Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3130

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/5820
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArtikel 1 BpbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking besluit door minister

Verzoekster maakte bezwaar tegen een besluit van de minister dat zij geen rechtmatig verblijf had. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok de minister het besluit in en kondigde aan opnieuw op het bezwaar te zullen beslissen.

Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten. De rechtbank oordeelde dat hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het beroepschrift door het besluit in te trekken en opnieuw te beslissen, er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.

Dit omdat het beroepschrift niet was ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en er geen proceskosten waren aangetoond die voor vergoeding in aanmerking kwamen. De rechtbank wees het verzoek dan ook als kennelijk ongegrond af.

Wel wees de rechtbank erop dat de minister gehouden is het betaalde griffierecht te vergoeden en dat verzoekster zich daarvoor tot de minister moet wenden.

De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf en griffier Hoogenberk op 20 april 2026 zonder zitting.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen beroepsmatige rechtsbijstand is verleend en geen proceskosten zijn aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/5820

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: R.E. Thijssen).

Inleiding

1. Bij besluit van 11 mei 2023 heeft de rechtsvoorganger van de minister bepaald dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft. Verzoekster heeft op 12 december 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft bij brief van 3 maart 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 februari 2025.
1.1.
Bij brief van 1 juli 2025 heeft de minister kenbaar gemaakt dat hij het besluit van
6 februari 2025 intrekt en dat hij opnieuw op het bezwaar van 12 december 2023 zal beslissen. Hierop heeft verzoekster het beroep tegen het besluit van 6 februari 2025 ingetrokken en heeft zij verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op dit verzoek. De minister heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
4. In haar beroepschrift van 3 maart 2025 komt verzoekster onder meer op tegen het feit dat de minister haar niet heeft gehoord op haar bezwaarschrift van 12 december 2023. De minister heeft het besluit op 1 juli 2025 ingetrokken, met onder meer de toezegging dat hij verzoekster zal horen op haar bezwaarschrift. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat de minister hiermee tegemoetgekomen is aan het beroepschrift van verzoekster.
5. Desondanks bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Verder is ook niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. [3] De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
6. De rechtbank wijst erop dat de minister wel gehouden is om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [4] Verzoekster moet zich hiervoor wenden tot de minister.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
De griffier is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Artikel 1 van Pro het Bpb.
4.Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.