ECLI:NL:RBMNE:2026:3110

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
24/5259
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens parkeren zonder betaling

Eiseres maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 76,70 opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 19 april 2024. Zij stelde dat zij slechts kort had stilgestaan om de autosleutels aan haar partner te overhandigen, die vervolgens met de auto vertrok, en dat er sprake was van een bestuurderswissel zonder dat zij het kenteken kon aanmelden.

De heffingsambtenaar handhaafde de naheffingsaanslag en stelde dat er geen aanwijzingen waren voor onmiddellijk in- of uitstappen, zoals vereist volgens artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet. De rechtbank oordeelde dat uit de foto's bleek dat de auto geparkeerd stond met gesloten deuren en zonder personen in de nabijheid, waardoor sprake was van parkeren.

De rechtbank stelde vast dat de bewijslast voor de uitzondering van onmiddellijk in- of uitstappen bij eiseres lag, die dit niet aannemelijk kon maken. Ook het korte tijdsbestek maakte geen verschil, aangezien ook kort stilstaan als parkeren wordt aangemerkt. De verwijzing naar een andere uitspraak was niet relevant omdat de situatie anders was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de naheffingsaanslag en wees een proceskostenveroordeling af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , in [plaats] , eiseres

(gemachtigde: C. Verweij)
en
de heffingsambtenaar van de belastigsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 juli 2024.
De heffingsambtenaar heeft op 1 mei 2024 aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 76,70 met aanslagnummer [nummer] . De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 19 april 2024 om 17:51 uur. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 3 juli 2024 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de heffingsambtenaar.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de auto van eiseres met kenteken
[kenteken] op 19 april 2024 om 17:51 uur stilstond op een parkeerplaats aan Burgemeester ter Pelkwijklaan Utrecht. Evenmin is in geschil dat op genoemde datum en genoemd tijdstip deze parkeerplaats op grond van de Verordening Parkeerbelastingen gemeente Utrecht 2024, is aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven.
7. Eiseres beroept zich op het standpunt dat zij op 19 april 2024 in de straat Burgemeester ter Pelkwijklaan stilstond om naar haar huis te lopen en vervolgens de autosleutels af te geven aan haar partner. Haar partner is vervolgens met de auto weer vertrokken. Eiseres voert aan dat zij parkeerbelasting niet meer via een automaat kan voldoen, enige oplossing voor haar is dan inloggen op de computer boven het parkeegeld te voldoen. Aangezien haar partner gelijk weer vertrok met de auto, heeft zij het kenteken niet aangemeld. Eiseres is van mening dat er enkel sprake is van een bestuurderswissel. Tot slot verwijst eiseres naar de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant. [1]
8. De heffingsambtenaar heeft gewezen op artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet. Daarin staat dat onder parkeren wordt verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijke voorschrift is verboden. In het onderhavige geval is geen aanleiding geweest te twijfelen of al dan niet sprake was van parkeren. Er heeft geen nacontrole plaatsgevonden omdat er geen indicaties waren dat sprake zou kunnen zijn van laden en lossen van goederen. Uit de foto’s zoals deze zijn opgenomen in het brondocument blijkt niet dat sprake is van onmiddellijk in- of uitstappen van personen, open portieren c.q. laadklep dan wel of sprake is van brandende verlichting. Er is geen sprake van (1) in- of uitstappen van personen, (2) onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en (3) gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
9. De rechtbank overweegt dat van parkeren is alleen dan geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen of gelost worden. De bewijslast dat sprake was van het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een persoon, rust op degene die zich op deze uitzondering beroept. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake was van onmiddellijk in- of uitstappen van haarzelf en haar partner. De rechtbank stelt vast dat er op de scanfoto’s geen activiteiten zijn te zien waaruit blijkt dat er sprake is van in- of uitstappen. De auto van eiseres staat in een parkeervak, de deuren van de auto zijn gesloten en er bevinden zich geen personen in de buurt van de auto. Daardoor moet worden geconcludeerd dat sprake was van parkeren. De omstandigheid dat eiseres maar kort heeft geparkeerd, zoals zij heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Volgens vaste rechtspraak is, ook het kort stilstaan is aan te merken als parkeren waarvoor parkeerbelasting is verschuldigd. [2] Ook de uitspraak waar eiseres naar verwijst, treft geen doel. De rechtbank stelt vast dat in die uitspraak betrokkene het kenteken onjuist had genoteerd in de parkeerapp, waardoor hij alsnog niet was aangemeld voor het juiste kenteken. Deze situatie verschilt van die van eiseres, omdat eiseres geen intentie had om het kenteken aan te melden en dus ook geen parkeerbelasting heeft voldaan. Nu eiseres geen parkeerbelasting heeft betaald is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 31 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2491.