ECLI:NL:RBMNE:2026:3076

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/16/609555 / KG ZA 26-175
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWRichtlijn 93/13 EGAlgemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod op betrokkenheid bij procedures wegens onvoldoende bewijs onrechtmatig gebruik klantgegevens

IB Krediet B.V. en Crédit Agricole Consumer Finance Nederland B.V. (IB Krediet c.s.) vorderen in kort geding dat [gedaagde sub 2] c.s. wordt verboden betrokken te zijn bij lopende en toekomstige procedures van consumenten tegen hen. Deze procedures betreffen terugvordering van rente op doorlopende kredietovereenkomsten vanwege vermeende oneerlijke bedingen.

IB Krediet c.s. stelt dat [gedaagde sub 2] c.s. onrechtmatig handelt door gebruik te maken van klantgegevens die in strijd zijn met geheimhoudingsverplichtingen en de AVG. De voorzieningenrechter oordeelt dat IB Krediet c.s. onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens of wanprestatie door bemiddelaars.

Ook het beroep op de AVG wordt verworpen omdat deze bescherming primair geldt ten behoeve van natuurlijke personen en niet om financiële instellingen te beschermen tegen procedures. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vorderingen. IB Krediet c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van IB Krediet c.s. worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig gebruik van klantgegevens; IB Krediet c.s. wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/609555 / KG ZA 26-175
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van

1.IB KREDIET B.V.,

te Amsterdam,
2.
CRÉDIT AGRICOLE CONSUMER FINANCE NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: IB Krediet c.s. en afzonderlijk IB Krediet en CACF Nederland,
advocaten: mr. C. Spierings en mr. G.J.L. Bergervoet te Amsterdam,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 2] c.s. en afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
zonder advocaat.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 46
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2024. Namens IB Krediet c.s. zijn verschenen: de heer [A] ( [functie] bij IB Krediet en CACF Nederland) mevrouw C.M. Pennings (de door IB Krediet c.s. ingeschakelde tolk Engels-Nederlands,) mr. Bergervoet en mr. Spiering. Namens [gedaagde sub 2] c.s. is [gedaagde sub 1] verschenen, voor zichzelf en als statutair bestuurder van [gedaagde sub 2] .
1.3
Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Zowel de advocaten van IB Krediet c.s. als [gedaagde sub 1] hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze stukken, en ook de schriftelijke eiswijziging die IB Krediet c.s. heeft overgelegd, zijn aan de processtukken toegevoegd. De zittingsgriffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat heden vonnis wordt gewezen.

2.Waar de zaak over gaat

2.1
IB Krediet en CACF Nederland maken deel uit van een groep vennootschappen die zich onder meer richt op consumptief doorlopend krediet. Onder de aanduiding IB Krediet c.s. vallen in dit vonnis ook aan hen gelieerde partijen die actief waren of zijn in het geven van consumptief krediet. Sinds enkele jaren vordert een aantal van de consumenten die een doorlopende kredietovereenkomst hadden, terugbetaling van betaalde rente. De reden daarvoor is dat volgens die consumenten de renteafspraak in hun doorlopend kredietovereenkomsten een oneerlijk beding is [1] . [gedaagde sub 2] c.s. treedt bij deze procedures steeds op als gevolmachtigd procesvertegenwoordiger van deze consumenten. Volgens IB Krediet c.s. is dat onrechtmatig jegens haar. IB Krediet c.s. vordert daarom in kort geding een verbod op dit handelen door [gedaagde sub 2] c.s. [2] De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af.

3.De verdere achtergrond van het geschil

3.1
IB Krediet c.s. laat het benaderen van mogelijke klanten voor de kredietovereenkomsten en het tot stand brengen van deze kredietovereenkomsten doorgaans uitvoeren door derde partijen (hierna: bemiddelaars). [gedaagde sub 1] was in 2005 en 2006 als bemiddelaar in loondienst bij vennootschappen van een andere grote verstrekker van doorlopende kredieten, namelijk [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) [.] . In de zes jaar daarna heeft [gedaagde sub 1] – al dan niet via [gedaagde sub 2] – op freelancebasis bemiddelingswerkzaamheden uitgevoerd voor verschillende bemiddelaars, waarbij zij ook doorlopende kredieten van tot stand heeft gebracht.
3.2
Volgens IB Krediet c.s. gebruikt [gedaagde sub 2] c.s. bij het benaderen van mogelijke benadeelde consumenten klantgegevens in strijd met geheimhoudingsverplichtingen die golden voor de bemiddelaars waarvoor [gedaagde sub 2] c.s. heeft gewerkt. Zij profiteert daarmee van de wanprestatie van die bemiddelaars ten opzichte van IB Krediet c.s.. Dat is onrechtmatig. Verder is volgens IB Krediet c.s. sprake van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens omdat [gedaagde sub 2] c.s. bij haar gebruik van de klantgegevens de regels in de AVG [3] overtreedt.

4.De beoordeling

De wijziging van eis wordt geweigerd
4.1
IB Krediet c.s. heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een eiswijziging ingediend. Dit naar aanleiding van het verweer van [gedaagde sub 2] c.s. in de conclusie van antwoord dat de vorderingen onvoldoende bepaald waren. Toen [gedaagde sub 2] c.s. in haar laatste opmerkingen daar nog een refereerde, heeft IB Krediet c.s. alsnog een schriftelijke wijziging van eis ingediend. In feite gaat het om een vermeerdering van eis. [gedaagde sub 2] c.s. heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Dat bezwaar is gegrond. Door op een zo laat moment (IB Krediet c.s. had haar laatste opmerkingen al gemaakt) alsnog de eis te vermeerderen is in strijd met de beginselen van de goede procesorde. [gedaagde sub 2] c.s. onvoldoende de mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de vermeerdering van eis.
IB Krediet c.s. heeft een spoedeisend belang
4.2
Het gaat hier om een voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat IB Krediet c.s. daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is op zichzelf het geval. Op dit moment lopen er nog circa 39 procedures, maar [gedaagde sub 2] c.s. heeft aangekondigd dat er op korte termijn nog circa 40 zullen worden opgestart. Als de betrokkenheid van [gedaagde sub 2] c.s. bij die procedures inderdaad onrechtmatig is, mag IB Krediet c.s. het starten van die procedures met de daarbij behorende kosten voor IB Krediet c.s. proberen te voorkomen. Als die procedures al zijn opgestart, zal de drempel om betrokkenheid daarbij te verbieden ook hoger zijn. In 2016 heeft de voorzieningenrechter [gedaagde sub 2] c.s. verboden om betrokken te zijn bij procedures tegen [onderneming 1] . [4] Dit verbod is echter alleen toegewezen voor toekomstige procedures. De voorzieningenrechter heeft onder 4.17 van het vonnis overwogen dat een verbod op reeds aanhangige procedures te ingrijpend zou zijn.
Geen misbruik van wanprestatie
4.3
De eisers in de procedures tegen IB Krediet c.s. hebben [gedaagde sub 2] c.s. onherroepelijk gevolmachtigd om IB Krediet c.s. namens hen aan te spreken. Op zichzelf is het dan ook niet onrechtmatig dat [gedaagde sub 2] c.s. namens hen die procedures tegen IB Krediet c.s. voert. Dat zou anders kunnen zijn als [gedaagde sub 2] c.s. daarmee misbruik maakt van een wanprestatie van bemiddelaars waarvoor zij heeft gewerkt. Daarvoor is nodig dat aannemelijk is dat [gedaagde sub 2] c.s. gebruik heeft gemaakt van persoonsgegevens die zij heeft gekregen in haar werk voor bemiddelaars. Verder zou moeten vast staan dat voor die bemiddelaars een geheimhoudingsverplichting geldt ten opzichte van IB Krediet c.s.. Er moet ook sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Het is aan IB Krediet c.s. om dat voldoende aannemelijk te maken. Dat is onvoldoende gebleken. De redenen daarvoor zijn de volgende:
  • [gedaagde sub 2] c.s. had geen geheimhoudingsverplichtingen ten opzichte van de bemiddelaars waarvoor zij werkte op freelance basis of via een samenwerkingsovereenkomst.
  • [gedaagde sub 2] c.s. stelt dat de door haar gebruikte gegevens deels zijn verkregen doordat mensen zich aanmelden via haar websites zoals [website] .
  • Verder beschikt [gedaagde sub 2] c.s. over gegevens uit haar samenwerking met [onderneming 2] B.V., hierna [onderneming 2] . [gedaagde sub 2] c.s. heeft daarbij een verklaring overgelegd van [B] , voormalig directeur en enig aandeelhouder van [onderneming 2] . Die verklaart dat [gedaagde sub 1] van eind 2007 tot 2011 heeft samengewerkt met [onderneming 2] . Zij hebben via ‘cold calling’ gezocht naar mensen die lening hadden bij Dexia gekoppeld aan aandelen en mensen met lening en een Kapitaal Opbouw Plan (KOP). Aan hen werd voorgesteld die leningen over te sluiten naar leningen met betere voorwaarden. Volgens [B] is zo een bestand opgebouwd van meer dan 50.000 potentiële klanten. Die database is gedeeld met [gedaagde sub 1] . Zij waren gelijkwaardige partners. Bij de overname van het klantenportefeuille van [onderneming 2] door een derde is [gedaagde sub 1] ook opgenomen als medegerechtigde op de koopsom. Dit blijkt uit verklaring die bij de overname is getekend door [gedaagde sub 1] en de koper.
  • Er is door IB Krediet c.s. geen met [onderneming 2] gesloten overeenkomst ingebracht. IB Krediet c.s. heeft wel overeenkomsten ingebracht die zij heeft gesloten met andere bemiddelaars. Daarin staat een bepaling dat de bemiddelaar de gegevens van klanten van IB Krediet c.s. geheim moet houden. Dat betekent niet zonder meer dat dat ook gold voor [onderneming 2] .
  • Ook als wel een geheimhouding zou gelden voor [onderneming 2] ten opzichte van IB Krediet c.s., dan is het de vraag hoe ver die verplichting van [onderneming 2] reikt. Het betekent niet zonder meer dat het [gedaagde sub 2] c.s. verboden is om (potentiële) klanten aan te schrijven als achteraf blijkt dat een door haar geadviseerd product van IB Krediet c.s. een oneerlijk beding heeft waardoor die klant recht heeft op een vergoeding van IB Krediet c.s.. Zeker nu de bemiddelingsovereenkomst tussen [onderneming 2] en IB Krediet c.s. al lang geleden is geëindigd en niet gebleken is dat het gaat om van IB Krediet c.s. zelf afkomstige klantgegevens.
IB Krediet c.s. kan zich niet beroepen op de AVG
4.4
Ook het beroep op de AVG wordt verworpen. De AVG beschermt personen tegen onjuist gebruik van hun persoonsgegevens. Als bij het verwerken van persoonsgegevens die waarborgen niet zijn nageleefd, is dat weliswaar in beginsel onrechtmatig, maar vooral tegenover die natuurlijke personen en niet – of niet zonder meer – tegenover een financiële instelling als IB Krediet c.s. Dat geldt te meer als die instelling met een beroep op de AVG juist probeert te voorkomen of in ieder geval bemoeilijken dat die natuurlijke personen haar aanspreken. Daar is de AVG niet voor bedoeld. Dat betekent dat in het midden kan blijven óf [gedaagde sub 2] c.s. in strijd met de AVG heeft gehandeld.
De belangenafweging maakt niet dat het gevorderde alsnog wordt toegewezen
4.5
Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De belangen van IB Krediet c.s. zijn niet zodanig dat die desondanks zouden moeten leiden tot het geven van een voorlopige voorziening.
IB Krediet c.s. krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan [gedaagde sub 2] c.s.
4.6
IB Krediet c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] c.s. worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.8
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
wijst de vorderingen van IB Krediet c.s. af,
5.2
veroordeelt IB Krediet c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als IB Krediet c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt IB Krediet c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
JO/4972

Voetnoten

1.Als bedoeld in Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
2.IB Krediet c.s. vordert samengevat om
3.De Algemene Verordening Gegevensbescherming, (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016.
4.Rechtbank Midden-Nederland 7 september 2016,