Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op € 1.632.000 en na bezwaar verlaagd naar € 1.548.000. Eiser stelt een lagere waarde van € 1.423.590 voor, onder meer op grond van een andere berekening van de woonoppervlakte.
De rechtbank beoordeelt dat de heffingsambtenaar de woonoppervlakte correct heeft berekend volgens de geldende normen, waarbij de oppervlakte binnen de buitenmuren inclusief binnenmuren is meegenomen. Eiser heeft onvoldoende concreet onderbouwd waarom deze berekening onjuist zou zijn, mede omdat hij niet conform NEN 2580 heeft gemeten.
Daarnaast acht de rechtbank de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoningen vergelijkbaar en de taxatiematrix een betrouwbare onderbouwing van de WOZ-waarde. Eiser heeft geen aanvullende gronden tegen deze onderbouwing aangevoerd.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde WOZ-waarde van € 1.548.000 niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.