Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3133

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/7212
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarprocedure niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging erfgenamen

Mevrouw A ontving een persoonsgebonden budget in het kader van de Wet langdurige zorg en is in 2022 overleden. Het zorgkantoor nam in februari 2024 een besluit tot terugvordering van €27.352,71 gericht aan de nabestaanden. Eiseres maakte namens de erfgenamen bezwaar, maar kon geen verklaring van erfrecht overleggen en evenmin machtigingen van alle erfgenamen om de bezwaarprocedure te voeren.

Het zorgkantoor vroeg herhaaldelijk om deze machtigingen of een toelichting waarom deze niet konden worden verkregen. Hoewel een verklaring van erfrecht werd aangeleverd en het zorgkantoor coulance toonde door niet van alle erfgenamen machtigingen te eisen, bleef het ontbreken van machtigingen of toelichtingen per erfgenaam onopgelost. Eiseres reageerde niet op herhaalde verzoeken na juli 2025.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring van erfrecht niet volstaat om bevoegdheid tot bezwaar namens alle erfgenamen aan te tonen. Zonder machtiging of toelichting kan het zorgkantoor niet vaststellen of eiseres bevoegd was. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van machtigingen van de erfgenamen, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7212

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.C.M. van Oort),
en

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V., het zorgkantoor,

(gemachtigde: T. Olaniyi).

Inleiding

1. Mevrouw [A] (budgethouder) ontving een persoonsgebonden budget om daarmee zorg in te kopen in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). De budgethouder is op [datum] 2022 overleden.
1.1.
Het zorgkantoor heeft op 8 februari 2024 een besluit ‘wijziging subsidieverlening’ genomen. Met dit besluit vordert het zorgkantoor een bedrag van € 27.352,71 terug. Dit besluit is gericht aan de nabestaanden van de budgethouder.
1.2.
Op 15 maart 2025 heeft mw. mr. P. Staal (gemachtigde) namens de nabestaanden, onder wie eiseres, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.3.
Op 26 maart 2024 heeft het zorgkantoor om een verklaring van erfrecht verzocht en om ondertekende machtigingen van de erfgenamen.
1.4.
Op 12 april 2024 heeft de gemachtigde meegedeeld dat eiseres geen verklaring van erfrecht in haar bezit heeft en deze ook niet zal verkrijgen. Verder heeft de gemachtigde aangegeven dat de twee broers van eiseres in het buitenland verblijven en dat zij al jaren uit beeld zijn. Eiseres heeft de zorg voor haar moeder altijd alleen gedragen.
1.5.
Op 15 april 2024 heeft het zorgkantoor – onder meer – gevraagd om de gronden van bezwaar. De gemachtigde heeft hierop gereageerd op 3 en 19 september 2024. Zo heeft zij het zorgkantoor gevraagd om mee te denken over een oplossing voor de ontstane situatie. In een mail van 11 december 2024 heeft het zorgkantoor aangegeven dat het blijft bij het standpunt dat een verklaring van erfrecht nodig is. Naast de verklaring van erfrecht moeten de erfgenamen toestemming geven aan de erfgenaam die de procedure wil voeren, aldus het zorgkantoor.
1.6.
Op 5 maart 2025 heeft de gemachtigde aan het zorgkantoor verzocht om vier weken uitstel voor het aanleveren van de verklaring van erfrecht. Ook heeft zij in deze mail aangegeven dat er diverse erfgenamen zijn, verspreid over verschillende landen. Eiseres heeft met sommige erfgenamen geen contact meer en de gegevens van deze erfgenamen zijn niet bekend of moeten via een omweg worden verkregen.
1.7.
Het zorgkantoor heeft op 18 juni 2025 de verklaring van erfrecht ontvangen. In een
e-mail van 10 juli 2025 heeft het zorgkantoor meegedeeld dat het de verklaring van erfrecht accepteert en dat het uit coulance een gedeeltelijk uitzondering voor de machtigingen van de erfgenamen maakt. Dat wil zeggen dat het zorgkantoor niet van alle erven die in de verklaring van erfrecht zijn vermeld een machtiging hoeft te ontvangen. Wel wenst het zorgkantoor een machtiging van de erfgenamen die goed bereikbaar zijn en die contact onderhouden met eiseres. Het zorgkantoor verwachtte van eiseres dat zij zich inspant om van zoveel mogelijk erfgenamen een machtiging te verkrijgen. Als een machtiging niet mogelijk blijkt te zijn, dan heeft het zorgkantoor aan eiseres verzocht om hierop per erfgenaam een toelichting te geven. Het zorgkantoor heeft eiseres tot 18 augustus 2025 de tijd gegeven om de gevraagde machtigingen dan wel de toelichting toe te sturen.
1.8.
In een e-mail van 28 juli 2025 heeft de gemachtigde meegedeeld dat zij zal proberen een machtiging te krijgen van de erfgenaam van wie eiseres de gegevens heeft en met wie zij contact onderhoudt.
1.9.
Het zorgkantoor heeft bij e-mails van 21 augustus 2025, 17 september 2025 en
8 oktober 2025 nogmaals gevraagd om de machtigingen van de erfgenamen dan wel de bedoelde toelichting. Hierop is geen reactie gekomen.
1.10.
Met het besluit van 28 oktober 2025 heeft het zorgkantoor het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen machtiging(en) van de erven heeft overgelegd. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
1.11.
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen dit besluit.

Beoordeling door de rechtbank

2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
3. Eiseres voert aan dat zij een verklaring van erfrecht heeft overgelegd die door het zorgkantoor is geaccepteerd. Volgens eiseres staat daarmee vast dat eiseres gerechtigd is geweest om mede namens de erfgenamen bezwaar in te dienen tegen het besluit van
8 februari 2024.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het klopt dat het zorgkantoor de door eiseres overgelegde verklaring van erfrecht heeft geaccepteerd. Het zorgkantoor heeft het bezwaar evenwel niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres de gevraagde machtiging van de erfgenamen van de budgethouder niet heeft overgelegd. Het zorgkantoor mocht deze machtiging vragen, omdat de erfgenamen eiseres toestemming moeten geven voor zover eiseres de bezwaarprocedure mede namens hen beoogde te voeren. De verklaring van erfrecht volstaat in dit verband niet. Uit deze verklaring blijkt namelijk niet dat eiseres door de overige erfgenamen is gemachtigd tot het afwikkelen van de erfenis van de budgethouder, dan wel tot het voeren van procedures die daarmee samenhangen. Om dit mede namens de erfgenamen te mogen doen, diende eiseres van alle erfgenamen een machtiging te overleggen, waarin uitdrukkelijk was bepaald dat zij gemachtigd was tot het voeren van de bezwaarprocedure. Eiseres heeft een dergelijke machtiging niet overgelegd.
5. Indien het voor eiseres niet mogelijk zou zijn geweest om een dergelijke machtiging over te leggen, heeft het zorgkantoor eiseres in de bezwaarprocedure de gelegenheid geboden om per erfgenaam toe te lichten waarom dit niet is gelukt. Eiseres heeft in haar
e-mail van 28 juli 2025 toegezegd dat zij zou proberen een machtiging te krijgen van de erfgenaam met wie zij wel contact heeft. Het zorgkantoor heeft na dit bericht van
28 juli 2025 niets meer van eiseres vernomen. Ook op de rappelbrieven van 21 augustus 2025, 17 september 2025 en 8 oktober 2025 heeft eiseres niet gereageerd.
6. Door het ontbreken van een machtiging van de erven van wijlen de budgethouder, dan wel een toelichting (per erfgenaam) waarom het afgeven van een machtiging niet mogelijk is geweest, heeft het zorgkantoor niet kunnen vaststellen of eiseres bevoegd was om namens de erfgenamen de bezwaarprocedure te voeren. Het zorgkantoor heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.