Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3051

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
23/5145
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WjsgArt. 15 AVGArt. 51a WjsgArt. 51b WjsgArt. 1:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediend inzageverzoek in inrichtingsdossier

Eiser heeft bij de vestigingsdirecteur van een Penitentiaire Inrichting een verzoek ingediend om inzage in zijn inrichtingsdossier, met betrekking tot zijn overplaatsing. Na een primaire afwijzing en bezwaarprocedure reageerde verweerder niet tijdig op het bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om over het beroep te beslissen, ondanks dat het dossier onder tenuitvoerleggingsgegevens valt, omdat het beroep ziet op inzage en niet op de tenuitvoerlegging zelf. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder bij brief van 28 augustus 2023 schriftelijk heeft geweigerd een besluit te nemen, waarna eiser binnen zes weken beroep had moeten instellen.

Eiser heeft het beroep echter anderhalve week te laat ingediend en de rechtbank acht deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar, mede omdat eiser werd bijgestaan door professionele rechtshulp. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Wel wijst de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank zelf, en veroordeelt de Staat tot betaling van deze vergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, maar eiser krijgt een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026in de zaak tussen

[eiser] , verblijvend in [verblijfplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),
en

Dienst Justitiële Inrichtingen, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Zamani, mr. J. Kennis en mr. E.S. Wichhart).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

Eiser heeft beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd zou hebben beslist op zijn bezwaar. Het bezwaar ziet op zijn verzoek van 22 februari 2023 om inzage op basis van artikel 18 van Pro de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (Avg).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij wel bevoegd is om te beslissen op het beroep van eiser, maar dat het beroep niet-ontvankelijk is. Het beroepschrift is namelijk te laat ingediend en dat is niet verschoonbaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 22 februari 2023 een inzageverzoek ingediend bij de vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting (PI) [locatie 1] , omdat hij inzage wil in de documenten die ten grondslag liggen aan zijn overplaatsing van PI [locatie 1] naar PI [locatie 2] . Eiser vraagt om inzage in zijn inrichtingsdossier over de periode juni 2022 tot en met 22 februari 2023 (de datum van eisers verzoek om inzage). Dit dossier omvat onder andere dagrapportages, interne- en externe adviezen, correspondentie en aantekeningen van personeel.
1.1.
Bij besluit van 14 maart 2023 (primaire besluit) heeft verweerder eiser laten weten dat het verzoek om inzage moet worden ingediend bij de directeur van de PI [locatie 2] , waar eiser op dat moment verbleef.
1.2.
Bij brief van 25 april 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.3.
Bij brief van 30 mei 2023 heeft verweerder gereageerd op het bezwaar van eiser. Volgens verweerder is geen sprake van een voor bezwaar vatbaar besluit. Verweerder verwijst eiser naar de beklagprocedure op grond van artikel 60, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).
1.4.
Bij brief van 28 juli 2023 stelt eiser verweerder in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar.
1.5.
Bij brief van 28 augustus 2023 reageert verweerder op de ingebrekestelling. Verweerder laat eiser weten geen besluit te zullen nemen. Verweerder informeert eiser dat hij beroep in had moeten stellen bij de bestuursrechter, als eiser van mening was dat de brief van 30 mei 2023 een gebrekkig besluit is, dan wel een weigering om een besluit te nemen.
1.6.
Op 24 oktober 2023 heeft de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig beslissen ontvangen.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, en namens verweerder: gemachtigde mr. S. Zamani, samen met mr. L. Groeneveld en mr. E.W.B. Wilting. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.8.
De rechtbank heeft het onderzoek op 18 september 2025 heropend en partijen gevraagd om schriftelijk te reageren op de vragen van de rechtbank. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft eiser op de vragen van de rechtbank gereageerd.
1.9.
Bij brief van 14 november 2025 heeft verweerder op de vragen van de rechtbank gereageerd.
1.10.
De rechtbank heeft partijen om toestemming gevraagd om het onderzoek te sluiten zonder nadere zitting. Eiser heeft aangegeven gebruik te willen maken van zijn recht om op een nadere zitting gehoord te worden.
1.11.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en namens verweerder: gemachtigden mr. J. Kennis en mr. E. Wichhart, samen met mr. R.L. Cijntje.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een besluit op zijn bezwaar. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit.
2.1.
Op de eerste zitting heeft eiser gesteld dat zijn beroep enkel ziet op het inzageverzoek op grond van artikel 18 Wjsg Pro. De rechtbank laat daarom de beoordeling van het inzageverzoek op grond van artikel 15 Avg Pro achterwege.
Bevoegdheid van de rechtbank
3. Dit geschil gaat over een verzoek van eiser aan de directeur van de PI om inzage in zijn inrichtingsdossier. In het inrichtingsdossier staan (persoons)gegevens over de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing. De rechtbank stelt vast dat het inrichtingsdossier valt onder de definitie van tenuitvoerleggingsgegevens. Dit volgt uit artikel 1, onder d, van de Wjsg. Op grond van artikel 51a van de Wjsg voert de directeur van een PI voor de minister het beheer over de tenuitvoerleggingsgegevens inzake vrijheidsbenemende straffen of maatregelen bij de uitvoering waarvan hij betrokken is. De rechtbank kwalificeert het verzoek daarom als een inzageverzoek op grond van artikel 51b van de Wjsg.
3.1.
Voorafgaand aan de vraag of verweerder op tijd een besluit heeft genomen, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of zij bevoegd is om over een besluit op een inzageverzoek op grond van artikel 51b van de Wjsg te oordelen. Op grond van artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet namelijk niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. In dat geval kan geen bezwaar worden gemaakt en daarmee ook geen beroep (als bedoeld in de Awb) worden ingesteld. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit het geval is, De rechtbank moet dus beoordelen of een inzageverzoek op grond van artikel 51b van de Wjsg valt onder de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing.
3.3.
De Awb geeft geen nadere definitie of uitleg van wat onder de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing valt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter wel dat de wetgever met artikel 1:6 Awb Pro heeft beoogd te voorkomen dat de Awb van toepassing is op (onder andere) tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen vanwege de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht. Het zou tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden, als de Awb van toepassing is op besluiten en handelingen die zien op tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. [1]
3.4.
De rechtbank acht zich bevoegd. De rechtbank overweegt dat geen vermenging van rechtssferen ontstaat, wanneer de Awb van toepassing is op een verzoek om inzage in gegevens. Ook niet als het gaat om gegevens over de tenuitvoerlegging van een straf. De bestuursrechter doet dan namelijk geen uitspraak over de tenuitvoerlegging van de straf, maar enkel over de inzage in de gegevens. Op de eerste zitting heeft verweerder toegelicht dat het onwenselijk zou zijn wanneer een ander regime opgetuigd zou worden voor een inzageverzoek van tenuitvoerleggingsgegevens, terwijl de informatie die ten grondslag ligt aan maatregelen over de tenuitvoerlegging van een straf opgenomen staat in de dossiers waarvan inzage wordt gevraagd. Het gaat daarbij om gevoelige informatie, waarbij inzage ook gevolgen kan hebben voor de situatie in de penitentiaire inrichting. De rechtbank deelt de zorg van verweerder niet, omdat het feit dat de rechtszoekende bij de bestuursrechter terecht kan niet afdoet aan de inhoudelijke beoordeling en weging van het inzageverzoek en de mogelijkheid dat het inzageverzoek (gedeeltelijk) afgewezen kan worden. [2]
De ontvankelijkheid van het beroep
4. De rechtbank zal, voordat zij inhoudelijk naar de zaak kan kijken, eerst uit zichzelf (ambtshalve) een formeel punt moeten beoordelen. Dat is de vraag of eiser niet te laat beroep heeft ingesteld. Als dit zo is, dan kan de rechtbank niet inhoudelijk naar de zaak kijken en is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij eiser voor het te laat indienen een reden had die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
Heeft verweerder geweigerd om een besluit te nemen?
4.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 30 mei 2023 en 28 augustus 2023 niet inhoudelijk heeft beslist op het bezwaar van eiser. De vraag ligt voor of sprake is van een schriftelijke weigering om een besluit te nemen [3] , of een situatie waarin niet tijdig een besluit is genomen. [4] Als sprake is van schriftelijke weigering om een besluit te nemen, moet beoordeeld worden of hier tijdig beroep tegen is ingesteld.
4.1.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 28 augustus 2023 kwalificeert als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Verweerder stelt in deze brief:
‘U heeft een andere rechtsgang voor ogen, namelijk die van de Awb. Het had u hoe dan ook duidelijk moeten zijn dat mijn brief van 30 mei 2023 mijn enige en definitieve reactie is op uw brief van 25 april 2023. Indien u van mening bent dat de Awb van toepassing is, en mijn brief van 30 mei 2023 dus een gebrekkig besluit betreft dan wel een weigering om een besluit te nemen, stond het U vrij om tegen mijn brief van 30 mei 2023 beroep in te stellen bij de bestuursrechter.’
4.1.2.
Anders dan verweerder stelt, hoefde het eiser bij ontvangst van de brief van 30 mei 2023 (nog) niet duidelijk te zijn dat verweerder niet van plan was om te beslissen op zijn bezwaar. Dat komt omdat eiser in de brief van 30 mei 2023 slechts geïnformeerd wordt over de mogelijkheid om tegen het besluit beklag in te dienen bij de beklagcommissie. De rechtbank overweegt dat verweerder in deze brief niet uitdrukkelijk weigert om een beslissing op het bezwaar van 25 april 2023 te nemen. Daardoor hoefde het voor eiser op dat moment niet duidelijk te zijn dat er niet op zijn bezwaar beslist zal worden. De rechtbank merkt de brief van 30 mei 2023 daarom niet aan als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen.
4.1.3.
De rechtbank overweegt dat in de brief van 28 augustus 2023 staat vermeld dat de brief van 30 mei de enige en definitieve reactie is op het bezwaar. Daarom had het eiser op dat moment wel duidelijk moeten zijn dat niet op zijn bezwaar zal worden beslist. De brief van 28 augustus kwalificeert daarom naar het oordeel van de rechtbank als een schriftelijke weigering om een besluit te nemen.
Heeft eiser tijdig beroep ingesteld?
4.2.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. [5] Die termijn geldt ook als sprake is van een schriftelijke weigering om een beslissing op bezwaar te nemen, omdat de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep hierop van overeenkomstige toepassing zijn. [6]
4.2.1.
De rechtbank stelt vast dat de weigering om een besluit te nemen op 28 augustus 2023 is bekendgemaakt. Dat betekent dat de beroepstermijn is verstreken op 9 oktober 2023. Eiser heeft op 20 oktober 2023 beroep ingesteld. Dat betekent dat eiser anderhalve week te laat beroep heeft ingesteld.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
4.3.
Eiser voert aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat verweerder eiser op het verkeerde been heeft gezet met zijn stellingen. Verweerder heeft eiser op geen enkel moment in de procedure duidelijk gemaakt dat werd geweigerd om een besluit te nemen, enkel werd toegelicht dat de Awb niet van toepassing is. In beroep heeft verweerder ook meerdere standpunten ingenomen. Als de rechtbank van oordeel is dat eiser de beroepstermijn heeft overschreden, dan is dat verschoonbaar op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Eiser wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Die moet er alert op zijn dat er op tijd beroep wordt ingesteld, ook als sprake is van een situatie die afwijkt van de standaard. Dat er sprake is van een afwijkend geval maakt de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. Het had de gemachtigde bij ontvangst van de brief van 28 augustus 2023 duidelijk moeten zijn dat verweerder niet van plan was om een beslissing op bezwaar te nemen. Ook als eiser het standpunt van verweerder daarover niet deelt, had het op dat moment op zijn weg gelegen om tijdig beroep in te stellen en hiermee de mogelijkheid van beroep veilig te stellen. Verweerder heeft in de brief van 28 augustus 2023 de mogelijkheid van beroep tegen een weigering om een besluit te noemen ook nog genoemd. Volgens vaste rechtspraak komt het voor rekening en risico van eiser als zijn gemachtigde niet op tijd beroep heeft ingesteld. Het beroep is anderhalve week te laat ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar en het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser heeft een verzoek om schadevergoeding ingediend vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In de brief van 27 november 2023 heeft de rechtbank aangekondigd dat het beroep versneld behandeld zal worden. Dat heeft ermee te maken dat het beroep is binnengekomen als een beroep niet tijdig beslissen. Uit artikel 8:55b, tweede lid van de Awb volgt dat de rechtbank zo spoedig mogelijk meedeelt aan partijen of een zitting nodig is. In deze zaak is pas ruim één jaar na ontvangst van het beroepschrift meegedeeld dat een zitting nodig is. De termijn van dertien weken, als bedoeld in artikel 8:55b, derde lid, van de Awb, is evenmin gehaald. Eiser verzoekt daarom om een immateriële schadevergoeding, nu de als redelijk beschouwde termijn van dertien weken ruimschoots is overschreden.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn voor de vraag of de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het EVRM is overschreden de in artikel 8:55b van de Awb genoemde
termijnen van acht en dertien weken niet relevant. Dit zijn namelijk slechts termijnen van orde. Wanneer deze termijnen niet worden gehaald, zijn daar door de Awb en andere wetgeving geen consequenties aan verbonden. Deze termijnen zijn ook niet gelijk te stellen aan de redelijke termijn van artikel 6 van Pro het EVRM. Dat de rechtbank heeft aangekondigd het beroep versneld te behandelen maakt ook niet dat een kortere termijn aangehouden moet worden. De rechtbank past hierna daarom de gebruikelijke termijnen toe.
5.2.
Bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag of een beroep tegen een weigering om een besluit te nemen begint de redelijke termijn te lopen bij het starten van het beroep. Het beroepschrift van eiser is op 24 oktober 2023 ontvangen door de rechtbank. Dat betekent dat de termijn op 24 oktober 2023 is gaan lopen.
5.3.
De redelijke behandelingsduur in eerste aanleg is in een niet-punitieve zaak zonder voorafgaande bezwaarfase niet overschreden als deze niet langer dan twee jaar vanaf instellen van het beroep heeft geduurd. Dat betekent dat de rechtbank binnen twee jaar uitspraak had moeten doen, dus uiterlijk op 24 oktober 2025. Deze termijn is met ruim zeven maanden overschreden. Dat is te wijten aan de rechtbank.
5.4.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Dat geldt ook bij overschrijding van de redelijke termijn na een te laat ingediend beroepschrift, zoals in dit geval. Bij overschrijding van de redelijke termijn is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,00 per half jaar (of gedeelte daarvan) waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00. De termijnoverschrijding is geheel toe te wijzen aan de rechtbank. Dit heeft tot gevolg dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) de vergoeding van € 1.000,00 aan eiser moet betalen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding in beroep bestaat geen aanleiding.
6.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe, en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser van € 1.000,00. De Staat der Nederlanden moet ook de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding vergoeden. Die proceskostenvergoeding stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een weging van 0,25).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,00 aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.P. Vrijsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1988/89, 21221, nr. 3, p. 43.
2.Dat volgt uit artikel 51b van de Wjsg, in samenhang gelezen met artikel 21, tweede lid van de Wjsg.
3.Zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb.
4.Zoals bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.
5.Dat volgt uit artikel 6:7, van de Awb.
6.Dat volgt uit artikel 6:2, van de Awb.