Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3089

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
12207211 \ MV EXPL 26-59 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot betaling achterstallig loon en nevenvorderingen in kort geding

In deze kortgedingprocedure vordert de werknemer betaling van achterstallig loon en nevenvorderingen van haar werkgever. De arbeidsovereenkomst liep van 1 april 2025 tot 1 april 2026, waarbij de werknemer zich op 29 oktober 2025 ziek meldde. Vanaf februari 2026 ontving zij geen loon meer. De werkgever is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

De kantonrechter stelt vast dat de werknemer een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en dat deze aannemelijk zijn. De loonbetalingen over februari en maart 2026, de vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en niet-genoten vakantie-uren worden toegewezen. De wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over de achterstallige bedragen worden eveneens toegewezen, evenals de buitengerechtelijke incassokosten.

De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door de kantonrechter op 27 mei 2026.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van achterstallig loon, nevenvorderingen, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12207211 \ MV EXPL 26-59 AW/1583
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Moussaoui, werkzaam bij FNV,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
[eiser] heeft [gedaagde] op 8 mei 2026 in kort geding gedagvaard om op 20 mei 2026 voor de kantonrechter te verschijnen. Daarbij heeft [eiser] tien producties meegestuurd.
1.2
De zaak is op 20 mei 2026 bij de kantonrechter besproken. [eiser] is verschenen. [eiser] is tijdens de zitting bijgestaan door haar gemachtigde mr. Moussaoui. [gedaagde] is niet verschenen. [gedaagde] heeft aangegeven vanwege een plotselinge ziekenhuisopname van een familielid bij de zitting niet aanwezig te kunnen zijn. [gedaagde] heeft niet verzocht om uitstel van de zitting. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
1.3
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] stelt dat zij op 1 april 2025 voor de duur van 1 jaar, te weten tot 1 april 2026, in dienst is getreden bij [gedaagde] . [eiser] heeft zich op 29 oktober 2025 ziekgemeld. [eiser] heeft vanaf februari 2026 geen loon meer ontvangen. [eiser] vordert in dit kort geding om [gedaagde] te veroordelen onder andere tot betaling van haar loon. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.

3.De beoordeling

Verstek
3.1
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde] verstek zal worden verleend.
Het toetsingskader in dit kort geding
3.2
In dit kort geding moet allereerst worden beoordeeld of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van partijen niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Vervolgens moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. In dit vonnis geeft de kantonrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Spoedeisend belang
3.3
Het vereiste spoedeisend belang bij de vorderingen tot betaling van loon en de nevenvorderingen is, gelet op de aard van de vorderingen en hetgeen daarover door [eiser] is gesteld, aanwezig. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] inhoudelijk kunnen worden behandeld.
Het loon, de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering, de niet genoten vakantie uren, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente moeten worden betaald
3.4
Omdat er geen verweer is gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] , tenzij de vorderingen hem onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
3.5
Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] het loon vanaf februari 2026 niet aan [eiser] heeft betaald. De kantonrechter zal haar daarom veroordelen tot betaling van de verschuldigde loonbetalingen over de maanden februari en maart 2026. Omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 april 2026 en [gedaagde] de gevorderde bedragen niet heeft betwist, zal de kantonrechter [gedaagde] ook veroordelen tot betaling van de vakantietoeslag van € 2.139,83 bruto, de eindejaarsuitkering van € 960,98 bruto en de opgenomen, maar niet genoten vakantie uren van € 981,25 bruto. De vakantiebijslag en eindejaarsuitkering, zijn eenmaal toewijsbaar en niet zoals door [eiser] gevorderd, tweemaal.
3.6
Nu [gedaagde] het loon, de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten vakantie uren niet tijdig heeft betaald, zal ook de wettelijke verhoging worden toegewezen. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
3.7
De wettelijke rente zal ook worden toegewezen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de gevorderde bedragen tot aan de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.8
[eiser] vordert tenslotte vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 842,98. Ook deze eis lijkt niet onrechtmatig of ongegrond en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.9
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.141,02

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.638,80 bruto per maand over de maanden februari en maart 2026, de vakantietoeslag van € 2.139,83 bruto, de eindejaarsuitkering van € 960,98 bruto en de vakantie uren van € 981,25 bruto,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50% over het achterstallige loon, de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de vakantie uren,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over het achterstallige loon, de vakantietoeslag, de eindejaarsuitkering en de vakantie uren vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag van voldoening;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 842,98 aan buitengerechtelijke kosten,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.141,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.