Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3087

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
11728745 \ MC EXPL 25-3197 D/51246
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering medehuur dochter wegens ontbreken gemeenschappelijke huishouding

De vader en dochter vorderden dat de dochter medehuurder van de woning zou worden. De kantonrechter stelde in een tussenvonnis bewijslevering toe omtrent gezamenlijke kosten van huisvesting en levensonderhoud en de financiële waarborg van de dochter.

Uit de ingediende bankafschriften bleek dat de dochter niet structureel bijdroeg aan de vaste lasten en dat de financiële verwevenheid ontbrak. De kantonrechter oordeelde dat de dochter en vader geen gemeenschappelijke huishouding voeren, ondanks samenwonen en gedeelde huishoudelijke taken.

De vordering werd daarom afgewezen. De vader en dochter werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter J.M. van Wegen op 27 mei 2026.

Uitkomst: De vordering tot medehuur van de dochter wordt afgewezen wegens ontbreken van gemeenschappelijke huishouding en gezamenlijke kostenvoorziening.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11728745 \ MC EXPL 25-3197 D/51246
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van

1.[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
2.
[de dochter],
hierna te noemen: de dochter,
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. J. Verheij (JAW Advocaten),
tegen
de stichting
WONINGSTICHTING GOEDESTEDE,
gevestigd en kantoorhoudend in Almere,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de verhuurder,
gemachtigde: mr. L. Wanders (Okkerse & Schop Advocaten).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026;
- de akte van de vader en de dochter met producties 5 en 6;
- de antwoordakte van de verhuurder met producties 5 en 6.
1.2
De kantonrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.

2.De verdere beoordeling

De bewijsopdracht aan de vader en de dochter
2.1
De vader en de dochter vorderen dat de kantonrechter bepaalt dat de dochter medehuurder van de woning is. In het tussenvonnis van 21 januari 2026 heeft de kantonrechter de vader en de dochter toegelaten om bewijs te leveren van:
feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat zij gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en de kosten van het levensonderhoud;
feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de dochter vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
De kantonrechter vindt dat de vader en de dochter geen feiten en omstandigheden hebben bewezen waaruit volgt dat zij gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en de kosten van het levensonderhoud. Alleen daarom al wijst de kantonrechter de vordering van de vader en de dochter af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
Geen bewijs dat de vader en de dochter gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en levensonderhoud
2.2
Om te bewijzen dat zij de kosten van huisvesting en levensonderhoud samen delen, hebben de vader en de dochter de volgende stukken ingediend:
  • een bankafschrift van de vader van de maand januari 2026;
  • bankafschriften van de dochter in de periode vanaf 31 januari 2024 tot en met 31 januari 2026.
De kantonrechter vindt deze stukken niet voldoende. Vast staat dat de vader vanaf zijn bankrekening de huur, de nutsvoorzieningen en de verzekering betaalt. Volgens de vader en de dochter maakt de dochter iedere maand € 1.100,- naar de vader over als bijdrage voor deze vaste lasten. Uit de bankafschriften van de dochter blijkt dat dit niet klopt. De dochter heeft in twee jaar tijd tien keer een betaling van € 1.100,- aan de vader gedaan. Deze betalingen zijn verspreid over tien maanden. Zij heeft ook een paar keer een ander bedrag (variërend van € 250,- tot € 1.250,-) overgemaakt. De kantonrechter gaat ervan uit dat de dochter in de overige maanden niets aan de vader heeft betaald, omdat de vader en de dochter van die maanden geen (volledige) bankafschriften hebben ingediend. Dat de dochter structureel meebetaalt aan de huur, de nutsvoorzieningen en de verzekering(en) is de kantonrechter daarom niet gebleken, nog daargelaten dat uit de bankafschriften van dochter ook niet blijkt ten behoeve waarvan zij deze bedragen over heeft gemaakt omdat een omschrijving ontbreekt. Daarnaast is niet duidelijk geworden of de vader de financiële bijdragen van de dochter daadwerkelijk aan de vaste lasten heeft besteed. Van de vader is maar één bankafschrift ingediend. De verhuurder heeft terecht naar voren gebracht dat dit bankafschrift niet representatief is. Het bankafschrift is namelijk van de maand januari 2026 (dus van na de mondelinge behandeling) en zegt niets over de twee jaren voorafgaand aan deze procedure. De vader en de dochter hadden in ieder geval bankafschriften van de vader uit 2024 en 2025 kunnen en moeten indienen en, zo mogelijk, ook bankafschriften over de jaren die daaraan voorafgaan.
2.3
De vader en de dochter stellen verder dat zij financieel met elkaar verweven zijn omdat de dochter gezamenlijke boodschappen, kosten voor (streaming)abonnementen (zoals Spotify, Videoland en Netflix) en kosten voor bestellingen via Thuisbezorgd.nl of Uber Eats voor haar rekening neemt. De kantonrechter deelt dit standpunt niet. Uit de bankafschriften van de dochter blijkt weliswaar dat zij kosten voor bijvoorbeeld boodschappen en streamingsdiensten heeft betaald, maar hieruit volgt nog niet dat dit gezamenlijke kosten zijn. Het kan ook gaan om persoonlijke kosten van de dochter.
2.4
De kantonrechter is door de bankafschriften niet overtuigd dat de vader en de dochter de kosten voor huisvesting en levensonderhoud samen delen. Het gebrek aan financiële verwevenheid weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder dan de omstandigheid dat de vader en de dochter sinds 2016 samenwonen, dat zij de huishoudelijke taken verdelen en dat zij samen (sociale) activiteiten ondernemen. Van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding is niet gebleken. Dat betekent dat de kantonrechter de vordering van de vader en de dochter zal afwijzen. De aanvullende standpunten van partijen over de financiële draagkracht van de dochter kunnen onbesproken blijven.
De vader en de dochter moeten hoofdelijk de proceskosten betalen
2.5
De vader en de dochter hebben ongelijk gekregen en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van verhuurder worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
2.6
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.7
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1
wijst de vorderingen van de vader en de dochter af;
3.2
veroordeelt de vader en de dochter hoofdelijk in de proceskosten van € 864,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de vader en de dochter niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten de vader en de dochter ook de kosten van betekening betalen;
3.3
veroordeelt de vader en de dochter hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.4
verklaart de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.