Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3079

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/605601 / HA ZA 26-32
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 Brussel I bisArt. 7 lid 1 sub a Brussel I bisArt. 7 lid 1 sub b Brussel I bisArt. 7 lid 2 Brussel I bisArt. 25 lid 1 sub a Brussel I bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter niet bevoegd in geschil over paardenkoop via Duits online veilingplatform

In deze civiele zaak vordert eiser een schadevergoeding en ontbinding van een koopovereenkomst van een paard, gesloten via een Duits online veilingplatform. Gedaagden, gevestigd en woonachtig in Duitsland, stellen dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

De rechtbank beoordeelt de bevoegdheid aan de hand van de Brussel I bis-verordening. De hoofdregel dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, is niet van toepassing omdat gedaagden in Duitsland wonen. De alternatieve bevoegdheidsgronden, waaronder een forumkeuzebeding en artikel 7 van Pro Brussel I bis, worden onderzocht.

Hoewel gedaagden zich beroepen op een forumkeuzebeding voor de Duitse rechter, oordeelt de rechtbank dat dit beding niet geldt voor het veilingplatform en dat onvoldoende informatie is verstrekt om het beding tussen eiser en verkoper te bevestigen. De plaats van levering van het paard is Duitsland, waardoor artikel 7 lid 1 sub b Brussel Pro I bis geen bevoegdheid aan de Nederlandse rechter verleent.

Ook de vorderingen tegen het veilingplatform kwalificeren als verbintenissen uit overeenkomst, waarbij de plaats van dienstverrichting in Duitsland ligt. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen kennis te nemen en veroordeelt eiser tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/605601 / HA ZA 26-32
Vonnis in incident van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.A. Wensing,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

woonachtig te ( [postcode] ) [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),
2.
[gedaagde sub 2],
gevestigd te ( [postcode] ) [vestigingsplaats 2] (Bondsrepubliek Duitsland),
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. M.J.F. van den Berg.

1.De procedure

1.1
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
 de dagvaarding met producties 1 t/m 9,
 de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 t/m 6 en
 de conclusie van antwoord in het incident.
1.2
Daarna is bepaald dat vandaag het vonnis in dit incident wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft een paard gekocht van [gedaagde sub 1] via het online veilingplatform van [gedaagde sub 2] . Het paard heeft volgens [eiser] gebreken. In de hoofdzaak vordert [eiser] daarom (onder andere) een schadevergoeding van [gedaagde sub 1] én [gedaagde sub 2] . In dit incident vorderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart. De rechtbank wijst deze vordering toe, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun woonplaats niet in Nederland hebben (maar in Duitsland) en de Nederlandse rechter haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan een van de alternatieve bevoegdheidsgronden zoals genoemd in de Verordening (EU) nummer 1215/2012 (hierna: Brussel I bis).

3.De achtergrond van het geschil

3.1
[gedaagde sub 2] biedt paarden aan op een online veilingplatform namens verkopers. Voordat kopers een bod kunnen uitbrengen, moeten zij de veilingvoorwaarden van [gedaagde sub 2] accepteren. De koopovereenkomst komt uiteindelijk tot stand tussen de koper ( [eiser] in dit geval) en de verkoper ( [gedaagde sub 1] ).
3.2
De koopovereenkomst die [eiser] via het veilingplatform met [gedaagde sub 1] had gesloten, heeft [eiser] buitengerechtelijk ontbonden. In de hoofdzaak vordert [eiser] :
 een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden dan wel vernietigd,
 een vergoeding van [gedaagde sub 1] voor (onder andere) de stallings-, transport-, dierenarts- en verzorgingskosten. De omvang van deze kosten kan [eiser] nog niet precies vaststellen en daarom vordert zij een verwijzing naar een schadestaatprocedure,
 een gebod dat [gedaagde sub 1] het paard weer bij [eiser] ophaalt.
3.3
Daarnaast stelt [eiser] dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat zij (i) geen röntgenfoto’s heeft overgelegd bij de verkoop, (ii) onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de keuring van het paard en (iii) een onvolledig, misleidend en onvoldoende zorgvuldig beeld van de medische toestand van het paard heeft gecreëerd. In de hoofdzaak vordert [eiser] ten aanzien van [gedaagde sub 2] daarom:
 een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2] onzorgvuldig heeft gehandeld ten tijde van de verkoop van het paard en daarom een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiser] en
 om [gedaagde sub 2] te veroordelen om haar schade te vergoeden (ook nader op te maken bij staat).

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt in dit geval beoordeeld aan de hand van Brussel I bis. Het betreft namelijk een na 10 januari 2015 aanhangig gemaakte burgerlijke of handelszaak en gedaagden hebben beide hun woonplaats in een aangesloten lidstaat (Duitsland).
4.2
Op grond van de hoofdregel in artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis moet een gedaagde in beginsel worden opgeroepen voor een gerecht van de lidstaat waar zij woonplaats heeft. Vaststaat dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan die hoofdregel, omdat gedaagden in dit geval niet in Nederland hun woonplaats hebben. De rechtbank moet de vraag of zij bevoegd is daarom beantwoorden op grond van de overige (alternatieve) bevoegdheidsgronden uit Brussel I bis. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak dat de rechtbank haar bevoegdheid per vordering moet beoordelen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beroepen zich op forumkeuze voor Duitse rechter
4.3
In dit geval beroepen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich op een forumkeuzebeding voor de Duitse rechter. Volgens hen hebben zij in de veilingvoorwaarden met [eiser] afgesproken dat alleen de Duitse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil. In artikel XXVI van die voorwaarden staat namelijk:

The place of performance and jurisdiction for all disputes between the buyer and the seller, including those arising from transferred law, is the registered office of the seller. This agreement on the place of jurisdiction shall apply if the buyer is a merchant, a legal entity under public law or a special fund under public law.”
4.4
De rechtbank zou in beginsel eerst moeten nagaan of [eiser] en [gedaagde sub 1] en/of [eiser] en [gedaagde sub 2] inderdaad een exclusief forumkeuzebeding zijn overeengekomen voor de Duitse rechter. In dat geval is de Nederlandse rechter namelijk niet bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.
In het midden kan blijven of [gedaagde sub 1] zich op het forumkeuzebeding kan beroepen
4.5
In dit geval laat de rechtbank (desondanks) in het midden of [eiser] en [gedaagde sub 1] een forumkeuzebeding zijn overeengekomen. Voor die beoordeling heeft de rechtbank namelijk meer informatie nodig.
4.6
Een forumkeuze is geldig als partijen die zijn overeengekomen in een schriftelijke overeenkomst (artikel 25, lid 1, sub a Brussel I bis). Als schriftelijk wordt ook aangemerkt elke elektronische mededeling waardoor de overeenkomst duurzaam geregistreerd wordt (artikel 25, lid 2 Brussel I bis).
4.7
[eiser] heeft online aangevinkt dat zij akkoord ging met de veilingvoorwaarden. Of daarmee sprake is van de hiervoor genoemde elektronische mededeling, hangt af van het antwoord op de vraag of [eiser] de tekst van de veilingvoorwaarden kon afdrukken en opslaan vóór de sluiting van de overeenkomst. [1] Hierover hebben partijen zich niet uitgelaten.
4.8
Deze informatie vraagt de rechtbank niet alsnog op. Dit zou namelijk betekenen dat partijen nog een akte zouden moeten nemen, terwijl het antwoord op de vraag er uiteindelijk niet toe doet. Als [eiser] en [gedaagde sub 1] namelijk géén rechtsgeldig forumkeuze voor de Duitse rechter zouden zijn overeengekomen, kan de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid (ook) niet ontlenen aan artikel 7 Brussel Pro I bis (zie randnummer 4.14 en verder).
[gedaagde sub 2] kan zich in ieder geval niet op het forumkeuzebeding beroepen
4.9
Het beroep van [gedaagde sub 2] op het forumkeuzebeding slaagt in ieder geval niet. Het forumkeuzebeding ziet namelijk alleen op geschillen tussen “buyer” ( [eiser] ) en “seller” ( [gedaagde sub 1] ) en niet (ook) op geschillen tussen “buyer” ( [eiser] ) en het veilingplatform zelf ( [gedaagde sub 2] ). De rechtbank zal daarom ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] nagaan of zij haar bevoegdheid kan ontlenen aan (één van) de bijzondere bevoegdheidsgronden zoals genoemd in artikel 7 van Pro Brussel I bis (zie randnummer 4.20 en verder).
Toetsingskader: artikel 7 Brussel Pro I bis-Verordening
4.1
Artikel 7 sub Pro 1 bevat een alternatieve bevoegdheidsregel voor geschillen over ‘verbintenissen uit overeenkomst’ en artikel 7 sub Pro 2 voor ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’. Deze begrippen moeten autonoom worden uitgelegd, dus niet aan de hand van een nationaal rechtsstelsel (bijvoorbeeld het Nederlandse recht).
4.11
Onder het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ valt elke rechtsvordering die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van art. 7 sub Pro 1. [2] De rechtbank zal daarom eerst nagaan of sprake is van een verbintenis uit overeenkomst voordat zij toekomt aan de vraag of sprake is van een verbintenis uit onrechtmatige daad.
[eiser] / [gedaagde sub 1] : de rechtbank is niet bevoegd
4.12
De rechtsbetrekking tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] kwalificeert als een verbintenis uit overeenkomst, namelijk een koopovereenkomst. Artikel 7 lid 1 sub a bepaalt Pro dat [gedaagde sub 1] in dit geval kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
4.13
[eiser] vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden dan wel vernietigd. De rechtbank begrijpt dat [eiser] in het verlengde daarvan terugbetaling van de koopsom vordert (randnummer 25 van de dagvaarding). Daarnaast vordert [eiser] kortgezegd een schadevergoeding. Deze vorderingen treden in de plaats van de (volgens [eiser] ) niet-nagekomen contractuele verplichtingen. Het zijn met andere woorden vervangende verbintenissen. Op grond van de rechtspraak van het HvJ EU kwalificeert niet de vervangende verbintenis, maar de vervangen (contractuele) verbintenis als “de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt”. [3] In dit geval is de vervangen verbintenis de levering van het paard. Het is dus de vraag waar die verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.
4.14
Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van artikel 7 lid 1 sub b van Pro Brussel I bis. Op grond van dit artikel geldt voor de koop en verkoop van een roerende lichamelijke zaak (een paard in dit geval) dat [gedaagde sub 1] in de lidstaat mag worden opgeroepen waar het paard volgens de overeenkomst geleverd werd of geleverd had moeten worden.
4.15
Op grond van de overeenkomst had het paard in Duitsland geleverd moeten worden. Artikel XXVI bepaalt namelijk dat de statutaire zetel van de verkoper (“
registered office of the seller”) de plaats van uitvoering (de “
place of performance”) is. Weliswaar is van een statutaire zetel (“
registered office”) in dit geval geen sprake, omdat [gedaagde sub 1] (de verkoper) een natuurlijk persoon is en geen bedrijf. Maar de rechtbank legt deze bepaling zo uit dat hiermee de woonplaats van de verkoper wordt bedoeld en als de verkoper een bedrijf is, betekent dit (dus) de statutaire zetel (“
registered office”) van de verkoper bepalend is voor de vraag voor overeenkomst moet worden uitgevoerd.
4.16
Daarbij komt dat het paard ook feitelijk in Duitsland is geleverd. [eiser] heeft het paard namelijk opgehaald bij de stal van de heer Schulte-Märter in Duitsland. Dat [eiser] het paard heeft aangeschaft met het uitdrukkelijke doel het binnen haar onderneming in Nederland in te zetten voor training, fokkerij en commerciële exploitatie doet er niet toe. Voor het antwoord op de vraag waar de materiële overdracht heeft plaatsgevonden, is namelijk alleen relevant waar [eiser] in dit geval de feitelijke beschikkingsmacht over het paard heeft verkregen. [4]
4.17
Dit betekent dat de plaats van levering niet in Nederland ligt en dat de Nederlandse rechter daarom geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 Brussel Pro I bis ten aanzien van de vorderingen op [gedaagde sub 1] . De Nederlandse rechter is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van die vorderingen.
[eiser] / [gedaagde sub 2] : de rechtbank is niet bevoegd
4.18
De rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] kwalificeert ook als een verbintenis uit overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 Brussel Pro I bis en niet als een verbintenis uit onrechtmatige daad, zoals [eiser] stelt.
4.19
Volgens het HvJ EU moet het begrip “verbintenis uit overeenkomst” ruim worden uitgelegd. Het moet volgens HvJ EU gaan om een verbintenis die een partij vrijwillig jegens een andere partij is aangegaan. Hiervan is in dit geval sprake: de vorderingen van [eiser] berusten namelijk op de vrijwillig aangegane verbintenis van [gedaagde sub 2] tot het bij elkaar brengen van kopers en verkopers en van [eiser] tot betaling van veilings- en verzekeringskosten (van € 11.692,50) aan [gedaagde sub 2] .
4.2
Deze overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten. Op grond van artikel 7 sub b Brussel Pro I bis is de rechter bevoegd van de plaats (lidstaat) waar de diensten van [gedaagde sub 2] worden verstrekt. Bij de verrichting van diensten in verschillende lidstaten is de rechter van de plaats waar de diensten
hoofdzakelijkworden verricht, bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen uit de overeenkomst.
4.21
Het gaat daarbij dan om de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht zoals die blijkt uit de bepalingen uit de overeenkomst, alsmede, bij gebrek aan dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst en, indien de plaats op die grondslag niet kan worden bepaald, de woonplaats van de dienstverrichter. [5]
4.22
De kenmerkende of ‘hoofddienst’ van [gedaagde sub 2] is het bij elkaar brengen van verkoper en kopers via haar platform. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat die diensten hoofdzakelijk worden verricht in Nederland. Dit ligt ook niet voor de hand, omdat [gedaagde sub 2] is gevestigd in Duistland en in Duitsland de “ [gedaagde sub 2] Hengstenmarkt” organiseert. Naar aanleiding van die hengstenmarkt organiseert [gedaagde sub 2] vervolgens een online veiling.
4.23
Dit betekent dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 Brussel Pro I bis ten aanzien van de vorderingen op [gedaagde sub 2] . De Nederlandse rechter is daarom (ook) niet bevoegd om kennis te nemen van die vorderingen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
4.24
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] worden begroot op € 1.556,00 (€ 714,00 aan griffierecht, € 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
EM 5792

Voetnoten

1.HvJ EU 21 mei 2015, C-322/14, ECLI:EU:C:2015:334 (
2.HvJ EG 27 september 1988, 189/87, ECLI:EU:C:1988:459 (
3.HvJ EG 6 oktober 1976, 14/76, ECLI:EU:C:1976:134 (
4.HvJ EU 9 juni 2011, C-87/10, ECLI:EU:C:2011:375 (
5.HvJEU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173 (