Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verdere verloop van de procedure
- de tussenbeschikking van 7 januari 2026, op schrift gesteld op 12 januari 2026, waarin een deskundige is benoemd;
- de mail van [verzoeker] van 16 januari 2026 met kritiek op het conceptdeskundigenbericht;
- het definitieve deskundigenbericht van 23 januari 2026.
2.De verdere beoordeling
“Betrokkene ( [verzoeker] , toevoeging rb.) is van 19-05-1995 t/m 21-05-1997 opgenomen geweest in het UMC Utrecht vanwege een trauma capatitis (hoofdletsel) na betrokkenheid bij een ongeval (…). Bij een CT-hersenen werden intracranieel (dat wil zeggen in het weefsel in de schedel inclusief de hersenen) geen afwijkingen gevonden. (…)
Op 31-03-2009 werd betrokkene in het St Antoniusziekenhuis beoordeeld door [C] , neuroloog, na “trauma capititis, coma”. Op de MRI hersenen werden geen afwijkingen gevonden voor hersenschade, met name geen diffuus axonal injury. Er wad dus geen structurele hersenschade zichtbaar (…).
Op 19-01-2026 vond overleg plaats tussen Dr. E. van Dellen en [D] , neuroloog in het UMC Utrecht. (…) [D] geeft aan nu geen meerwaarde te zien van een neurologisch consult. Zij komt tot dit oordeel op basis van beschikbare informatie over het scooterongeval wat betrokkene doormaakte, het beeldvormend onderzoek van de hersenen, en psychologisch onderzoek dat werd verricht door Altrecht. In het huidig onderzoek met een MRI hersenen zonder afwijkingen en dit psychologisch onderzoek worden ook geen duidelijke aanwijzingen beschreven passend bij cognitieve stoornissen na traumatisch hersenletsel. Verder neurologisch onderzoek is niet bijdragend voor diagnostiek en behandeladvies. Zij geeft aan dat traumatisch hersenletsel cognitieve stoornissen kan geven, maar hierbij wordt zeer zelden psychose gezien.
- “De feitelijke second opinion is uitgevoerd door ondertekende (…)
- Het UMC Utrecht is een opleidingsziekenhuis. Met die reden is betrokkene voorafgaand aan de second opinion ook gesproken door een co-assistent en een verpleegkundig specialist in opleiding.
- Voorafgaand aan het consult is er schriftelijke medische informatie opgevraagd en ontvangen, die is meegenomen in dit oordeel. (…)
- Betrokkene heeft het consult voegtijdig en in geagiteerde toestand verlaten beëindigd. (…) Een uitgebreider anamnese over dit voorval (het ongeluk; toevoeging rb.) zou echter niet hebben kunnen leiden tot een ander medisch oordeel dan de conclusie zoals die hierboven is beschreven.”
second opinionin verplichte-zorgterminologie) gelast, omdat – kort gezegd – Altrecht van mening is dat [verzoeker] een psychotische stoornis heeft en [verzoeker] zegt dat zijn gedrag uit niet-aangeboren hersenletsel (NAH) te verklaren is, waardoor volgens hem een andere behandeling nodig is dan die Altrecht voorstaat.
De deskundige komt in zijn rapport tot de conclusie dat er geen afwijkingen zijn gevonden voor hersenschade en dat er geen aanwijzingen zijn voor NAH dat zijn gedrag kan verklaren. [verzoeker] ’s gedrag kan daarentegen wel verklaard worden door een psychotische stoornis in combinatie met LVB en middelengebruik. De gevraagde zorgmachtiging is volgens de deskundige doelmatig.
Het komt erop neer dat er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren moeten zijn tegen dat rapport, voordat de rechtbank kan beslissen het deskundigenbericht naast zich neer te leggen. Dit betekent dat van de partij die kritiek heeft op zo’n rapport, mag worden verlangd dat zij haar stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen, waarin de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige op overtuigende wijze worden tegengesproken (zie bijv. rb. Midden-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:2020:4285, r.o. 2.8.).
De rechtbank is van oordeel dat uit het antwoord op de laatste vraag door de deskundige – aan welk antwoord zij geen reden heeft te twijfelen – wel blijkt dat deze kritiek ongefundeerd is. Het onderzoek is verricht door een medisch specialist (psychiater Van Dellen), die overleg heeft gevoerd met een andere specialist (neuroloog [D] ). De deskundige heeft blijkens zijn antwoord op de eerste vraag gedegen kennis van [verzoeker] ’s medische dossier. Dat er tevens personen aanwezig waren die in opleiding waren, betekent niet – zoals [verzoeker] impliceert – dat het onderzoek door hen is uitgevoerd.
In welk opzicht Van Dellen niet onafhankelijk is, heeft [verzoeker] niet onderbouwd, zodat dit verweer reeds daarom faalt.
Verder is het aannemelijk dat [verzoeker] met zijn provocerende en niet zelden neerbuigende gedrag, dat de behandelend rechter nu ook een paar keer heeft mogen aanschouwen, agressie oproept – ook bij mensen die het gewoon zijn op een niet-agressieve manier met conflicten om te gaan.