De vader en dochter vorderden dat de dochter medehuurder van de woning zou worden. De kantonrechter stelde in een tussenvonnis bewijslevering toe omtrent gezamenlijke kosten van huisvesting en levensonderhoud en de financiële waarborg van de dochter.
Uit de ingediende bankafschriften bleek dat de dochter niet structureel bijdroeg aan de vaste lasten en dat de financiële verwevenheid ontbrak. De kantonrechter oordeelde dat de dochter en vader geen gemeenschappelijke huishouding voeren, ondanks samenwonen en gedeelde huishoudelijke taken.
De vordering werd daarom afgewezen. De vader en dochter werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter J.M. van Wegen op 27 mei 2026.