ECLI:NL:RBMNE:2026:3055

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/16/599217 / FO RK 25-1110
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:230 lid 2 BWArt. 1:5 lid 3 BWArt. 270 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing adoptieverzoek duo-moeder voor minderjarige na kunstmatige inseminatie

Verzoekster en de moeder zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan en samen hebben zij het ouderlijk gezag over hun zoon, die is geboren na kunstmatige inseminatie met een donor.

Verzoekster verzoekt de rechtbank om de adoptie van de minderjarige uit te spreken, de geslachtsnaam vast te stellen en de adoptie terug te laten werken tot de geboorte. De moeder en donor stemmen in met het verzoek.

De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van de wettelijke voorwaarden en concludeert dat het in het belang van het kind is om de adoptie toe te wijzen. Hoewel er geen donorovereenkomst is opgesteld, is er overeenstemming over de rol van de donor en het contact met het kind.

De adoptie wordt uitgesproken met terugwerkende kracht tot de geboorte en de geslachtsnaam wordt vastgesteld. De rechtbank geeft tevens een suggestie om alsnog een donorovereenkomst op te stellen om de samenwerking te bevorderen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het adoptieverzoek toe en bepaalt dat de adoptie terugwerkt tot de geboorte van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/599217 / FO RK 25-1110
Adoptie duo-moeder
Beschikking van 6 mei 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat mr. K.S.M. Smienk,
met als belanghebbenden
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
[donor],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de donor.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 2 september 2025;
  • het bericht met bijlage van verzoekster van 5 september 2025;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 15 september 2025;
  • het bericht met bijlage van verzoekster van 14 februari 2026;
  • het bericht van verzoekster van 23 februari 2026;
  • het bericht van verzoekster van 8 maart 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • verzoekster met haar advocaat;
  • de moeder;
  • de donor;
  • mevrouw [A] namens de Raad.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
Verzoekster is met de moeder een geregistreerd partnerschap aangegaan op 15 mei 2025 in [woonplaats] .
2.2
Tijdens dit geregistreerd partnerschap is de moeder bevallen van een zoon:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] .
2.3
De zwangerschap van de moeder is tot stand gekomen door middel van kunstmatige inseminatie. De donor is:
[donor], geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] .
2.4
Verzoekster en de moeder hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.5
Verzoekster verzoekt de rechtbank om:
I. de adoptie van [minderjarige] door verzoekster uit te spreken;
II. te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen na de adoptie;
III. vast te stellen dat de adoptie terugwerkt tot aan het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] .
2.6
De moeder en de donor zijn het eens met de verzoeken.

3.De beoordeling

Conclusie
3.1
De rechtbank zal de verzoeken toewijzen en de adoptie van [minderjarige] door verzoekster uitspreken. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt.
Relatieve bevoegdheid
3.2
Verzoekster en de moeder wonen in [woonplaats] . Gelet daarop is in beginsel de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd om kennis te nemen van het verzoekschrift. Verzoekster en de moeder hebben echter schriftelijk verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat het verzoekschrift wordt behandeld door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. Om die reden zal deze rechtbank de zaak alsnog beoordelen en niet verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. [1]
Het wettelijk kader
3.3
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is van oordeel dat hieraan is voldaan.
Bekende donor
3.4
Volgens de rechtbank is de adoptie in het belang van [minderjarige] , want hij wordt door verzoekster en de moeder samen verzorgd en opgevoed. Vaststaat dat de donor geen ouderrol zal vervullen voor [minderjarige] . Ook heeft verzoekster de vereiste verklaringen overgelegd, te weten:
  • de verklaring van de donor van 22 juli 2025, waaruit blijkt dat hij instemt met de adoptie;
  • de verklaring van de moeder van 7 augustus 2025, waaruit blijkt dat zij instemt met de adoptie.
3.5
Daarnaast heeft de Raad geadviseerd om het verzoek tot adoptie toe te wijzen. De Raad heeft benadrukt dat het belangrijk is dat partijen vanaf het begin af aan open zijn naar [minderjarige] toe over de gezinssituatie en afstamming.
Het ontbreken van de donorovereenkomst
3.6
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken wat de rol van de donor zal zijn in het leven van [minderjarige] . Verzoekster heeft verklaard dat er bewust geen donorovereenkomst is opgesteld omdat partijen niet alles ‘in beton gegoten willen hebben’. Er is afgesproken dat de donor en [minderjarige] elkaar regelmatig zullen zien. Wat dit precies inhoudt zullen ze ook overlaten aan de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank begrijpt dat een overeenkomst niet altijd overeenkomt met de feitelijke situatie en dat de levensduur ervan beperkt kan zijn. Tegelijkertijd kan het opstellen van een donorovereenkomst ook bijdragen aan de samenwerking. Door samen een overeenkomst op te stellen worden namelijk alle belangrijke onderwerpen besproken en kan worden nagedacht over ieders rol in het leven van [minderjarige] . Dit kan ook nog als [minderjarige] wat ouder is. De rechtbank geeft dit als suggestie mee aan partijen. Concluderend ziet de rechtbank dat verzoekster, de moeder en de donor goed hebben nagedacht over de adoptie en is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de adoptie wordt uitgesproken.
Ingangsdatum
3.7
De adoptie werkt terug tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] , omdat de adoptie voor de geboorte van [minderjarige] is verzocht. [2]
Geslachtsnaam
3.8
Verzoekster en de moeder hebben voor [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] gekozen. De rechtbank zal deze naamskeuze in de beslissing opnemen. [3]

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
spreekt uit de adoptie van de minderjarige van het mannelijke geslacht:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2026 in [geboorteplaats] ,
door:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ;
4.2
bepaalt dat de adoptie terugwerkt tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] ;
4.3
stelt vast dat verzoekster en de moeder hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam
[geslachtsnaam]zal dragen na de adoptie, zodat hij zal blijven heten:
[minderjarige];
4.4
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Breda;
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 270 lid 1 Rv Pro.
2.Artikel 1:230 lid 2 BW Pro.
3.Artikel 1:5 lid 3 BW Pro.