en beschouwing werden beschreven. (…) In het psychologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat betrokkene functioneert op een zeer zwakbegaafd niveau en dat er wordt uitgegaan van een betrouwbare meting. Er is sprake van een licht verstandelijk beperking, waarbij het totale intelligentie niveau is geschat rond de 60.
Op 19-01-2026 vond overleg plaats tussen Dr. E. van Dellen en [D] , neuroloog in het UMC Utrecht. (…) [D] geeft aan nu geen meerwaarde te zien van een neurologisch consult. Zij komt tot dit oordeel op basis van beschikbare informatie over het scooterongeval wat betrokkene doormaakte, het beeldvormend onderzoek van de hersenen, en psychologisch onderzoek dat werd verricht door Altrecht. In het huidig onderzoek met een MRI hersenen zonder afwijkingen en dit psychologisch onderzoek worden ook geen duidelijke aanwijzingen beschreven passend bij cognitieve stoornissen na traumatisch hersenletsel. Verder neurologisch onderzoek is niet bijdragend voor diagnostiek en behandeladvies. Zij geeft aan dat traumatisch hersenletsel cognitieve stoornissen kan geven, maar hierbij wordt zeer zelden psychose gezien.
Concluderend werden (…) geen aanwijzingen gevonden voor niet-aangeboren hersenletsel verklarend voor het huidige psychiatrische beeld van betrokkene.”
De deskundige beantwoordt de tweede vraag als volgt:
“(…) De oorzaak van psychotische symptomen is vaak multifactorieel en kan niet eenzijdig worden toegeschreven als voortkomend uit traumatisch hersenletsel. De mate waarin traumatisch hersenletsel zou hebben bijgedragen aan het huidige toestandsbeeld, heeft geen consequenties voor het behandeladvies.”
Het antwoord op vraag drie luidt:
“Het psychiatrisch onderzoek (de rechtbank begrijpt: het beeld) is passend bij een psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van middelen en een licht verstandelijke beperking.”
De vierde vraag beantwoordt dr. Van Dellen als volgt:
“De gevraagde zorgmachtiging wordt doelmatig ingeschat gezien de etiologie van het gedrag van betrokkene. Op basis van het dossier zijn er in de afgelopen jaren periodes geweest waarin het functioneren van betrokkene beter is geweest dan nu het geval is, op het moment dat er adequate behandeling van zijn psychotische stoornis plaatsvond. In deze periodes was er sprake van behandeling met antipsychotica op voldoende hoge dosering. (…)”
En het antwoord op de laatste vraag, dat een reactie is op de bij 1.1. genoemde mail van 16 januari jl. van [verzoeker] , luidt:
  • “De feitelijke second opinion is uitgevoerd door ondertekende (…)
  • Het UMC Utrecht is een opleidingsziekenhuis. Met die reden is betrokkene voorafgaand aan de second opinion ook gesproken door een co-assistent en een verpleegkundig specialist in opleiding.
  • Voorafgaand aan het consult is er schriftelijke medische informatie opgevraagd en ontvangen, die is meegenomen in dit oordeel. (…)
  • Betrokkene heeft het consult voegtijdig en in geagiteerde toestand verlaten beëindigd. (…) Een uitgebreider anamnese over dit voorval (het ongeluk; toevoeging rb.) zou echter niet hebben kunnen leiden tot een ander medisch oordeel dan de conclusie zoals die hierboven is beschreven.”
2.3.
De rechtbank heeft een deskundigenbericht (een
second opinionin verplichte-zorgterminologie) gelast, omdat – kort gezegd – Altrecht van mening is dat [verzoeker] een psychotische stoornis heeft en [verzoeker] zegt dat zijn gedrag uit niet-aangeboren hersenletsel (NAH) te verklaren is, waardoor volgens hem een andere behandeling nodig is dan die Altrecht voorstaat.
De deskundige komt in zijn rapport tot de conclusie dat er geen afwijkingen zijn gevonden voor hersenschade en dat er geen aanwijzingen zijn voor NAH dat zijn gedrag kan verklaren. [verzoeker] ’s gedrag kan daarentegen wel verklaard worden door een psychotische stoornis in combinatie met LVB en middelengebruik. De gevraagde zorgmachtiging is volgens de deskundige doelmatig.
2.4.
De rechtbank ziet geen redenen de conclusies in het deskundigenrapport niet tot de hare te maken. Dit zou anders kunnen zijn, als het rapport qua inhoud of de manier waarop het tot stand gekomen is, niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Zo mag van een rapport van een deskundige worden verwacht dat het onpartijdig, consistent, inzichtelijk en logisch is. Ook de manier waarop de deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht, kan afbreuk doen aan de waarde van een deskundigenrapport.
Het komt erop neer dat er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren moeten zijn tegen dat rapport, voordat de rechtbank kan beslissen het deskundigenbericht naast zich neer te leggen. Dit betekent dat van de partij die kritiek heeft op zo’n rapport, mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden tegengesproken (zie bijv. rb. Midden-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:2020:4285, r.o. 2.8.).
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] dergelijke bezwaren niet heeft aangevoerd. Tijdens de zitting kwam hij wederom met kritiek op het deskundigenbericht en de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Deze kritiek was, goed beschouwd, een herhaling van zetten.
2.6.
In de kern voert [verzoeker] aan dat het deskundigenbericht op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen, doordat de gesprekken werden gevoerd door stagiairs of net-afgestudeerden, die geen ervaring hebben met complexe casuïstiek, niet beschikken over specialistische kennis en geen kennis hebben van zijn dossier. Evenmin werd duidelijke regie gevoerd door een eindverantwoordelijke, aldus [verzoeker] . Ook waren de onderzoekers volgens hem niet onafhankelijk.
De rechtbank is van oordeel dat uit het antwoord op de laatste vraag door de deskundige – aan welk antwoord zij geen reden heeft te twijfelen – wel blijkt dat deze kritiek ongefundeerd is. Het onderzoek is verricht door een medisch specialist (psychiater Van Dellen), die overleg heeft gevoerd met een andere specialist (neuroloog [D] ). De deskundige heeft blijkens zijn antwoord op de eerste vraag gedegen kennis van [verzoeker] ’s medische dossier. Dat er tevens personen aanwezig waren die in opleiding waren, betekent niet – zoals [verzoeker] impliceert – dat het onderzoek door hen is uitgevoerd.
In welk opzicht Van Dellen niet onafhankelijk is, heeft [verzoeker] niet onderbouwd, zodat dit verweer reeds daarom faalt.
2.7.
Op de zitting maakte [verzoeker] er nog een punt van dat het onderzoek door Van Dellen maar kort duurde. Voor zover hij hiermee bedoelt te zeggen dat dit onderzoek ondeugdelijk is verricht, gaat de rechtbank daar aan voorbij. Uit het rapport blijkt dat [verzoeker] het onderzoek voortijdig heeft beëindigd door boos weg te lopen. Hierdoor heeft hij naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate meegewerkt aan het deskundigenonderzoek, waaruit zij de gevolgtrekkingen mag maken die zij geraden acht. Dat doet zij als volgt: mocht het al zo zijn dat de conclusies van de deskundige door het korte onderzoek niet juist zijn, zoals [verzoeker] impliceert, dan komt deze omstandigheid voor zijn rekening en risico. Overigens komt de deskundige tot de conclusie dat een meer uitgebreide anamnese niet tot een andere beoordeling had geleid.
2.8.
Samengevat komt de rechtbank tot het oordeel dat [verzoeker] een psychotische stoornis heeft. Die diagnose is in de medische verklaring van 10 december 2025 van Z. [B] gesteld, wordt eveneens genoemd in het zorgplan van 4 december 2025 van [E] en is bevestigd door de deskundige. Tijdens de zitting heeft mr. Koudijs aangevoerd dat de aandoening waaraan [verzoeker] zou lijden niet duidelijk is, omdat [B] in haar medische verklaring zowel een psychotische stoornis als een schizofreniespectrumstoornis noemt. Dit verweer berust op een verkeerde lezing van die verklaring. [B] komt tot een diagnose die valt onder de hoofdcategorie “schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen”. Daarmee stelt zij niet dat [verzoeker] geen psychotische stoornis heeft.
2.9.
De rechtbank is er voorts van overtuigd dat deze stoornis ernstig nadeel veroorzaakt, dat in elk geval bestaat uit agressie, het oproepen ervan alsmede het veroorzaken van overlast. In het procesdossier is vermeld dat [verzoeker] zich agressief gedraagt, tenminste eenmaal iemand mishandeld heeft en burenoverlast veroorzaakt. De rechtbank heeft geen aanleiding hier aan te twijfelen.
Verder is het aannemelijk dat [verzoeker] met zijn provocerende en niet zelden neerbuigende gedrag, dat de behandelend rechter nu ook een paar keer heeft mogen aanschouwen, agressie oproept – ook bij mensen die het gewoon zijn op een niet-agressieve manier met conflicten om te gaan.
2.10.
Om deze nadelen af te wenden, heeft [verzoeker] zorg nodig. Het staat niet ter discussie dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. [verzoeker] ontkent dat hij een psychotische stoornis heeft en wil geen medicatie daartegen. Naar eigen zeggen wordt hij daar “een achterlijke mongool” van. Verplichte zorg is nodig.
2.11.
De rechtbank is van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat [verzoeker] iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
Uit niets is gebleken dat het verplicht toedienen van vocht en voeding nodig is, zodat de rechtbank deze vorm van dwangzorg zal afwijzen.
2.12.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Voor een beperking in duur van de te verlenen machtiging ziet de rechtbank geen aanleiding.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een zorgmachtiging voor [verzoeker] , wat inhoudt dat de bij 2.11. genoemde maatregelen mogen worden toegepast,
3.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 26 januari 2028,
3.3.
wijst af dat wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is genomen en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. M.E. Heinemann, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.