ECLI:NL:RBMNE:2026:3072

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
12126345 \ UE VERZ 26-95
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet wegens onvoldoende bewijs fraude en afwijzing ontbindingsverzoek

De zaak betreft een verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet van een werknemer die sinds 2015 in dienst was als 1e Automonteur. Het ontslag op 9 februari 2026 werd gebaseerd op vermeende fraude met verlofregistraties en vervalsing van verlofkaarten. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de dringende reden die vereist is voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet.

De werkgever stelde dat de werknemer opdracht had gegeven aan een stagiair om verlofgegevens te manipuleren en dat hij betrokken was bij het vervalsen van verlofkaarten. Deze beschuldigingen zijn niet komen vast te staan. De transcriptie van een heimelijk opgenomen gesprek met de stagiair kon niet als bewijs dienen, en getuigenverklaringen ondersteunden de stellingen van de werknemer. De kantonrechter concludeert dat de werkgever haar stelplicht en bewijslast niet heeft voldaan.

Omdat het ontslag niet rechtsgeldig is, wordt het vernietigd en heeft de werknemer recht op betaling van loon vanaf de datum van ontslag, inclusief cao-verhoging, wettelijke verhoging en rente. Het ontbindingsverzoek van de werkgever wordt afgewezen omdat er geen redelijke grond is voor ontbinding, noch is de arbeidsverhouding onherstelbaar verstoord. De werknemer moet worden toegelaten tot zijn werkzaamheden zodra de bedrijfsarts dit toestaat. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege ernstig verwijtbaar handelen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd en het ontbindingsverzoek afgewezen; werknemer krijgt recht op loon en moet worden toegelaten tot werk zodra medisch mogelijk.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12126345 \ UE VERZ 26-95
Beschikking van 26 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. R.R. Surquin,
tegen
[verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.H.C. Heere.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
  • een verzoekschrift met producties 1 tot en met 6,
  • een verweerschrift met een tegenverzoek met producties 1 tot en met 3,
  • het bericht van 23 april 2026 van [verzoeker] met aanvullende productie,
  • de spreekaantekeningen van partijen.
1.2
Op 28 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] was aanwezig met zijn broer en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerder] waren de heer [A] (directeur en bestuurder [verweerder] ) en de heer [B] (bestuurder [verweerder] ) aanwezig. Ook [verweerder] werd bijgestaan door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en vragen beantwoord van de kantonrechter. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De avond voor de mondelinge behandeling heeft [verweerder] nog een aanvullende productie toegezonden. De kantonrechter en [verzoeker] hebben daar geen kennis van kunnen nemen voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Die aanvullende productie maakt daarom geen onderdeel uit van de stukken.

2.De kern van de zaak

2.1
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1973, is sinds 16 maart 2015 in dienst bij [verweerder] in de functie van 1e Automonteur. Op 9 februari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is en vernietigt het ontslag op staande voet. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en [verzoeker] recht heeft op betaling van (achterstallig) loon. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [verweerder] wordt afgewezen. Er is namelijk geen grond voor ontbinding. [verzoeker] moet dus weer worden toegelaten tot de werkzaamheden zodra hij daartoe in staat wordt geacht door de bedrijfsarts.

3.De beoordeling

Het verzoek: vernietiging ontslag op staande voet
3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
3.2
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat het primaire verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen. De kantonrechter zal dit oordeel uitleggen.
Toetsingskader ontslag op staande voet
3.3
De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder toestemming of schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro (ontslag op staande voet). In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
3.4
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.
[verweerder] had geen dringende reden voor het ontslag
3.5
[verweerder] heeft niet aangetoond dat zij een dringende reden had om [verzoeker] op staande voet te ontslaan. In de ontslagbrief van 9 februari 2026 staat dat fraude de reden is dat [verzoeker] op staande voet wordt ontslagen. Volgens [verweerder] heeft [verzoeker] op 20 januari 2026, zonder akkoord van de directie, [C] opdracht gegeven om de registratie van de vakantiedagen aan te passen. In de verlofregistratie 2025 zou [verzoeker] ervoor hebben gezorgd dat zijn saldo werd gewijzigd van -64,25 uur naar +37,75 uur. In de verlofregistratie 2026 zou [verzoeker] hebben laten aanpassen dat de 23 uur verlof die hij al had opgenomen die maand niet is geregistreerd. In de ontslagbrief staat dat [verzoeker] door deze fraude zichzelf financieel gewin heeft toegeëigend en dat hij dus simpelweg heeft gestolen van het bedrijf. Daarnaast wordt in de ontslagbrief gesuggereerd dat [verzoeker] iets te maken heeft met verlof/vakantiekaarten die zijn verdwenen. Op 4 februari 2026 heeft [verzoeker] een verlof/vakantiekaart gestuurd naar [verweerder] . In de ontslagbrief schrijft [verweerder] dat het een kopie lijkt van de originele verlof/vakantiekaart die zoek is, en dat de handtekening onderaan de kaart niet van de directeur is. [verweerder] weet niet van wie de handtekening is, waarmee wordt gesuggereerd dat [verzoeker] de handtekening heeft vervalst.
3.6
De hiervoor genoemde verwijten zijn echter niet komen vast te staan. [verzoeker] betwist de verwijten die hem worden gemaakt en [verweerder] heeft de door haar gestelde feiten onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter zal dit toelichten.
3.7
Volgens [verzoeker] was [C] , de stagiair die op dat moment werd begeleid door [verzoeker] en last had van zijn rug, op 20 januari 2026 werkzaam bij de receptie. De vaste receptioniste, [D] , was afwezig vanwege vakantie. [C] had weinig te doen en is de verlofgegevens gaan verwerken op de computer van [D] . Het verwerken van verlofgegevens behoort normaal gesproken tot de taken van [D] , maar [C] had – zonder inlogcodes – toegang tot het verlofoverzicht. [C] heeft een nieuw verlofschema aangemaakt voor het jaar 2026, waarbij hij de gegevens uit 2025 heeft gebruikt voor het vaststellen van de nieuwe verlofsaldi in het nieuwe jaar. Volgens [verzoeker] is het normaal en logisch dat in januari nieuwe verlofrechten worden toegekend en dat het saldo daardoor – afhankelijk van de eindsituatie van het voorgaande jaar – (weer) positief kan worden.
3.8
[verweerder] stelt dat [verzoeker] opdracht heeft gegeven aan [C] om fraude te plegen met de verlofadministratie. Deze stelling heeft zij echter niet onderbouwd. [verweerder] heeft een transcriptie overgelegd van het gesprek met [C] van 3 februari 2026, dat [verweerder] heimelijk heeft opgenomen. De transcriptie kan echter niet dienen ter onderbouwing van het ontslag op staande voet. [verzoeker] betwist de authenticiteit van de transcriptie en zonder geluidsopname kan niet worden gecontroleerd of de transcriptie klopt. Maar, zelfs als de transcriptie wel een feitelijke weergave is van het gesprek, dan blijkt daaruit niet dat [verzoeker] de opdracht gaf aan [C] om fraude te plegen. Sterker nog, uit die transcriptie volgt juist dat [C] zich niet meer kan herinneren op wiens verzoek hij de verlofadministratie is gaan bijwerken. Er staat: “
Of van [verzoeker] of van [E] . Dat durf ik even niet meer uit mijn hoofd te zeggen”. En even later: “
Ik denk die twee. Een van die twee denk ik”. Ook blijkt uit de transcriptie dat [C] over zijn eigen invoerwerk verklaart dat hij een fout heeft gemaakt. Hij zegt: “
Kijk, dat Excel, dat dat een stukje fout is gegaan, dat is mijn schuld geweest, want ik had het gewoon niet goed gedaan. Eerlijk is eerlijk”. Er kan dus niet worden vastgesteld dat sprake is van fraude op verzoek van [verzoeker] .
3.9
Uit de verklaring van [E] , overgelegd door [verzoeker] , blijkt niet dat [verzoeker] een opdracht heeft gegeven aan [C] om te frauderen met de verlofadministratie. In haar verklaring schrijft zij: “
[verzoeker] zag waar [C] mee bezig was en zei tegen hem dat hij dit beter aan [D] kon overlaten omdat zij inmiddels al verantwoordelijk hiervoor was”. Zelfs al zou [verzoeker] de opdracht hebben gegeven aan [C] om de verlofadministratie bij te werken – wat dus niet is komen vast te staan – dan is nog niet gebleken dat [verzoeker] daarbij ook de instructie heeft gegeven om zijn eigen verlofsaldo te manipuleren. [verweerder] doet die aanname, omdat alleen het verlofsaldo van [verzoeker] zou zijn gewijzigd, maar een aanname is naar het oordeel van de kantonrechter geen basis voor een ingrijpend middel als een ontslag op staande voet.
3.1
Ook de stelling dat [verzoeker] iets te maken zou hebben met het kwijtraken en vervalsen van verlofkaarten, is niet nader onderbouwd door [verweerder] . [verzoeker] betwist dat hij hier iets mee te maken heeft.
3.11
[verweerder] heeft dus niet voldaan aan haar stelplicht, waardoor de gestelde dringende reden niet is komen vast te staan. Omdat geen sprake is van een dringende reden, kan het ontslag op staande voet niet in stand blijven. De overige stellingen van [verzoeker] waarom het ontslag niet rechtsgeldig is, zoals dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, hoeven daarom geen bespreking meer.
[verzoeker] heeft recht op loon plus wettelijke verhoging en rente
3.12
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst vanaf 9 februari 2026 voortduurt, heeft [verzoeker] vanaf die datum recht op loon. De vordering van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen. Het laatstverdiende loon bedraagt € 4.246,31 bruto per maand. Volgens [verzoeker] heeft in februari 2026 een cao-verhoging plaatsgevonden van € 128,00 bruto per maand. [verweerder] heeft dit niet weersproken. Het loon plus cao-verhoging zal daarom worden toegewezen.
3.13
Ook de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen worden toegewezen, omdat [verweerder] te laat heeft betaald. [verweerder] heeft verzocht de wettelijke verhoging te matigen, maar de kantonrechter ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen
3.14
Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] [1] .
Het (voorwaardelijk) tegenverzoek: geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst
3.15
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet ook op het ontbindingsverzoek van [verweerder] worden beslist. De voorwaarde waaronder [verweerder] dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld.
Het toetsingskader
3.17.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [2] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [3]
3.18.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Geen e-grond
3.16
[verweerder] stelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, omdat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro (‘de e-grond’). [verweerder] verwijst ter onderbouwing naar al hetgeen zij naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van het ontslag op staande voet. Daarnaast stelt [verweerder] dat [verzoeker] :
  • stelselmatig en doelbewust de verlofregistratie heeft gemanipuleerd ten eigen bate, met een nettoverschil van 102 uur in zijn voordeel;
  • een 17-jarige leerling, die onder zijn directe gezag stond, heeft ingezet voor het plegen van fraude;
  • verlofkaarten heeft laten verdwijnen, waardoor bewijsmateriaal is vernietigd;
  • een vervalste verlofkaart heeft overgelegd met een handtekening die niet van de directeur afkomstig is;
  • elke medewerking aan het door [verweerder] ingestelde onderzoek heeft geweigerd.
3.17
Zoals hiervoor al overwogen zijn de feiten die ten grondslag liggen aan het ontslag op staande voet niet komen vast te staan. [verweerder] heeft ook de overige stellingen die zij aan het ontbindingsverzoek op de e-grond ten grondslag legt, onvoldoende onderbouwd. [verzoeker] wilde inderdaad niet in gesprek met [verweerder] , maar hij was op dat moment ziek. Dat hij weigerde in gesprek te gaan, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijtbaar handelen op. Er ligt geen oordeel van de bedrijfsarts dat [verzoeker] wel in staat was om in gesprek te gaan. Dat [verzoeker] verwijtbaar zou hebben gehandeld, waardoor de arbeidsovereenkomst moet eindigen, is dus niet gebleken.
Geen g-grond
3.18
Subsidiair stelt [verweerder] dat de arbeidsverhouding tussen partijen onherstelbaar is verstoord (‘de g-grond’). [verweerder] stelt dat zij door de bewezen gedragingen van [verzoeker] ieder vertrouwen in hem is verloren. Maar, de gedragingen die [verweerder] hem verwijt, zijn niet bewezen. Dat de arbeidsrelatie tussen partijen op dit moment niet goed is, wil de kantonrechter wel aannemen. Dat volgt ook uit de beschuldigingen die over en weer zijn gemaakt tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter is het echter niet eens met [verweerder] dat een terugkeer op de werkvloer niet langer aanvaardbaar zou zijn. Partijen hebben nog geen enkele poging ondernomen om de arbeidsrelatie te herstellen. Zodra de bedrijfsarts [verzoeker] in staat acht om zijn werkzaamheden (deels) te hervatten, zullen partijen met elkaar in gesprek moeten. Voor nu is in ieder geval niet gebleken dat de arbeidsverhouding onherstelbaar is verstoord.
3.19
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. Dit betekent dat [verzoeker] weer zal moeten worden toegelaten tot het werk, zoals door hem verzocht.
Wel werkhervatting, maar geen dwangsom
3.2
[verzoeker] is sinds 27 januari 2026 arbeidsongeschikt wegens ziekte. [verzoeker] verzoekt om toegelaten te worden tot de bedongen arbeid, zodra zijn medische situatie dat toelaat, en op straffe van een door de kantonrechter te bepalen dwangsom.
3.21
Omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, zijn partijen verplicht zich te houden aan de verplichtingen die volgen uit de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen dat [verweerder] zich aan die verplichtingen zal houden. [verzoeker] heeft ook niet gesteld dat [verweerder] niet zal meewerken. De verzochte dwangsom zal daarom worden afgewezen. Het verzoek dat [verzoeker] moet worden toegelaten tot het werk, zodra hij daartoe in staat is, wordt wel toegewezen.
De proceskosten in beide verzoeken komen voor rekening van [verweerder]
3.22
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] ongelijk krijgt in zowel het verzoek als het tegenverzoek. Ook is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] doordat zij [verzoeker] onterecht op staande voet heeft ontslagen. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:
  • in het verzoek: € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing,
  • in het tegenverzoek: € 865,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde).

4.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
4.1
vernietigt het ontslag op staande voet,
4.2
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [verzoeker] van het loon vanaf 9 februari 2026 (€ 4.246,31 bruto per maand, vanaf februari 2026 te vermeerderen met € 128,00 cao-verhoging), te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging (als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro) en te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro) over het te betalen loon en de wettelijke verhoging vanaf datum verschuldigdheid tot aan de dag van gehele betaling,
4.3
veroordeelt [verweerder] om [verzoeker] toe te laten tot de bedongen werkzaamheden zodra zijn medische situatie dat toelaat,
4.4
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.5
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.2 t/m 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad [4] ,
op het tegenverzoek
4.6
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
4.7
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.8
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
op het verzoek en op het tegenverzoek
4.9
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.1
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.9 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
4.11
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
SB5790

Voetnoten

1.Artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
4.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.