ECLI:NL:RBMNE:2026:3093

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
12007829 \ AC EXPL 25-2791
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:752 BWArt. 7:758 BWArt. 6:89 BWArt. 7:760 BWArt. 6:262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over betaling en gebreken bij tegelwerkzaamheden in bedrijfsruimte

Partijen sloten op 1 mei 2025 een aannemingsovereenkomst voor tegelwerk in de keuken van de bedrijfsruimte van gedaagde. Eiser begon op 4 augustus 2025 en rondde het werk op 26 augustus 2025 af. Gedaagde betaalde vooraf € 1.500, maar weigerde de resterende factuur van € 8.986,91 wegens gebreken aan het tegelwerk op de vloer.

De rechtbank oordeelde dat er geen vaste prijs was overeengekomen, slechts een richtprijs van € 25 per m², en dat eiser onterecht een hoger uurtarief in rekening bracht zonder waarschuwing. De oplevering was niet rechtsgeldig omdat gedaagde op vakantie was en het werk niet kon inspecteren. Gedaagde klaagde tijdig over gebreken.

De wanden waren goed getegeld, maar de vloer vertoonde hoogteverschillen en afwijkende tegels, wat een tekortkoming vormt. Gedaagde was gerechtigd betaling op te schorten en de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden. De vorderingen van eiser en gedaagde werden afgewezen, waarbij proceskosten aan beide partijen werden toegewezen.

Uitkomst: Vorderingen van beide partijen worden afgewezen; geen betaling van resterende factuur en geen vergoeding herstelkosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12007829 \ AC EXPL 25-2791
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [.] ,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Z. Acer.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 23,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 28,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft tegels gelegd bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft de factuur van € 8.986,91 niet betaald en [eiser] vordert daarvan betaling. Volgens [gedaagde] vertoont het tegelwerk gebreken. [gedaagde] heeft daarom een tegenvordering ingesteld voor het betalen van de herstelkosten van ten minste € 6.670. Allebei de vorderingen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank tot die conclusie komt.

3.De beoordeling

3.1
De vorderingen van [eiser] (in conventie) en de vorderingen van [gedaagde] (in reconventie) hangen zo sterk met elkaar samen, dat zij hierna samen worden behandeld.
De afspraken tussen partijen
3.2
Tussen partijen staat vast dat zij op 1 mei 2025 een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten. [eiser] zou bij [gedaagde] tegelwerkzaamheden uitvoeren aan de vloer en de wanden in de keuken. [eiser] is op 4 augustus 2025 met het werk begonnen. Op 26 augustus 2025 zijn de werkzaamheden afgerond. [gedaagde] heeft vooraf een bedrag van € 1.500,00 aan [eiser] betaald.
De prijsafspraken
3.3
Partijen verschillen van mening over de prijs die voor de werkzaamheden is afgesproken. Er is geen schriftelijke offerte opgesteld. [eiser] heeft hierover verklaard dat partijen elkaar kenden en de afspraken daarom op basis van vertrouwen zijn gemaakt. Ook is er geen totaalprijs voor de werkzaamheden overeengekomen. Wel zijn partijen het erover eens dat aanvankelijk een prijs van € 25,00 per m² voor het tegelwerk is afgesproken. Omdat partijen daaraan geen totale prijs voor het gehele werk hebben afgesproken en ook geen verdere uitwerking hebben gegeven voor andere werkzaamheden, kan deze afspraak niet worden gezien als een vaste prijs voor de hele opdracht, maar als een richtprijs.
Wijziging van de opdracht en omstandigheden tijdens de uitvoering
3.4
Vaststaat dat de oorspronkelijke opdracht voorafgaand aan de uitvoering is gewijzigd en uitgebreid op verzoek van [gedaagde] . [gedaagde] heeft namelijk gevraagd of [eiser] ook het zitgedeelte van de zaak wil tegelen. Daarnaast staat vast dat zich tijdens de uitvoering omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed waren op de uitvoeringstijd. [eiser] heeft gesteld dat was afgesproken dat de vloer geheel zou worden leeggeruimd voordat hij met de werkzaamheden zou beginnen. Volgens [eiser] was daarvan geen sprake, waardoor hij zelf spullen heeft moeten verplaatsen en meer tijd kwijt was aan de uitvoering. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zijn zoon en een medewerker deze spullen tijdens de werkzaamheden zouden verplaatsen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat deze personen uiteindelijk niet zijn verschenen en dat [eiser] deze werkzaamheden daarom zelf heeft moeten verrichten. De kantonrechter vindt het dan ook voldoende aannemelijk dat [eiser] tijdens de uitvoering extra werkzaamheden heeft moeten verrichten en dat de opdracht minder eenvoudig bleek dan partijen eerst voor ogen hadden. Daarom is [eiser] meer tijd kwijt geweest aan het vrijmaken van de werkruimte.
Geen overeenstemming over uurtarief en extra uren3.5 Dat betekent alleen niet dat [eiser] daarna zonder overleg mocht overstappen op facturering op basis van een door hem vastgesteld uurtarief. [eiser] heeft op de zitting verklaard dat hij tijdens het werk een uurtarief is gaan hanteren in plaats van de afgesproken € 25,00 per m², maar dat hij dit hogere tarief niet aan [gedaagde] heeft medegedeeld. Ook heeft hij gezegd dat [gedaagde] niet met dit uurtarief of met een verhoging van het aantal te factureren uren heeft ingestemd. [gedaagde] heeft zowel het gehanteerde uurtarief als het aantal opgevoerde uren uitdrukkelijk betwist.
3.6
Als bij aanneming van werk geen vaste prijs is afgesproken, bepaalt artikel 7:752 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) dat de opdrachtgever ( [gedaagde] ) een redelijke prijs moet betalen. Wanneer wel een richtprijs is gegeven, mag die prijs in beginsel niet meer dan 10% worden overschreden, tenzij de aannemer ( [eiser] ) de opdrachtgever tijdig heeft gewaarschuwd dat de prijs hoger zal uitvallen. Die waarschuwing moet op tijd worden gegeven, zodat de opdrachtgever nog kan beslissen het werk aan te passen of te beperken.
3.7
[eiser] heeft geen waarschuwing gegeven aan [gedaagde] . Door het uurtarief en de extra uren niet met [gedaagde] te bespreken, heeft [eiser] [gedaagde] de mogelijkheid ontnomen om de opdracht aan te passen, te beperken of andere keuzes te maken. Onder deze omstandigheden kan [eiser] geen aanspraak maken op betaling van een eenzijdig vastgesteld uurtarief of op vergoeding van niet overeengekomen extra uren.
Conclusie3.8 De kantonrechter zal daarom uitgaan van de oorspronkelijke richtprijs van € 25,00 per m² voor het tegelwerk en daarnaast beoordelen of voor eventuele aanvullende werkzaamheden een redelijke vergoeding verschuldigd is.
Het werk is niet opgeleverd
3.9
[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het werk op 26 augustus 2025 is opgeleverd en dat hij vanaf dat moment niet langer aansprakelijk is voor zichtbare gebreken, die hierna zullen worden besproken. Volgens [eiser] heeft de oplevering plaatsgevonden doordat hij op die datum foto’s van het afgeronde werk aan [gedaagde] heeft gestuurd waarop [gedaagde] heeft gereageerd:
“Dankjewel vriend ik zie je binnenkort”.
3.1
Op grond van artikel 7:758 BW Pro wordt het werk wordt als opgeleverd beschouwd, kort gezegd, zodra de opdrachtgever het werk - al dan niet onder voorbehoud - heeft aanvaard. In dit geval staat vast dat [gedaagde] ten tijde van het toezenden van de foto’s met vakantie was. [eiser] was daarvan op de hoogte. [gedaagde] had daardoor geen mogelijkheid om het werk persoonlijk ter plaatse te inspecteren. Onder deze omstandigheden kan het enkele toezenden van foto’s niet worden aangemerkt als een oplevering in de zin van artikel 7:758 BW Pro. [gedaagde] heeft daardoor geen reële gelegenheid gehad het werk te keuren en eventuele gebreken vast te stellen. Van uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding door [gedaagde] is dan ook geen sprake geweest. De reactie van [gedaagde] op het bericht van [eiser] met de foto’s kan niet worden opgevat als een aanvaarding van het werk of het doen van afstand van het recht om later nog over gebreken te klagen. Dat betekent dat [eiser] zich niet met succes erop kan beroepen dat hij na 26 augustus 2025 niet langer verantwoordelijk was voor zichtbare gebreken.
[gedaagde] heeft op tijd geklaagd
3.11
[eiser] heeft daarnaast aangevoerd dat [gedaagde] niet tijdig heeft geklaagd over de gestelde gebreken. Op grond van artikel 6:89 BW Pro moet een schuldeiser binnen bekwame tijd nadat hij een gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, daarover klagen. Wat als bekwame tijd geldt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Vaststaat dat [gedaagde] op 27 augustus 2025, snel na ontvangst van de foto’s, aan [eiser] heeft laten weten dat niet alles in orde was. Vervolgens heeft [eiser] op 2 september 2025 nog herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Hieruit volgt dat [eiser] op korte termijn op de hoogte was van de klachten van [gedaagde] . Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] te laat heeft geklaagd. Het beroep van [eiser] op schending van de klachtplicht slaagt daarom niet.
De wanden zijn goed getegeld
3.12
De opdracht bestond uit twee onderdelen: het betegelen van de vloer en het betegelen van de wanden. Ten aanzien van het tegelwerk aan de wanden heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat hij over dat onderdeel van de werkzaamheden tevreden is. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat hij voor dit onderdeel een bedrag van € 1.500 redelijk vindt en bereid is dat bedrag te voldoen. [eiser] heeft niet weersproken dat een bedrag van € 1.500 een redelijke vergoeding is voor het tegelwerk aan de wanden. Vaststaat dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure een bedrag van € 1.500 aan [eiser] heeft betaald. De kantonrechter zal deze betaling daarom toerekenen aan het goed uitgevoerde tegelwerk aan de wanden. Dat betekent dat voor het tegelwerk aan de wanden geen bedrag meer openstaat en dat daarvoor niets meer zal worden toegewezen.
Het tegelwerk op de vloer is niet goed
3.13
Ten aanzien van het tegelwerk op de vloer heeft [gedaagde] uitgelegd dat het uitgevoerde werk gebreken vertoont. Volgens [gedaagde] zijn er drie gebreken:
Er zitten hoogteverschillen in de vloer,
Er zijn verkeerde tegels gebruikt op de vloer,
De tegels zijn te glad.
3.14
Op grond van artikel 7:760 BW Pro is de aannemer gehouden het werk goed en deugdelijk uit te voeren en op te leveren. Van een aannemer mag worden verwacht dat het opgeleverde werk voldoet aan de overeenkomst en de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogen worden gesteld.
(ad 1) Hoogteverschillen in de vloer
3.15
[eiser] heeft niet betwist dat er hoogteverschillen aanwezig zijn in de vloer. Hij heeft aangevoerd dat dit niet aan hem is toe te rekenen, omdat de loodgieter en elektricien over de geëgaliseerde ondervloer hebben gelopen. Een tegelvloer met duidelijke hoogteverschillen kan niet worden aangemerkt als goed en deugdelijk werk. Ook als het juist is dat derden over de geëgaliseerde ondervloer hebben gelopen, ontslaat dat [eiser] niet van zijn verantwoordelijkheid voor het eindresultaat. Het had in dat geval op zijn weg gelegen om passende maatregelen te nemen om de hoogteverschillen te voorkomen of te herstellen voordat met het tegelwerk werd begonnen. [eiser] had bijvoorbeeld opnieuw kunnen egaliseren of [gedaagde] uitdrukkelijk kunnen waarschuwen dat zonder aanvullende werkzaamheden geen deugdelijk resultaat kon worden bereikt. [eiser] heeft dat niet gedaan. Dat dit soort maatregelen mogelijk extra tijd of kosten met zich zouden brengen, maakt dit niet anders.
(ad 2) Afwijkende tegelsoorten
3.16
[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat op de vloer drie verschillende soorten tegels zijn verwerkt, terwijl was afgesproken dat twee soorten tegels zouden worden gebruikt. [eiser] heeft niet voldoende weersproken dat partijen waren uitgegaan van het gebruik van twee soorten tegels. Ook heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk was om een derde soort tegel te gebruiken. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] heeft gesteld dat voor de afgesproken vloeroppervlakte voldoende tegels waren ingekocht. Deze stelling vindt steun in de overgelegde stukken over de oppervlakte van de [gedaagde] (45 m²) en de gefactureerde hoeveelheden tegels (57 m²). [eiser] heeft daartegenover onvoldoende concreet toegelicht waarom desondanks extra, afwijkende tegels nodig waren. [eiser] heeft wel uitgelegd dat er een extra strook in de spoelkeuken met andere tegels kon worden gelegd omdat dit gedeelte voor klanten niet zichtbaar is, maar niet waarom er te weinig tegels waren. [eiser] heeft hierover nog gezegd dat als [gedaagde] aanwezig zou zijn geweest tijdens de werkzaamheden, dit probleem voorkomen had kunnen worden omdat [gedaagde] had kunnen zien dat de verkeerde tegels gelegd werden. De rechtbank gaat hier niet in mee. Het lag op de weg van [eiser] om het werk overeenkomstig de gemaakte afspraken uit te voeren. Daar mag [gedaagde] ook op vertrouwen. Bovendien heeft [eiser] op de zitting erkend dat er andere tegels zijn geplaatst dan was voorzien. Hij heeft dit zelf aangeduid als esthetisch gebrek. Daarmee staat vast dat het uitgevoerde werk op dit punt afwijkt van hetgeen tussen partijen was afgesproken.
(ad 3) Gladheid tegels3.17 [gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat de vloertegels zeer glad zijn. Omdat al is vastgesteld dat de vloer op meerdere punten niet goed is, kan dit punt in het midden blijven.
Conclusie
3.18
De aanwezige hoogteverschillen in de vloer en de afwijkende tegels in de keuken, leveren een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op door [eiser] . De kantonrechter zal hierover geen verklaring voor recht afgeven omdat [gedaagde] hierbij geen belang heeft. Zoals hieronder verder wordt uitgelegd, hoeft [gedaagde] namelijk niets meer te betalen op grond van de overeenkomst.
[gedaagde] heeft de overeenkomst terecht opgeschort
3.19
Op grond van artikel 6:262 BW Pro is een partij bij een wederkerige overeenkomst bevoegd de nakoming van haar eigen verplichting op te schorten, als de wederpartij tekortschiet in de nakoming van een opeisbare verplichting. Verder geldt bij gedeeltelijke of niet-behoorlijke nakoming dat opschorting alleen is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt (artikel 6:262 lid 2 BW Pro). Dat laatste betreft een uit de redelijkheid en billijkheid volgende proportionaliteit. De grens ligt daar, waar de opschorting disproportioneel wordt. Omdat hiervoor is vastgesteld dat sprake is van gebrekkig uitgevoerd werk, en dus een tekortkoming in de nakoming van een opeisbare verplichting, was [gedaagde] bevoegd haar betalingsverplichting op te schorten. De vloer vormt een wezenlijk onderdeel van de opdracht en van de bedrijfsruimte van [gedaagde] . Daarbij heeft [gedaagde] uitgelegd dat de hoogteverschillen in de tegels risico’s met zich meebrengen voor de medewerkers als zij bijvoorbeeld hete olie moeten verplaatsen. Het gaat dus niet om alleen esthetische gebreken, zoals [eiser] vindt. De opschorting van [gedaagde] is daarom gerechtvaardigd.
De overeenkomst wordt gedeeltelijk ontbonden
3.2
Op de zitting heeft [gedaagde] aangegeven dat zij de overeenkomst gedeeltelijk wil ontbinden. De tekortkoming van [eiser] leidt ertoe dat de vordering van [gedaagde] om de overeenkomst te ontbinden slaagt: het uitgangspunt is namelijk dat iedere tekortkoming van een partij de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis die ontbinding niet rechtvaardigt. Dat laatste is hier niet het geval, zoals hiervoor bij de opschorting al besproken is.
3.21
Het tweede vereiste voor een geldige ontbinding is dat [eiser] in verzuim is (artikel 6:265 lid 2 BW Pro). Hieraan is ook voldaan. [eiser] heeft op 2 september 2025 herstelwerkzaamheden verricht, maar daarbij niet alle gebreken verholpen. Vervolgens heeft [gedaagde] [eiser] op 10 september 2025 schriftelijk in gebreke gesteld en daarbij een redelijke termijn gegeven om de resterende gebreken te herstellen. [eiser] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Dat betekent dat hij in verzuim is geraakt. Onder deze omstandigheden is [gedaagde] bevoegd de overeenkomst voor zover deze betrekking heeft op de vloerwerkzaamheden gedeeltelijk te ontbinden.
Gevolgen van de gedeeltelijke ontbinding
3.22
Op grond van artikel 6:271 BW Pro bevrijdt ontbinding partijen van de nog niet nagekomen verbintenissen voor het ontbonden gedeelte van de overeenkomst. Al verrichte prestaties moeten in beginsel ongedaan worden gemaakt. In dit geval gaat het om al aangebracht tegelwerk op de vloer. Feitelijke ongedaanmaking daarvan ligt niet in de rede, omdat verwijdering van de tegels ingrijpende werkzaamheden met zich meebrengt. In dat geval treedt op grond van artikel 6:272 BW Pro een vergoeding naar de waarde van de prestatie in de plaats.
3.23
De kantonrechter ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om aan [eiser] nog een aanvullende vergoeding toe te kennen voor het tegelwerk aan de vloer. Daarbij weegt mee dat dit onderdeel van het werk gebrekkig is uitgevoerd en [gedaagde] de overeenkomst terecht gedeeltelijk heeft ontbonden. Daar staat tegenover dat [gedaagde] geen aanspraak heeft op terugbetaling van het betaalde bedrag van € 1.500, omdat dit bedrag, zoals hiervoor overwogen, moet worden toegerekend aan het deugdelijk uitgevoerde tegelwerk aan de wanden. Dat betekent dat [gedaagde] geen verdere betaling aan [eiser] verschuldigd is en [eiser] ook niet gehouden is een bedrag aan [gedaagde] terug te betalen.
Het beroep van [eiser] op de redelijkheid en billijkheid en eigen schuld gaat niet op
Geen strijd met de redelijkheid en billijkheid
3.24
[eiser] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gevolgen van het uitblijven van een directe reactie van [gedaagde] na toezending van de foto’s voor zijn rekening komt. Volgens [eiser] was [gedaagde] op vakantie en heeft zij, nadat de foto’s op 26 augustus 2025 waren verzonden, niet direct laten weten dat zij het niet eens was met de uitvoering van het werk. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Zoals hiervoor is overwogen, was [eiser] ermee bekend dat [gedaagde] op vakantie was en daardoor niet in de gelegenheid was het werk persoonlijk ter plaatse te beoordelen. Onder die omstandigheden mocht [eiser] uit het uitblijven van een onmiddellijke reactie over de klachten niet afleiden dat [gedaagde] het werk had aanvaard of geen bezwaren had tegen de uitvoering daarvan. Daarbij komt dat [gedaagde] kort daarna, op 27 augustus 2025, wel degelijk heeft laten weten dat niet alles in orde was. Vervolgens heeft [eiser] ook nog herstelwerkzaamheden verricht. Daaruit volgt dat het voor [eiser] kenbaar was dat [gedaagde] het werk niet zonder meer accepteerde.
Geen eigen schuld van [gedaagde]
3.25
[eiser] heeft daarnaast een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [gedaagde] , in die zin dat [gedaagde] op de toegezonden foto’s had kunnen zien dat andere tegels waren gebruikt en daartegen eerder bezwaar had kunnen maken. Ook dit verweer slaagt niet. Van [gedaagde] kon, terwijl zij afwezig was en het werk slechts aan de hand van foto’s kon beoordelen, niet worden verlangd dat zij op dat moment alle afwijkingen en mogelijke gebreken volledig zou onderkennen. Een beoordeling aan de hand van foto’s is niet gelijk te stellen aan een inspectie ter plaatse. Bovendien heeft [gedaagde] binnen korte tijd na ontvangst van de foto’s haar bezwaren kenbaar gemaakt.
De gevorderde herstelkosten door [gedaagde] worden afgewezen
3.26
[gedaagde] vordert in reconventie vergoeding van schade, waaronder herstelkosten voor de vloer en omzetderving omdat er opnieuw getegeld moet worden waardoor [gedaagde] dicht moet. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst in conventie gedeeltelijk is ontbonden voor zover deze betrekking heeft op het tegelwerk aan de vloer. Als gevolg daarvan is geoordeeld dat [gedaagde] het door [eiser] gevorderde restant van de aanneemsom niet meer verschuldigd is. Daarmee is [gedaagde] in de gelegenheid om het bedrag dat hij niet meer aan [eiser] hoeft te voldoen te gebruiken voor herstel of vervanging van de vloer door een derde. Tegen die achtergrond bestaat onvoldoende grond om daarnaast nog afzonderlijk de door [gedaagde] gevorderde herstelkosten toe te wijzen. Dat zou namelijk neerkomen op een vergoeding voor herstel terwijl voor het oorspronkelijke werk niet betaald is. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard zich erin te kunnen vinden dat, als de vordering in conventie wordt afgewezen, de vordering in reconventie ook wordt afgewezen. Bovendien is de gevorderde schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde omzetderving geldt dat het gaat om toekomstige en onzekere schade. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze schade zich daadwerkelijk zal voordoen. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat herstelwerkzaamheden uitsluitend tijdens de openingstijden van [gedaagde] kunnen plaatsvinden. Vaststaat dat de eerdere werkzaamheden ook hebben plaatsgevonden gedurende de vakantieperiode van [gedaagde] , terwijl de zaak gesloten was.
[eiser] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen in conventie
3.27
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen in reconventie
3.28
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.29
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
LLO 5791