ECLI:NL:RBMNE:2026:309

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
570794
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling begeleide omgangsregeling vader-kind

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige zoon. Na advies van de Raad voor de Kinderbescherming en een eerdere beschikking in oktober 2024, werd het verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen vanwege het ontbreken van minimale communicatie en samenwerking tussen de ouders. De Raad constateerde dat de ouders niet in staat zijn om samen belangrijke beslissingen te nemen en dat gezamenlijke gezagsuitoefening de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor het kind zou kunnen schaden.

Daarnaast stelde de rechtbank een omgangsregeling vast waarbij de vader om de week op woensdag van 11.00 tot 13.00 uur onder begeleiding van het netwerk omgang heeft met het kind. Deze regeling is gebaseerd op de onstabiele omgang tot nu toe, waarbij de vader meerdere keren zonder voorafgaande melding niet is verschenen. De rechtbank acht regelmatige omgang belangrijk voor de ontwikkeling van het kind, maar kiest voor een haalbare regeling die rust en voorspelbaarheid biedt.

De moeder stemde in met zowel het advies van de Raad als de omgangsregeling. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze ook geldt tijdens een eventueel hoger beroep. De beslissing is genomen door kinderrechter E.G. de Jong en griffier S.C. Scherpenhuijsen en op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen en omgangsregeling onder begeleiding vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/570794 / FL RK 24-175
Gezag en omgang
Beschikking van 14 januari 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.F. Achekar,
tegen
[de moeder],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.S. Gerson.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft in deze procedure op 31 oktober 2024 een eerdere beschikking gegeven. Voor het verloop van de procedure tot 31 oktober 2024 verwijst de rechtbank naar die beschikking. De rechtbank heeft de beslissing op de verzoeken over het gezag en de omgang uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- het rapport van de Raad van 10 juli 2025, toegezonden op 11 juli 2025;
- het F9-formulier van de moeder van 11 juli 2025;
- het F9-formulier van de vader van 16 september 2025.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [A] namens de Raad.
1.4.
De rechtbank heeft de [minderjarige] , de zoon van de ouders, niet gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 31 oktober 2024.

3.De beoordeling

Het gezag
3.1.
De rechtbank zal het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.2.
Voor gezamenlijk gezag is het nodig dat er in ieder geval een minimale communicatie tussen de ouders is. Zij moeten met elkaar kunnen overleggen over [minderjarige] en samen belangrijke beslissingen over hem kunnen nemen. Ook moeten zij afspraken kunnen maken over situaties die zich rond [minderjarige] (kunnen) voordoen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de ouders hiertoe niet in staat zijn. Zij volgt daarin het advies van de Raad. De Raad adviseert het verzoek tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Ook adviseert de Raad om hierover een definitieve beslissing te nemen, zodat beide ouders weten waar ze aan toe zijn. In het raadsrapport staat dat er op dit moment geen communicatie is tussen de ouders en dat de Raad niet verwacht dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt. Bij de vader is er momenteel geen ruimte om te werken aan de samenwerking tussen de ouders. Beide ouders hebben hun eigen problematiek, wat doorwerkt in hun onderlinge dynamiek. De vader heeft moeite met het goed regelen van zaken en ontvangt hiervoor ondersteuning. De moeder ervaart stress in het contact met de vader. De Raad maakt zich zorgen dat deze stress bij gezamenlijk gezag verder zal toenemen, waardoor de moeder onvoldoende emotioneel beschikbaar zal zijn voor [minderjarige] .
3.4.
Op de zitting heeft de advocaat van de vader verklaard dat de vader zich neerlegt bij het oordeel van de rechtbank over het verzoek. De moeder heeft gezegd dat zij zich kan vinden in het advies van Raad. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van het raadsrapport. Zij wijst het verzoek van de vader dan ook af.
De omgangsregeling
3.5.
De rechtbank stelt een omgangsregeling vast waarbij [minderjarige] om de week op woensdag van 11.00 uur tot 13.00 uur omgang heeft met zijn vader onder begeleiding van het netwerk (bij tante [naam] of oma moederzijde thuis). Deze regeling is op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . Hieronder wordt dit toegelicht.
3.6.
Tot nu toe is de omgang tussen de vader en [minderjarige] niet stabiel verlopen. In de zomer van 2025 is met de omgang gestart. Er is toen begonnen met een wekelijkse omgang van twee uur bij oma en tante [naam] thuis. Het idee van beide ouders, de hulpverlening en het betrokken netwerk was dat de omgang later in het jaar 2025 zou worden uitgebreid, mits alles goed verliep. Die uitbreiding heeft echter niet plaatsgevonden.
3.7.
De moeder heeft onweersproken verklaard dat de vader meerdere keren niet is gekomen zonder dit vooraf te melden. Alleen de laatste keer heeft hij zich van tevoren afgemeld. Het niet verschijnen van de vader is vervelend voor [minderjarige] én voor het netwerk. De moeder heeft uitgelegd dat oma en tante [naam] hun agenda afstemmen op de omgang. De moeder brengt [minderjarige] daarvoor ook naar hun huis. Als de vader dan niet verschijnt, is dat voor hen extra vervelend en demotiverend.
3.8.
De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige] regelmatig contact kan hebben met zijn vader, omdat dit belangrijk is voor hun band en [minderjarige] ’s ontwikkeling. Tegelijkertijd vindt de rechtbank het belangrijk dat de omgangsregeling haalbaar is. Dit geeft rust en voorkomt teleurstellingen. Gezien hoe de omgang tot nu toe is verlopen, is een regeling met omgang om de week het meest reëel. De rechtbank volgt hierin het (aangepaste) advies van de Raad op de zitting. De moeder heeft verklaard dat zij zich ook in deze regeling kan vinden.
3.9.
Als het de vader in de toekomst lukt om een stabiele rol in het leven van [minderjarige] te spelen en de omgang goed verloopt, zou een uitbreiding en zonder begeleiding passend kunnen zijn. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat dit voor haar bespreekbaar is. De rechtbank vertrouwt erop dat de ouders – samen met het netwerk en de hulpverlening – op dat moment kunnen bekijken wat haalbaar en passend is.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.10.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt de volgende omgangsregeling regeling vast:
- [minderjarige] heeft om de week op woensdag van 11.00 uur tot 13.00 uur omgang met de vader onder begeleiding van het netwerk;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst het verzoek van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter in samenwerking met mr. S.C. Scherpenhuijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.