Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3098

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610738 / KG ZA 26-244
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 lid 2 Rvartikel 5.3 NBBU-voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels opheffing conservatoir beslag wegens summierlijk ondeugdelijke vordering dubbele facturering

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de opheffing van conservatoir beslag dat gedaagde heeft gelegd op haar bankrekeningen en vorderingen op derden. Gedaagde baseert het beslag op een geldvordering voortvloeiend uit facturen voor ingehuurde werknemers. Eiseres stelt dat een deel van deze facturen ondeugdelijk is omdat uren dubbel zijn gefactureerd.

Tijdens de zitting is gebleken dat voor week 1 van 2026 inderdaad dubbele facturering heeft plaatsgevonden: dezelfde uren van werknemers zijn tweemaal in rekening gebracht. Gedaagde kon dit niet overtuigend weerleggen. Hierdoor is summierlijk gebleken dat de vordering deels ondeugdelijk is. Het beroep van gedaagde op een vervaltermijn voor betwisting van facturen faalt omdat dubbele facturering geen grondslag voor betaling biedt.

Voor het deel van de facturen waarvan betaling is opgeschort, is het beslag gerechtvaardigd omdat deze vorderingen gegrond zijn en de contractuele mogelijkheid tot opschorting ontbreekt. De belangenafweging leidt ertoe dat het beslag voor het gegronde deel gehandhaafd blijft, terwijl het voor het ondeugdelijke deel wordt opgeheven.

De voorzieningenrechter bepaalt dat het beslag wordt opgeheven voor zover het het bedrag van €93.790,39 te boven gaat, dat betrekking heeft op de gegronde vordering inclusief opslag. Proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt deels opgeheven vanwege summierlijk ondeugdelijke vordering door dubbele facturering, terwijl het beslag voor het gegronde deel gehandhaafd blijft.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/610738 / KG ZA 26-244
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. Y. Habib,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J. Dijkman en mr. G. Smulders.

1.De procedure

1.1
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 12 producties,
- de conclusie van antwoord en 19 producties,
- de pleitnota van [eiseres] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 27 mei 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

[gedaagde] is een uitzendbureau en huurt werknemers in van het Portugese bedrijf [onderneming] , die zij vervolgens uitleent aan uitzendbureau [eiseres] . [eiseres] plaatst deze werknemers bij bedrijven in Nederland. Sinds begin 2026 betaalt [eiseres] een deel van de facturen van [gedaagde] niet meer. [gedaagde] heeft daarom beslag gelegd op bankrekeningen van [eiseres] en op vorderingen die [eiseres] heeft op derden. [eiseres] vordert opheffing van de beslagen. Deze vordering wordt deels toegewezen.
3 De beoordeling
Toetsingskader
3.1
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
3.2
Volgens artikel 705 lid 2 Rv Pro moet het beslag worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van een afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
Er is sprake van een summierlijk ondeugdelijke vordering
3.3
[eiseres] stelt dat de vordering die ten grondslag ligt aan het beslag summierlijk ondeugdelijk is. Dat blijkt volgens haar uit het feit dat de facturen waarop [gedaagde] die vordering baseert niet correct zijn. Er is sprake van uren die dubbel zijn gefactureerd. Om haar stelling te onderbouwen heeft [eiseres] in de dagvaarding onder randnummer 3.21 een overzicht opgenomen van de facturen die [gedaagde] vanaf de eerste week van 2026 in rekening heeft gebracht. Tijdens de zitting heeft [eiseres] dat overzicht nader toegelicht. De facturen die zij groen heeft gemarkeerd zijn betaalde facturen. De geel gemarkeerde facturen zijn facturen waarvan [eiseres] de betaling heeft opgeschort. De ongemarkeerde facturen zien op uren die al eerder in rekening zijn gebracht en zijn betaald. [gedaagde] betwist niet dat de groen gemarkeerde facturen zijn betaald (deze facturen zijn ook niet ten grondslag gelegd aan de vordering), maar betwist wel dat er sprake is van dubbel gefactureerde uren. Verder stelt [gedaagde] dat het recht van [eiseres] om de facturen te betwisten is vervallen en dat opschorting niet is toegestaan.
Er zijn uren dubbel in rekening gebracht
3.4
Om een beter beeld te krijgen van de gestelde dubbele facturering zijn de facturen van week 1 van dit jaar tijdens de zitting uitgebreid besproken. Daaruit is gebleken dat de werkwijze was dat [eiseres] per week een urenstaat aanleverde bij [gedaagde] met daarin de gewerkte uren van, in dit geval 26, werknemers die zij van [gedaagde] heeft ingehuurd. Zie hiervoor productie 10 bij de dagvaarding, de zevende pagina van week 1. Die urenstaat laat per werknemer zien hoeveel uren hij/zij in week 1 dagelijks heeft gewerkt. In totaal is er in week 1 door alle werknemers samen 694,75 uur gewerkt. Op basis van deze urenstaat heeft [gedaagde] op 6 januari 2026 een factuur gestuurd. Het gaat om de factuur met nummer 250000281 (eerste en tweede pagina van week 1, productie 10). Daarin is per werknemer gespecificeerd hoeveel uur die heeft gewerkt. Die uren per werknemer komen overeen met het aantal uren per werknemer dat is genoemd in de urenstaat van [eiseres] . De factuur vermeldt niet het totaal aantal uren van alle 26 werknemers, maar bij elkaar opgeteld gaat het om 694,75 uur. Dit totaal komt dus overeen met de urenstaat van [eiseres] . Hiermee is dus voldoende aangetoond dat de factuur van 6 januari 2026 betrekking heeft op het totaal aantal uren dat in week 1 is gewerkt door de werknemers die [gedaagde] aan [eiseres] heeft uitgeleend. Deze factuur heeft [eiseres] betaald.
3.5
Vervolgens heeft [gedaagde] op 9 januari 2026 nog een factuur gestuurd. Die is te vinden op de derde pagina van week 1 (productie 10). Het gaat om de factuur met nummer 261010046 waarin voor 5 werknemers met een totaal van 102 gewerkte uren een factuur wordt gestuurd. Deze werknemers komen met hetzelfde aantal gewerkte uren ook voor op de factuur van 6 januari 2026. Daarmee lijkt er dus inderdaad sprake te zijn van dubbel gefactureerde uren. De daaropvolgende factuur van 12 januari 2026 laat hetzelfde beeld zien. Daar wordt voor 21 werknemers een totaal van 592,75 uren gefactureerd. Deze werknemers komen met hetzelfde aantal gewerkte uren ook voor op de factuur van 6 januari 2026. Ook hier lijkt dus sprake te zijn van dubbele facturering. [gedaagde] heeft deze dubbele facturering niet kunnen uitleggen. Zij heeft enkel aangevoerd dat de facturen van 9 en 12 januari 2026 bij elkaar opgeteld het totaal aantal uren van 694,75 vormt. Dat klopt, maar dat verklaart niet waarom er voor week 1 voor dezelfde werknemers twee keer een totaal van 694,75 uren bij [eiseres] in rekening is gebracht. Het verweer van [gedaagde] ontkracht dus niet de onderbouwde stelling van [eiseres] dat sprake is van dubbele facturering voor week 1.
3.6
De stelling van [eiseres] over de dubbele facturering, die is onderbouwd met het voorbeeld van week 1 is voldoende om tot de conclusie te komen dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] . Bovendien lijkt het er - globaal bekeken - op dat ook de andere weken waarvoor [gedaagde] facturen heeft gestuurd een zelfde patroon van dubbele facturering laten zien.
Het recht op betwisting is niet vervallen
3.7
Het beroep van [gedaagde] op de 8-dagen-termijn van artikel 5.3 van de NBBU-voorwaarden slaagt niet. De NBBU-voorwaarden zijn in de inleenovereenkomst tussen partijen van toepassing verklaard. In artikel 5.3 staat dat een factuur binnen acht dagen na de verzenddatum van de factuur betwist moet worden. Gebeurt dat niet, dan vervalt het recht op betwisting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geldt dat verval niet voor de dubbele facturen, omdat er in dat geval geen grondslag bestaat voor betaling van die facturen.
Opschorting van betaling is niet toegestaan
3.8
Voor een deel van de facturen (de geel gemarkeerde facturen uit het overzicht in de dagvaarding) doet [eiseres] een beroep op opschorting. Volgens [gedaagde] mag [eiseres] de betaling van de facturen niet opschorten. Zij wijst ook daarvoor op artikel 5.3 van de NBBU-voorwaarden. Daarin is de mogelijkheid van opschorting weg gecontracteerd.
3.9
Vast staat dat de Portugese werknemers die [gedaagde] aan [eiseres] heeft uitgeleend werkzaamheden hebben verricht en dat [eiseres] daarvoor betaald heeft gekregen. Voor die uren moet [eiseres] in beginsel dan ook de overeengekomen bijdrage betalen aan [gedaagde] . Dat erkent [eiseres] ook. Zij heeft in het kader van haar subsidiaire vordering ook uitgerekend hoeveel zij aan [gedaagde] moet betalen voor deze werknemers. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van de contractuele mogelijkheid om betalingen op te schorten, is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] wat de geel gemarkeerde vorderingen betreft een gegronde vordering heeft. Voor die facturen is de vordering van [gedaagde] dus niet summierlijk ondeugdelijk gebleken.
Belangenafweging
3.1
[gedaagde] heeft er uiteraard belang bij dat zij betaald krijgt voor de uren die de werknemers die zij aan [eiseres] heeft uitgeleend hebben gewerkt. Daarmee genereert zij inkomsten. Daarnaast heeft zij de betalingen nodig om te kunnen voldoen aan haar verplichtingen richting het Portugese bedrijf [onderneming] , dat de werknemers moet betalen. Die krijgen niet betaald als [onderneming] geen geld ontvangt van [gedaagde] . Daar ligt dus een duidelijk en zwaarwegend belang. Dat is dan ook de reden dat - voor zover het de opgeschorte facturen betreft - het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan. Wat betreft het deel van de vordering dat summierlijk ondeugdelijk is gebleken weegt het belang van [eiseres] zwaarder. Door de beslagen bij meerdere banken en debiteuren lopen haar bedrijfsvoering en klantrelaties gevaar.
Conclusie
3.11
De vordering tot opheffing van de beslagen wordt deels toegewezen. Voor het deel van de vordering dat ziet op de facturen waarvan de betaling is opgeschort wordt het beslag gehandhaafd. Dat zijn de facturen die in het overzicht onder 3.21 in de dagvaarding geel zijn gemarkeerd en waarvan het totaal verschuldigde bedrag € 72.146,45 bedraagt. [eiseres] heeft daarbij ook de opslag van 30% berekend en komt daarmee in totaal op een bedrag van € 93.790,39. Voor dat bedrag worden de beslagen gehandhaafd. Voor zover de beslagen dat bedrag te boven gaan worden die opgeheven.
Ieder moet de eigen proceskosten betalen
3.12
Omdat beide partijen deels gelijk en deels ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet betalen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
heft op de ten laste van [eiseres] gelegde conservatoire derdenbeslagen, waarvoor door de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland op 25 maart 2026 beslagverlof is verleend, voor zover die beslagen een bedrag van € 93.790,39 te boven gaan,
4.2
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.