ECLI:NL:RBMNE:2026:3099

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/601511 / HA ZA 25-530
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:928 BWArt. 7:929 BWArt. 7:930 lid 5 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering herstel en uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering wegens schending mededelingsplicht

Eiser sloot in juli 2020 een arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij ASR en ontving vanaf augustus 2021 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. ASR stopte de uitkering per maart 2023 omdat eiser niet de gevraagde financiële stukken verstrekte en beëindigde de verzekering wegens wanbetaling.

Eiser vorderde herstel van de verzekering en betaling van de uitkering vanaf maart 2023. ASR stelde dat eiser haar mededelingsplicht bij de aanvraag bewust had geschonden door onjuiste inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het recht op uitkering verviel.

De rechtbank oordeelde dat eiser onjuiste winstcijfers had opgegeven, bewust met het doel ASR te misleiden. ASR had zich tijdig op deze schending beroepen. Daarom werd de vordering tot betaling van de uitkering en herstel van de verzekering afgewezen.

Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De reeds betaalde uitkeringen van augustus 2021 tot maart 2023 hoefde eiser niet terug te betalen.

De verzekeringsovereenkomst eindigde per 10 april 2026 door de opzegging van ASR na ontdekking van de schending van de mededelingsplicht.

Uitkomst: Vordering tot herstel van verzekering en betaling uitkering afgewezen wegens opzettelijke schending mededelingsplicht; eiser veroordeeld tot proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/601511 / HA ZA 25-530
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
eisende partij,
advocaat: mr. T.W. Phea,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M.H. Pluymen.
Partijen worden hierna [eiser] en ASR genoemd.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 10 oktober 2025, met producties,
  • de conclusie van antwoord, met producties,
  • de aanvullende producties van [eiser] , van 1 april 2026,
  • de mondelinge behandeling van 10 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
  • de spreekaantekeningen van [eiser] ,
  • de spreekaantekeningen van ASR.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] is bedrijfskundige. Zij had een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij ASR. Nadat [eiser] ziek werd keerde ASR haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit. Daarmee is ASR per maart 2023 gestopt, omdat [eiser] niet de door ASR gevraagde financiële stukken verstrekte. Vervolgens heeft ASR de verzekering opgezegd. [eiser] vordert herstel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met premievrijstelling, en betaling van de uitkering vanaf maart 2023. ASR stelt dat [eiser] haar mededelingsplicht bij het aanvragen van de verzekering opzettelijk heeft geschonden, waardoor ASR de verzekeringsovereenkomst heeft opgezegd en ASR geen uitkering hoeft te betalen. Dat verweer slaagt. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

3.De beoordeling

Betaling van de uitkering vanaf maart 2023 wordt afgewezen
3.1
[eiser] heeft in juli 2020 een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij ASR. In augustus 2021 heeft [eiser] zich bij ASR arbeidsongeschikt gemeld. Partijen zijn het erover eens dat zij vanaf dat moment 80-100% arbeidsongeschikt was. [eiser] ontving daarom vanaf 27 augustus 2021 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 6.025,32 per maand. Na een jaar uitkering heeft ASR haar op grond van de polisvoorwaarden premievrijstelling verleend.
3.2
In oktober 2022 heeft ASR [eiser] verzocht om financiële stukken over de jaren 2018 t/m 2021 te verstrekken. Dat mocht ASR doen, gezien het bijzondere (vertrouwens)karakter van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en het gegeven dat het inkomen een indicatie kan zijn van de mate van arbeidsongeschiktheid of inzetbaarheid. Op grond van artikel 7:941 lid 2 BW Pro is de verzekeringnemer verplicht die gegevens te verstrekken. Dat heeft [eiser] ondanks meerdere herinneringen en waarschuwingen niet (volledig) gedaan. ASR heeft de uitkering vervolgens per 1 maart 2023 stopgezet. Daarnaast liet ASR weten dat de premievrijstelling verviel, omdat die is gekoppeld aan het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. [eiser] moest vanaf dat moment dus weer premie betalen. Omdat zij dat niet deed, heeft ASR de verzekeringsovereenkomst op 12 december 2024 beëindigd wegens wanbetaling, met terugwerkende kracht per 1 maart 2023.
3.3
Daarom vordert [eiser] in deze procedure betaling van de uitkering van (na indexatie) € 6.545,50 bruto per maand vanaf 1 maart 2023 tot de dag dat zij volledig arbeidsgeschikt is. Dat is tot het moment van dagvaarden een bedrag van € 202.910,50. ASR stelt in haar conclusie van antwoord dat zij de verzekering heeft opgezegd wegens wanbetaling, nadat zij de betaling van de uitkering had opgeschort omdat [eiser] de gevraagde financiële gegevens niet aanleverde. Bovendien hield ASR zich het recht voor om zich te beroepen op (opzettelijke) schending van de mededelingsplicht bij de aanvraag van de verzekering. Tijdens de zitting heeft ASR daarop alsnog een beroep gedaan. Door de aanvullende producties, die [eiser] kort voor de zitting (in de avond van 1 april 2026) heeft toegestuurd, is voor ASR duidelijk geworden dat [eiser] bewust haar mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft geschonden. Daarmee vervalt volgens ASR ook het recht op uitkering, zijn de betaalde uitkeringen onverschuldigd betaald en kon ASR de verzekeringsovereenkomst opzeggen. Dit verweer van ASR slaagt, en de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
Wettelijk kader
3.4
Een verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar naar waarheid alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan de beslissing van de verzekeraar of en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering wil sluiten, afhangt (artikel 7:928 BW Pro). Als de verzekeringnemer dat niet doet en daarbij handelt met het opzet de verzekeraar te misleiden, heeft die verzekeringnemer geen recht op uitkering (artikel 7:930 lid 5 BW Pro). Van opzet tot misleiding is sprake als de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507). Dat is hier het geval.
[eiser] heeft haar mededelingsplicht geschonden
3.5
[eiser] heeft op 6 mei 2020 via haar assurantieadviseur een aanvraagformulier voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering ingediend bij ASR. Op dit formulier gaf zij aan dat ze werkzaam was als bedrijfskundige. Bij de inkomensgegevens vermeldde zij een winst van € 50.000,00 in 2017, € 100.000,00 in 2018 en € 175.000,00 in 2019. Met haar ondertekening gaf [eiser] aan dat de door haar verstrekte gegevens juist en volledig waren. ASR heeft [eiser] vervolgens gevraagd om een onderbouwde winstprognose voor 2020, om de hoogte van het verzekerd bedrag beter te kunnen bepalen. Op basis van deze gegevens heeft ASR de door [eiser] aangevraagde verzekerde jaarrente van € 75.000,00 geaccepteerd. Dit verzekerd bedrag blijft ruim binnen de maximumgrens die ASR hanteert: zij verzekert maximaal 90% van het gemiddelde inkomen bij de start van de verzekering (artikel 1.18 polisvoorwaarden).
3.6
Achteraf blijkt dat de door [eiser] verstrekte inkomensgegevens over 2017-2019, waarop het verzekerd bedrag is gebaseerd, onjuist waren. Naast de gegevens die [eiser] bij aanvraag van de verzekering opgaf, verstrekte zij ASR in oktober 2023 jaarrekeningen van haar bedrijf met resultaten (winst) van € 164.135,00 in 2018, € 184.133,00 in 2019 tot € 312.401,00 in 2020. Daarbij viel al op dat de post debiteuren zeer hoog is: van € 148.412,00 in 2018 oplopend naar € 701.135,00 in 2020. Uit de aanvullende producties die [eiser] kort voor de zitting heeft ingediend, blijkt echter dat dit bedrag van € 701.135,00 in 2021 volledig is afgeboekt. Volgens [eiser] boekhouder is de gerealiseerde omzet over de periode 2018 tot en met 2021 in totaal slechts € 115.900,00. Op basis van deze aanvullende producties heeft ASR berekend dat de winst in 2018 en 2019 ongeveer € 22.000,00 per jaar bedroeg. [eiser] heeft dat niet weersproken, en zij heeft niet onderbouwd dat er nog andere inkomsten waren die niet terugkeren in het overzicht van de boekhouder. Daarmee staat vast dat [eiser] onjuiste gegevens heeft verstrekt bij het aanvragen van de verzekering. Bij de door [eiser] opgegeven winstcijfers hoort een inkomen van ruim boven de verzekerde jaarrente terwijl uit de berekening van ASR volgt dat het feitelijke inkomen van [eiser] zich naar alle waarschijnlijkheid rond het minimumloon of daaronder heeft bewogen.
3.7
De rechtbank oordeelt dat [eiser] met deze onjuiste opgave haar mededelingsplicht heeft geschonden, omdat aan alle vereisten voor schending van de mededelingsplicht is voldaan. [eiser] wist of behoorde in elk geval te weten dat de werkelijke winst lager was dan zij bij haar aanvraag opgaf (kennisvereiste). Zij heeft namelijk een groot bedrag aan nog niet geïnde vorderingen als winst opgegeven en in haar jaarrekeningen opgenomen. Dat is boekhoudkundig niet toegestaan. Vorderingen mogen namelijk in principe pas als winst geboekt worden, wanneer zij daadwerkelijk ontvangen zijn. Van [eiser] als bedrijfskundige mag worden verwacht dat zij bekend is met dit elementaire beginsel.
[eiser] heeft aangevoerd dat de opgegeven cijfers ten tijde van de aanvraag zijn afgeleid uit de jaarcijfers zoals opgemaakt door een externe boekhouder, zodat daarin een mate van objectiviteit zit. Daarnaast is volgens haar pas achteraf gekozen voor het afwaarderen van vorderingen, omdat [eiser] geen toegang meer had tot een bepaald platform voor het innen van vorderingen. Zij meent dus dat de opgave bij aanvraag van de verzekering niet onjuist was. De rechtbank gaat daar niet in mee. Ook als jaarstukken worden opgemaakt door een boekhouder, mogen nog niet geïnde vorderingen niet zomaar als winst worden opgenomen. Dat [eiser] achteraf geen toegang meer had tot een platform voor het innen van haar vorderingen, doet er dan niet toe. Daarbij komt nog dat het niet (kunnen) innen van de vorderingen jarenlang heeft voortbestaan. Gelet op de omvang van de niet geïnde vorderingen in relatie tot de totale omzet had [eiser] zich moeten realiseren dat zij niet de winst behaalde die zij heeft opgegeven aan ASR.
Verder wist of had [eiser] moeten begrijpen (kenbaarheidsvereiste) dat de beslissing van ASR of en onder welke voorwaarden zij de verzekering wilde sluiten (relevantievereiste) af kon hangen van de hoogte van de opgegeven winst. Op het aanvraagformulier heeft ASR gevraagd wat de hoogte van de winst was over de afgelopen drie jaar. Daarmee staat vast dat die informatie relevant is voor de acceptatiebeslissing van ASR. Bovendien heeft ASR daarna nog om een onderbouwde winstprognose van 2020 gevraagd om de hoogte van het verzekerd bedrag beter te kunnen bepalen. Bij de totstandkoming van de verzekering heeft ASR dus een voor [eiser] kenbaar verband gelegd tussen de hoogte van haar inkomen en het maximale verzekerd bedrag. Daarnaast ziet de vraag naar de winst niet op feiten die ASR al kende of had moeten kennen (verschoonbaarheidsvereiste). Tot slot gaat het om feiten die tot een voor de verzekerde gunstiger of minder gunstige beslissing kunnen leiden (causaliteitsbeginsel), omdat de hoogte van het verzekerd bedrag afhangt van de hoogte van het inkomen.
[eiser] had opzet tot misleiden
3.8
Met ASR is de rechtbank van oordeel dat [eiser] bewust een te hoge winst heeft opgegeven met als doel ASR te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Om tot een verzekerd bedrag van € 75.000,00 te komen is, op basis van het door ASR gehanteerde maximum van 90%, een gemiddeld inkomen van minimaal € 83.333,00 nodig. [eiser] gaf, als bedrijfskundige, bij de aanvraag in juli 2020 een winst op van € 100.000,00 in 2018 en € 175.000,00 in 2019, terwijl de post debiteuren in die jaren € 148.412,00 en € 343.822,00 bedroeg en de daadwerkelijke winst in die jaren gemiddeld ongeveer € 22.000,00 was. Daarvoor is geen andere reden te bedenken, en [eiser] heeft die reden ook niet gegeven, dan dat zij het verzekerd bedrag hoger wilde laten uitvallen dan het inkomen dat zij daadwerkelijk verdiende. Die indruk wordt nog versterkt door 1) het feit dat [eiser] al in 2021 een bedrag van € 701.135,00 aan omzet heeft afgeboekt voor de periode 2018 tot en met 2020, 2) doordat [eiser] de stelling van de door ASR ingeschakelde financieel expert (de heer [deskundige] van de Financieel Economische Zaak) dat [eiser] over de post debiteuren geen omzetbelasting heeft afgedragen niet heeft weersproken, en 3) het feit dat [eiser] tot haar arbeidsongeschiktheid steeds méér aan de onderneming heeft onttrokken dan zij heeft verdiend, zodat de onderneming niet levensvatbaar is.
Bovendien blijkt uit de aanvullende producties dat de boekhouder van [eiser] in februari 2025 aan de Belastingdienst heeft bericht dat hij in 2021 € 701.135,00 aan omzet had afgeboekt. Dat bericht heeft [eiser] pas kort voor de zitting verstrekt. Dat geldt ook voor de aangiftes inkomstenbelasting waaruit blijkt dat de bij de aanvraag medegedeelde winst veel hoger is dan de werkelijke resultaten, waardoor het verzekerd bedrag te hoog is vastgesteld.
De rechtbank oordeelt daarom dat het opzet tot misleiden als bedoeld in artikel 7:930 lid 5 BW Pro vast is komen te staan.
ASR heeft de gevolgen van schending van de mededelingsplicht op tijd ingeroepen
3.9
Als een verzekeraar ontdekt dat de verzekerde niet aan de mededelingsplicht heeft voldaan, kan hij daaraan alleen gevolgen verbinden als hij de verzekeringnemer daar binnen twee maanden na de ontdekking op wijst, onder vermelding van de mogelijke gevolgen (artikel 7:929 lid 1 BW Pro). Van zo’n ‘ontdekking’ is nog geen sprake als de verzekeraar vermoedt dat sprake is van een schending van de mededelingsplicht. Een verzekeraar moet een voldoende mate van zekerheid hebben. De termijn van twee maanden gaat pas lopen als de verzekeraar, eventueel na het doen van nader onderzoek, voldoende zekerheid heeft gekregen dat de verzekeringnemer zijn of haar mededelingsplicht niet is nagekomen.
3.1
ASR heeft pas tijdens de zitting op 10 april 2026 gesteld dat ieder recht op uitkering is komen te vervallen en de gedane uitkeringen onverschuldigd zijn betaald, op grond van artikel 7:930 lid 5 en Pro 7:928 BW. Dat is op tijd. ASR heeft terecht gesteld dat zij veel moeite heeft gedaan om (nadere) financiële stukken op te vragen. Die stukken leidden tot vragen en nader onderzoek. Dat onderzoek was nog gaande, en [eiser] heeft de (nader) opgevraagde stukken grotendeels niet verstrekt. Pas enkele dagen voor de zitting, op 1 april 2026, heeft zij aanvullende producties toegestuurd waaruit ASR met voldoende zekerheid kon concluderen dat [eiser] haar mededelingsplicht opzettelijk heeft geschonden.
3.11
[eiser] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het moment van ontdekking, zoals genoemd in artikel 7:929 BW Pro, “veel eerder” heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld op het moment dat ASR het rapport van financieel expert [deskundige] ontving, in augustus 2025. Met dat rapport is echter nog geen sprake van ontdekking van schenden van de mededelingsplicht. Integendeel, volgens [deskundige] blijkt uit de voorlopige analyse zelfs dat de opgegeven winst bij polisaanvraag (voor 2018-2020) mogelijk
lageris dan de daadwerkelijk gerealiseerde winst (op basis van de jaarrekeningen). [deskundige] heeft dan ook een hele lijst aan openstaande vragen (bijvoorbeeld of de winst volgens de aangifte voor de inkomstenbelasting overeenkomt met de winst opgegeven op het polisaanvraagformulier). Hij verzoekt nog een groot aantal documenten op te vragen, waaronder de inkomstenbelastingaangiften voor 2018, 2019 en 2020. Op 15 augustus 2025 heeft ASR het rapport van [deskundige] met dit verzoek aan (de advocaat van) [eiser] toegestuurd. [eiser] heeft echter pas in deze procedure, op 1 april 2026, een deel van de gevraagde gegevens verstrekt, waaronder aangiftes inkomstenbelasting. ASR heeft dus niet eerder dan op 1 april 2026 kunnen concluderen dat [eiser] niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. ASR heeft haar beroep op verval van het recht op uitkering tijdens de zitting dus op tijd gedaan.
Conclusie: [eiser] heeft geen recht op uitkering vanaf 1 maart 2023
3.12
De conclusie is dus dat [eiser] haar mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet ASR te misleiden. ASR heeft zich hier op tijd op beroepen, zodat [eiser] geen recht heeft op betaling van de uitkering vanaf 1 maart 2023 tot het moment dat zij volledig arbeidsgeschikt is (artikel 7:930 lid 5 BW Pro). Die vordering zal dus worden afgewezen. Een ander gevolg van het beroep van ASR op opzettelijke schending van de mededelingsplicht is dat de uitkeringen van 27 augustus 2021 tot 1 maart 2023 achteraf gezien zonder rechtsgrond zijn betaald. ASR heeft het uitbetaalde bedrag (€ 114.447,74 bruto) niet teruggevorderd, zodat [eiser] dat bedrag niet terug hoeft te betalen.
De vordering tot herstel van de overeenkomst wordt afgewezen
3.13
Verder vordert [eiser] de verzekeringsovereenkomst tussen partijen in kracht te herstellen zodat die ook na 1 maart 2023 is blijven doorlopen, waarbij volledige premievrijstelling geldt in geval van 100% arbeidsongeschiktheid. Ook deze vordering zal worden afgewezen.
3.14
Als een verzekeraar ontdekt dat de verzekerde niet aan de mededelingsplicht heeft voldaan met het opzet hem te misleiden, kan hij de overeenkomst binnen twee maanden na de ontdekking daarvan per direct opzeggen (artikel 7:929 lid 2 BW Pro). Dat heeft ASR op de zitting gedaan. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat [eiser] haar mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet ASR te misleiden (zie 3.12), is die opzegging terecht. De verzekeringsovereenkomst is per 10 april 2026 dus geëindigd.
3.15
[eiser] vordert echter herstel van de verzekeringsovereenkomst per 1 maart 2023. Die vordering kan niet anders worden uitgelegd dan dat [eiser] bedoelt te vorderen dat ASR haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst in die periode na moet komen. Kernverplichting van een arbeidsongeschiktheidsverzekering is het verlenen van dekking, door het doen van uitkering als de verzekerde arbeidsongeschikt is. Die verplichting is vervallen door het opzettelijk niet-nakomen van de mededelingsplicht: [eiser] heeft geen recht op een uitkering (zie 3.12). Dat betekent dat ook deze vordering tot herstel van de verzekeringsovereenkomst per 1 maart 2023 zal worden afgewezen.
3.16
Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat uit hetgeen overwogen is in rechtsoverweging 3.2 volgt dat ASR de verzekering ook mocht beëindigen omdat [eiser] niet de gevraagde informatie had verstrekt.
[eiser] moet de proceskosten en de rente daarover betalen
3.17
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.954,00
3.18
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.19
De rechtbank zal de beslissing over de kosten uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 8.954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart de proceskostenveroordeling in nummer 4.2 en 4.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
ES5403