Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3047

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
611780 HA RK 26-94
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen afdeling bestuursrecht rechtbank

Verzoeker diende op 18 mei 2026 een wrakingsverzoek in tegen de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Midden-Nederland, stellende dat deze partijdig zou zijn vanwege het doordrukken van een zittingsdatum terwijl verzoeker verhinderd was.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen de rechter(s) die de zaak behandelen. Omdat het verzoek niet tegen een specifieke rechter was gericht, maar tegen de afdeling als geheel, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

De wrakingskamer heeft besloten dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Er is geen mogelijkheid om de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen, ook niet als het wrakingsverzoek zou worden toegewezen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek tegen de afdeling bestuursrecht; de procedure wordt voortgezet bij de rechtbank Midden-Nederland.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 611780 HA RK 26-94
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
1 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 18 mei 2026 een wrakingsverzoek ingediend waarbij hij de afdeling bestuursrecht wraakt. Mr. Keurentjes (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met kenmerk 25/2658 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om de volgende redenen. Volgens verzoeker wil de afdeling bestuursrecht de geplande zitting in de hoofdzaak willens en wetens doordrukken, terwijl verzoeker heeft aangegeven verhinderd te zijn op die datum. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat de afdeling partijdig is. Verzoeker wil dat de behandeling van de zaak door een andere rechtbank dan de rechtbank Midden-Nederland zal worden gedaan.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 8:15 Awb Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
Het wrakingsverzoek is gericht tegen de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank en daarmee tot anderen dan een specifieke rechter die de zaak behandelt.
3.4.
Uit artikel 8:15 Awb Pro volgt dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend tegen de rechter(s) die de zaak behandelt (behandelen). Op grond van de wet is een wrakingsverzoek dat is gericht tegen de afdeling bestuursrecht dus niet mogelijk. Verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek. [1]
3.5.
De conclusie is dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek. De zaak zal niet worden verwezen naar een andere rechtbank, zoals verzoeker wil. Dat gebeurt ook niet als een wrakingsverzoek wordt toegewezen. Hiervoor bestaat namelijk geen wettelijke grond.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter in de hoofdzaak, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met kenmerk 25/2658 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. J.F. Haeck en
mr. M.E. Heinemann als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie ook 2.4.2 onder e van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank.